COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
V.O.F. [naam 1] , te [vestigingsplaats] (de onderneming)
uitspraak
zaaknummers: 23/1912, 23/1913, 23/1914 en 23/1915
uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende en tiende lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 op het verzet van
(gemachtigde: J.G.H. Beuvink)
Procesverloop
De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting, van 25 juni 2024.
De zitting was op 2 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming en de gemachtigde van de minister van Economische Zaken en Klimaat
mr. S.M. Piron.
Overwegingen
1. Met de uitspraak van 25 juni 2024 heeft het College de beroepen van de onderneming tegen twee besluiten van 29 september 2023 en twee besluiten van 6 oktober 2023 van de minister ongegrond verklaard. De minister heeft met die besluiten bezwaren tegen de besluiten van 26 april 2021 en 7 juni 2022 en twee besluiten van 8 juni 2022 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Daarbij is de minister ervan uitgegaan dat de brief van de onderneming van 26 juni 2023 een bezwaarschrift is.
2 De brief van 26 juni 2023 heeft als aanhef “TVL 2e, 3e en 4e kw.2020 en 1e kw. 2021” en bevat verder onder andere de volgende passages: “Namens mijn cliënte […] wil ik aangeven niet akkoord te gaan met de terug te betalen bedragen m.b.t. TVL Q2 2020, TVL Q3 2020, TVL Q4 2020 en TVL Q1 2021. De volgens u terug te betalen bedragen zijn inmiddels doorgegeven aan deurwaarder […], terwijl cliënte in de veronderstelling was dat er nog een reactie zou komen m.b.t. eventueel meer te ontvangen of een deel terug te betalen. […] De bedragen […] betreffen de volledig ontvangen bedragen als voorschot, aangezien niet alle relevante gegevens door [..] RVO zouden zijn ontvangen […]. Cliënte is van mening deze gegevens wel te hebben aangeleverd.”
Gezien de bewoordingen van de brief van 26 juni 2023 en gelet op het tijdsverloop tussen enerzijds die brief en anderzijds het besluit van 26 april 2021, het besluit van
7 juni 2022 en de twee besluiten van 8 juni 2022, is het College van oordeel dat de brief een verzoek is om terug te komen van die besluiten en niet een bezwaarschrift daartegen. De minister heeft daarom ten onrechte de brief - wel - aangemerkt als een bezwaarschrift.
Het verzet is gegrond, zodat de uitspraak van 25 juni 2024 vervalt en de onderzoeken worden hervat in de stand waarin deze zich bevonden.
Met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb doet het College tevens uitspraak op de beroepen. De beroepen zijn gegrond en het College zal de twee besluiten van
29 september 2023 en de twee besluiten van 6 oktober 2023 vernietigen.
De minister moet de proceskosten van de beroepen en van het verzet vergoeden. Het College ziet aanleiding om daarbij, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, de vergoeding voor de door de gemachtigde van de onderneming ingediende - identieke - beroepschriften te beperken tot 1 punt. De vergoeding voor het door de gemachtigde ingediende verzetschrift is 0,5 punt. Wat het griffierecht betreft zal het College de minister veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 365,- en verder bepalen dat een bedrag van € 1.095,- door de griffier van het College aan de onderneming wordt terugbetaald.
4 Tot slot overweegt het College dit. Uit het voorgaande volgt dat de minister alsnog moet beslissen op het verzoek van de onderneming om terug te komen van de besluiten van 26 april 2021 en 7 juni 2022 en de twee besluiten van 8 juni 2022. In dit specifieke geval staat het de minister daarbij niet (meer) vrij om het verzoek, met (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:6 van de Awb, af te wijzen op de grond dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De minister moet dus inhoudelijk beslissen op het verzoek.
Beslissing
Het College:
verklaart het verzet gegrond;
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de twee besluiten van de minister van 29 september 2023 en de twee besluiten van de minister van 6 oktober 2023;
veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van
€ 1.402,50
bepaalt dat de minister de door de onderneming betaalde griffierechten tot een bedrag van € 365,- aan haar vergoedt;
bepaalt dat de griffier van het College de door de onderneming betaalde griffierechten tot een bedrag van € 1.095,- aan haar terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer