COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen
de minister van Economische Zaken
uitspraak
zaaknummer: 24/894
[naam 1] , voorheen handelend onder de naam [naam 2], te [woonplaats] (ondernemer)
en
(gemachtigden: mr. Y. Groen en mr. M.J.H. van der Burgt)
Procesverloop
Met het besluit van 28 juni 2023 (verleningsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de ondernemer voor een subsidie op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) ingewilligd, en een voorschot verleend van € 7.428,23.
Met het besluit van 2 september 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie van de ondernemer ambtshalve vastgesteld op € 0,- en het voorschot van € 7.428,23 teruggevorderd.
Met het besluit van 3 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de ondernemer gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het vaststellingsbesluit herroepen en de subsidie van de ondernemer onder wijziging van de berekening opnieuw vastgesteld op € 0,-.
De ondernemer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 28 januari 2026. Daaraan hebben de ondernemer en de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Inleiding
De ondernemer heeft op grond van de TEK subsidie aangevraagd voor zijn energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemingen uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).
In deze zaak moet het College beoordelen of de minister de subsidie van de ondernemer mocht vaststellen op € 0,- en het voorschot mocht terugvorderen. Tijdens de bezwaarfase kwam de minister erachter dat de ondernemer zijn eenmanszaak per 1 januari 2023 heeft beëindigd en hij dus geen energiekosten heeft gehad in 2023. In het bestreden besluit heeft de minister daarom de vaststelling herroepen op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de berekening opnieuw uitgevoerd. Bij die berekening heeft de minister op grond van artikel 7, tweede lid, van de TEK alleen de energiekosten in de maanden november en december 2022 meegenomen, omdat de eenmanszaak toen nog niet was geëindigd. De nieuwe berekening leidt ertoe dat de subsidie nog steeds op € 0,- moet worden vastgesteld en het betaalde voorschot moet worden teruggevorderd. In het verweerschrift en op de zitting is namens de minister toegelicht dat, anders dan in het bestreden besluit is aangegeven, de vaststelling is herroepen, omdat de ondernemer in het aanvraagformulier heeft aangegeven dat hij aan de mkb-toets van de Europese Commissie voldeed, terwijl hij ten tijde van de aanvraag zijn onderneming al had gestaakt en hij dus op dat moment al niet meer voldeed aan de mkb-toets. Volgens de minister wist of behoorde de ondernemer te weten dat hij op dat moment al niet meer voldeed aan de voorwaarden voor subsidie.
De ondernemer benadrukt dat de TEK is bedoeld om ondernemers met hoge energiekosten te helpen. De energiekosten van de ondernemer waren vanaf het begin van 2022 zo hoog dat hij heeft besloten te stoppen met zijn eenmanszaak. Door zo strikt vast te houden aan de in de TEK genoemde maanden waarover subsidie wordt verstrekt (in 2022 alleen november en december), schiet de regeling haar doel voorbij. Het bestreden besluit, en dan met name de terugvordering van het voorschot, is volgens de ondernemer in strijd met het evenredigheidsbeginsel en de menselijke maat. Er is geen rekening gehouden met de hoge energiekosten die hij in de rest van 2022 had. Gezien het feit dat hij met zijn onderneming moest stoppen en hij ook andere schulden heeft, is de vaststelling op € 0,- en de terugvordering van het betaalde voorschot onevenredig. De ondernemer verzoekt om het terug te betalen bedrag kwijt te schelden.
Oordeel van het College
De grondslag voor de herziene vaststelling
De minister heeft in het bestreden besluit een al vastgestelde subsidie gewijzigd op grond van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Dat artikel bepaalt dat een bestuursorgaan een vaststelling kan intrekken of ten nadele van de ontvanger kan wijzigen als de subsidievaststelling onjuist was en de subsidieontvanger dat wist of behoorde te weten. Tussen partijen is niet in geschil dat de vaststelling in het vaststellingsbesluit inderdaad onjuist was. In dat besluit heeft de minister immers een berekening ten behoeve van de vaststelling gemaakt, terwijl de ondernemer vanwege de beëindiging van zijn eenmanszaak niet in aanmerking kwam voor subsidie. De ondernemer heeft dit op de zitting erkend.
Naar het oordeel van het College behoorde de ondernemer ook te weten dat de vaststelling van zijn subsidie onjuist was. In zijn bezwaarschrift heeft de ondernemer zelf verklaard dat hij per 1 januari 2023 is gestopt met zijn eenmanszaak. Desondanks heeft hij in mei 2023 subsidie aangevraagd en bij die aanvraag aangegeven dat hij voldeed aan de mkb-toets van de Europese Commissie. Dat betekent dat de ondernemer in zijn aanvraag onjuiste informatie heeft verstrekt. In dit kader is bovendien van belang dat de minister pas in de bezwaarfase, door de verklaring van de ondernemer in zijn bezwaarschrift, op de hoogte kon zijn van de beëindiging van de eenmanszaak per 1 januari 2023. Uit het handelsregister blijkt namelijk dat de ondernemer de beëindiging van zijn eenmanszaak pas op 15 april 2024 bij de Kamer van Koophandel heeft geregistreerd (vanwege de afwikkeling van de beëindiging). De minister beschikte dus niet over een andere informatiebron waaruit dit bekend had kunnen zijn.
Het College oordeelt daarom dat de minister op goede gronden artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb heeft gebruikt om de vaststelling ten nadele van de ondernemer te wijzigen.
Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel
De ondernemer heeft een expliciet beroep gedaan op strijd met het evenredigheidsbeginsel door te stellen dat de vaststelling op € 0,- in zijn geval niet evenredig is. Ook de terugvordering van het voorschot van € 7.428,23 vindt de ondernemer onevenredig, omdat hij noodgedwongen moest stoppen met zijn eenmanszaak en de terugvordering bovenop andere schulden komt.
Het beroep op de onevenredigheid van de vaststelling op € 0,- slaagt niet. Op grond van artikel 2, derde lid, van de TEK geldt de datum waarop de subsidie wordt verleend, als datum voor het bepalen of er sprake is van een mkb-onderneming. De subsidie is verleend op 28 juni 2023. Op die datum had de ondernemer zijn onderneming al gestaakt en was er dus geen sprake meer van een (voor subsidie in aanmerking komende) mkb-onderneming. Dat betekent dat de ondernemer geheel buiten de doelgroep van de TEK valt en die regeling dus niet op hem van toepassing is. Daardoor is er ook geen ruimte om op grond van het evenredigheidsbeginsel van de bepalingen uit de TEK af te wijken. De ondernemer heeft geen gronden aangevoerd over de afbakening van de doelgroep in de TEK, waardoor het College niet toekomt aan exceptieve toetsing van de regeling.
De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Over de geschiktheid en noodzaak van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de ondernemingen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering heeft de ondernemer op de zitting zijn financiële positie toegelicht, maar het College ziet daarin onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister niet van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik mocht maken. Dat de ondernemer ook andere schulden heeft, is geen omstandigheid die maakt dat de terugvordering onevenwichtig is. Bovendien biedt de minister ruime mogelijkheden tot het treffen van een betalingsregeling, waar de ondernemer ook gebruik van maakt. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
Conclusie
5 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
w.g. J.L. Verbeek w.g. T.D. Geldof
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:49, eerste lid
1. Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;
b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten, of
c. indien de subsidie-ontvanger na de subsidievaststelling niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
Regeling tegemoetkoming energiekosten
Artikel 2, derde lid
3. De datum waarop de subsidie wordt verleend, geldt als datum voor het bepalen of er sprake is van een mkb-onderneming.