COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 op het verzet van
[naam] , te [woonplaats] (de onderneming)
uitspraak
zaaknummer: 23/543
(gemachtigde: R.C.M. Essers AA)
Procesverloop
De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 14 januari 2025.
De zitting was op 2 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigde van de onderneming en de gemachtigde van de minister van Economische Zaken en Klimaat
mr. S.M. Piron.
Overwegingen
1. Met de uitspraak van 14 januari 2025 heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister 30 december 2022 ongegrond verklaard. De minister heeft met dit besluit het bezwaar tegen het besluit van 10 februari 2022 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
2 Vaststaat dat de laatste dag van de bezwaartermijn 24 maart 2022 was. Het bezwaarschrift is op 2 september 2022, dus buiten de bezwaartermijn, door de minister ontvangen. In verzet heeft de onderneming zich opnieuw op het standpunt gesteld dat het bezwaar wel ontvankelijk was. Daarover heeft zij aangevoerd dat zij, na kennisneming van het afwijzingsbesluit van 10 februari 2022, in de veronderstelling was dat de minister haar aanvraag om subsidie op grond van de TVL had afgewezen omdat zij op de peildatum niet stond ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK-register). Pas later, na kennisneming van de afwijzing van haar aanvraag om toepassing van de Startersregeling TVL, werd het de onderneming duidelijk dat de aanvraag om subsidie op grond van de TVL was afgewezen omdat de onderneming op de peildatum in het KvK-register stond ingeschreven met een hoofdactiviteit waarvan de SBI-code niet voorkomt in de bijlage van de TVL. De onderneming betoogt dat deze, achteraf onjuiste, interpretatie van het afwijzingsbesluit niet aan haar toe te rekenen is omdat het besluit niet zorgvuldig en niet duidelijk is gemotiveerd. Om deze reden mocht de onderneming gerechtvaardigd vertrouwen op haar interpretatie van het afwijzingsbesluit.
3 Het College kan, ook met de beste wil van de wereld, de door de onderneming voorgestane uitleg van het afwijzingsbesluit niet volgen. De relevante passages daarvan luiden: “Om voor subsidie in aanmerking te komen, moet uw onderneming op de peildatum ingeschreven zijn in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel met een hoofdactiviteit waarvan de SBI-code is opgenomen in de bijlage van de TVL. […] Ik kom tot de conclusie dat u niet aan deze voorwaarde voldoet. […] Uw onderneming stond op de peildatum ingeschreven met een hoofdactiviteit waarvan de SBI-code niet voorkomt in de bijlage van de TVL. Dit betekent dat uw onderneming buiten de doelgroep van de TVL valt.” Hier staat - dus - niet dat de grond voor de afwijzing is dat de onderneming helemaal niet ingeschreven stond in het KvK-register. Dat de onderneming niet binnen de termijn bezwaar heeft gemaakt tegen het afwijzingsbesluit kan daarom aan haar worden toegerekend. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar.
4 De conclusie is dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, zodat de uitspraak van 14 januari 2025 juist is. Het verzet zal daarom ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer