ECLI:NL:CBB:2026:105

ECLI:NL:CBB:2026:105

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer 24/570
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

TEK – Afwijzing subsidieaanvraag. Appellant had een vijfjarig energiecontract. De ingangsdatum van dat contract lag voor 1 november 2022 en de einddatum lag na 31 december 2023. De leveringsprijzen voor gas en elektriciteit uit dat contract waren lager dan de drempelbedragen als genoemd in artikel 3, eerste lid, van de TEK. Op grond van artikel 7, zevende lid, van de TEK had appellant dus geen subsidiabele kosten en komt hij niet in aanmerking voor subsidie. Beroep ongegrond.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats]

de minister van Economische Zaken

uitspraak

zaaknummer: 24/570

en

(gemachtigden: mr. Y. Groen en mr. M.J.H. van der Burgt)

Procesverloop

Met het besluit van 9 januari 2024 heeft de minister de aanvraag van [naam] voor een subsidie op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) afgewezen.

Met het besluit van 27 mei 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door [naam] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Met de uitspraak van 3 december 2024 heeft het College het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat binnen de daarvoor gestelde termijn het griffierecht niet was betaald.

[naam] heeft tegen die uitspraak verzet gedaan.

Met de uitspraak van 1 april 2025 heeft het College het verzet gegrond verklaard. Het onderzoek is voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 28 januari 2026. Daaraan hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.

Overwegingen

Oordeel van het College

1. Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Inleiding

2 [naam] heeft op grond van de TEK subsidie aangevraagd voor zijn energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemingen uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).

3 In deze zaak moet het College beoordelen of de minister de aanvraag voor subsidie van [naam] terecht heeft afgewezen. Met het besluit van 9 januari 2024 heeft de minister de aanvraag afgewezen, omdat hij op basis van de door [naam] aangeleverde informatie niet kon beoordelen of [naam] voldeed aan de voorwaarde dat zijn onderneming een energie-intensiteit van ten minste 7 procent had (artikel 2, eerste lid, van de TEK). In het bestreden besluit heeft de minister een andere afwijzingsgrond gebruikt, omdat [naam] aanvullende informatie had verstrekt. Zoals op de zitting namens de minister is toegelicht, werd in de bezwaarfase duidelijk dat [naam] een vast energiecontract had waarvan de leveringsprijzen onder de drempelprijzen van de TEK lagen. Daardoor heeft [naam] volgens de minister geen subsidiabele energiekosten en komt hij niet in aanmerking voor subsidie (artikel 8, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 7, zevende lid, van de TEK).

4 [naam] stelt dat hij wel in aanmerking komt voor subsidie op grond van de TEK. Hij voert aan dat zijn energiekosten over het jaar 2022 meer dan 30% van zijn omzet zijn. Bovendien is zijn vijfjarige vaste energiecontract niet doorslaggevend. Wat volgens [naam] doorslaggevend zou moeten zijn, is dat hij als ondernemer een bruto inkomen heeft onder het sociale minimum. Daarom zou de overheid hem met deze subsidie moeten steunen.

5 Zoals het College al vaker heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589), voorziet de TEK niet in een volledige vergoeding van de energiekosten van mkb-ondernemingen. Dat betekent onder meer dat bij de berekening van de subsidiabele kosten een drempelbedrag wordt gehanteerd. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de TEK is dat een bedrag van € 0,35 per kWh elektriciteit, en € 1,19 per m3 gas. De energieprijzen tot die bedragen blijven altijd voor rekening van de onderneming. Bovendien bepaalt artikel 7, zevende lid, van de TEK dat als een mkb-onderneming een vast energiecontract heeft met een ingangsdatum voor 1 november 2022 en een einddatum na 31 december 2023, en de leveringstarieven in dat contract lager zijn dan de genoemde drempelbedragen, de kosten die op grond van dat contract worden gemaakt niet meetellen als subsidiabele kosten.

6 Het College stelt vast dat [naam] een vijfjarig vast energiecontract had met Essent. De ingangsdatum van dat contract ligt voor 1 november 2022, namelijk in mei 2020. De einddatum van het contract ligt na 31 december 2023, namelijk in mei 2025. De leveringsprijzen voor elektriciteit en gas uit dat contract zijn lager dan de drempelbedragen als genoemd in artikel 3, eerste lid, van de TEK. Voor elektriciteit betaalde [naam] € 0,17439 per kWh en voor gas was de leveringsprijs € 0,7211 per m3. Op grond van artikel 7, zevende lid, van de TEK had [naam] dus geen subsidiabele kosten en komt hij niet in aanmerking voor subsidie.

7 [naam] heeft nog aangevoerd dat hij in aanmerking zou moeten komen voor subsidie, omdat hij een bruto inkomen onder het sociale minimum heeft. Het College vat dit op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Dit beroep slaagt niet. De TEK-regeling is niet bedoeld als inkomensvoorziening voor ondernemers, maar alleen voor het tijdelijk overnemen van een deel van gestegen energiekosten. Daarom kan de inkomenssituatie van [naam] geen reden zijn om af te wijken van de regeling, nu deze stijging zich bij hem niet heeft voorgedaan.

Conclusie

8 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.

w.g. J.L. Verbeek w.g. T.D. Geldof

Bijlage

Regeling tegemoetkoming energiekosten

Artikel 3, eerste lid

1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-onderneming zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.

Artikel 7, zevende lid

7. Indien een mkb-onderneming een vast contract heeft met een leverancier met een ingangsdatum die voor 1 november 2022 ligt en een einddatum na 31 december 2023, waarin leveringstarieven zijn opgenomen die lager zijn dan de tarieven, bedoeld in artikel 3, eerste lid, dan tellen de kosten, bedoeld in het eerste lid, die op grond van dit contract worden gemaakt niet mee als subsidiabele kosten.

Artikel 8, aanhef en onder a

De minister beslist afwijzend op een aanvraag, voor zover:

a. de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. T.D. Geldof

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?