COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] (landbouwer)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
Zaaknummer: 24/76
en
(gemachtigden: mr. S.H.B. van der Zalm en mr. I.M.H.G. van Lankveld)
Procesverloop
Met het besluit van 28 september 2023 (herberekeningsbesluit) heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2019 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) herberekend, opnieuw vastgesteld en een geldbedrag van de landbouwer teruggevorderd.
Met het besluit van 8 december 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de landbouwer daartegen ongegrond verklaard.
De landbouwer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 2 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
Inleiding
Met de Gecombineerde Opgave van 15 mei 2019 heeft de landbouwer gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2019 en hiervoor 19 percelen met een totale oppervlakte van 23,73 hectare opgegeven. Met het besluit van 19 november 2019 heeft de minister de uitbetaling daarvoor vastgesteld op € 8.837,70, uitgaande van een geconstateerde oppervlakte van 23,73 hectare.
Met het herberekeningsbesluit heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2019 verlaagd naar € 8.689,23, uitgaande van een geconstateerde oppervlakte van 23,33 hectare. Deze herberekening leidt ertoe dat de landbouwer een bedrag van € 148,47 moet terugbetalen. Met het bestreden besluit heeft de minister het herberekeningsbesluit in stand gelaten.
De landbouwer vindt dat de minister de percelen 2 en 6 te klein heeft vastgesteld. De minister is ten onrechte uitgegaan van een talud op perceel 2. Er is volgens de landbouwer alleen sprake van een lichte verhoging van grond die door het waterschap is gecreëerd. Deze verhoging kan niet worden gemaaid, maar wordt beweid door vee en lijkt daardoor (deels) verruigd. Op perceel 6 ligt zand, maar de door de minister afgekeurde strook van ongeveer vijf meter – die doorloopt tot om de bocht – wordt wel beweid door vee. De bomen en struiken aan de andere kant van de sloot geven het perceel een ander beeld.
Beoordeling van het geschil
Het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling is afhankelijk van de subsidiabele hectares. Dat is ieder landbouwareaal dat de landbouwer gebruikt voor een landbouwactiviteit of, indien het bedrijf het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a van Verordening (EU) nr. 1307/2013). Landbouwareaal is onder meer blijvend grasland en blijvend weiland, of bouwgrond voor blijvende teelten (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e).
Onder blijvend grasland en blijvend weiland wordt – voor zover hier van belang – verstaan grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h). Hierbij worden grassen en andere kruidachtige voedergewassen als overheersend beschouwd als zij meer dan 50% van het subsidiabele areaal innemen op het niveau van het landbouwperceel (artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014).
Perceel 2
De minister heeft perceel 2 kleiner vastgesteld (2,82 hectare) dan door de landbouwer is opgegeven (2,89 hectare), omdat de landbouwer (een gedeelte van) de aan de oostzijde van dit perceel lopende sloot met een steil aflopend talud heeft ingetekend. De minister heeft de grens op de insteek van de sloot gelegd. Verder is sprake van verruiging aan de zuidoostzijde van het perceel. Er is een hoger, bruiner en wolliger gewas te zien dan op het goedgekeurde deel van perceel 2.
Het College stelt vast dat op de overgelegde luchtfoto’s en cyclomediabeelden uit 2019 van perceel 2 aan de oostzijde duidelijk een sloot met een steil talud is te zien. De minister heeft de perceelsgrens terecht op de insteek van de sloot gelegd, die bovendien samenvalt met de langs de sloot geplaatste prikpaaltjes. Het afgekeurde gedeelte aan de zuidoostzijde van het perceel heeft een afwijkende kleur en structuur ten opzichte van het goedgekeurde deel van het perceel, met een bruine en wolligere vegetatie. Dat de taluds worden beweid, zoals de landbouwer heeft gesteld, is op zichzelf onvoldoende om als landbouwareaal te worden aangemerkt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening 1307/2013). De beroepsgrond faalt.
Perceel 6
De minister heeft perceel 6 kleiner vastgesteld (1,37 hectare) dan door de landbouwer is opgegeven (1,60 hectare), omdat de strook aan de westzijde van het perceel ten onrechte is ingetekend. Op de luchtfoto’s en cyclomediabeelden is zand te zien. De landbouwer erkent ook dat het overgrote deel van het perceel met een berg zand is bedekt. De strook aan de westzijde is daarmee niet subsidiabel, omdat het beeldmateriaal duidelijk maakt dat grassen en andere kruidachtige gewassen minder dan 50% van de vegetatie vertegenwoordigen. Er zijn rijsporen zichtbaar op de strook en een minimale hoeveelheid vegetatie.
Het College stelt met de minister vast dat op alle luchtfoto’s en cyclomediabeelden van de afgewezen strook zand zichtbaar is en dat het wat kleur (wit) en structuur betreft niet verschilt van het naastgelegen deel dat bestaat uit zand(bulten). Dat op sommige luchtfoto’s en cyclomediabeelden een smalle rand vegetatie aan de slootzijde zichtbaar is, betekent niet dat sprake is van landbouwgrond. Het College volgt de minister dat hij daarmee het bewijs heeft geleverd dat dit perceelgedeelte zodanig is verruigd dat de grassen en andere kruidachtige voedergewassen niet als overheersend zijn te beschouwen, omdat zij minder dan 50% van het subsidiabele areaal innemen. Het is – zoals gezegd – onvoldoende dat de afgekeurde strook wordt gebruikt voor landbouwactiviteiten, zoals beweiding door vee. De grond moet tevens landbouwareaal zijn. Deze beroepsgrond faalt ook.
Slotsom
5 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te betalen.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
w.g. R.C. Stam w.g. C.E.C.M. van Roosmalen