COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 op de verzetten van
[naam 1] , te [vestigingsplaats] (de onderneming)
uitspraak
zaaknummers: 24/721, 24/722 en 24/723
Procesverloop
De onderneming heeft verzet gedaan tegen drie uitspraken van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting, van
28 januari 2025.
De zitting was op 2 februari 2026. Namens de onderneming hebben aan de zitting deelgenomen de bestuurders [naam 2] en [naam 3] en verder de adviseur [naam 4] . De minister van Klimaat en Groene Groei heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Overwegingen
1. Het College heeft de beroepen van de onderneming niet-ontvankelijk verklaard omdat de onderneming, na laatstelijk bij griffiersbrieven van 22 oktober 2024 in de gelegenheid te zijn gesteld om binnen acht weken alsnog de gronden van de beroepen in te dienen, dat niet heeft gedaan.
2 De onderneming heeft in verzet onder meer aangevoerd dat de motivering van de beroepschriften al op 25 september 2024 aan het College is verzonden. Ter onderbouwing daarvan heeft de onderneming e-mails overgelegd waaruit dat zou moeten blijken. Ter zitting heeft [naam 3] verklaard over de gang van zaken bij het tot stand komen en vervolgens het - door haar - verzenden van de motivering van de beroepschriften.
3 In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb staat dat een beroepschrift de gronden van het beroep moet bevatten. Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als aan dit vereiste niet is voldaan, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4 Het College acht op grond van de gedingstukken, in het bijzonder de overgelegde
e-mails die zijn gewisseld tussen de bestuursleden en de adviseur van de onderneming, en op grond van het authentieke karakter van de verklaring ter zitting van [naam 3] , aannemelijk dat de onderneming op 25 september 2024, dus binnen de (eerste) door het College gestelde termijn, de motivering van de beroepschriften met de gewone post heeft verzonden. Het College heeft die brief niet ontvangen. Dit betekent, achteraf bezien, dat de onderneming niet in verzuim is geweest.
5 De verzetten zijn gegrond, de uitspraken van 28 januari 2025 vervallen en de onderzoeken worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden. De aanvullende beroepschriften zijn in het kader van de verzetprocedures alsnog bij het College ontvangen en de onderneming hoeft de beroepschriften dus niet meer te motiveren.
6 De minister hoeft geen proceskosten van de verzetten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart de verzetten gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer