COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 op het verzet van
[naam 1] , te [woonplaats] (de onderneming)
uitspraak
zaaknummer: 23/663
Procesverloop
De onderneming heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dus zonder zitting, van 30 april 2024.
De zitting, die eerder zou plaatsvinden op 21 oktober 2025, was op 2 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] (de ondernemer) en de gemachtigde van de minister van Economische Zaken en Klimaat mr. S.M. Piron.
Overwegingen
1. Met de uitspraak van 30 april 2024 heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van 18 januari 2023 ongegrond verklaard. De minister heeft met dit besluit het bezwaar tegen het besluit van 28 september 2022 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
2 Vaststaat dat de laatste dag van de bezwaartermijn 9 november 2022 was. Het bezwaarschrift is op 14 november 2022 door de minister ontvangen. Op de envelop waarin het is verzonden, staat een poststempel van 11 november 2022.
3 In verzet heeft de onderneming zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar wel ontvankelijk was. Daarover heeft zij aangevoerd dat de ondernemer het bezwaarschrift op
7 november 2022 om 21.30 uur, in aanwezigheid van een vriend, in een brievenbus van PostNL heeft gedeponeerd. Dat was binnen de bezwaartermijn en het bezwaarschrift is ook niet later dan een week na afloop van de termijn door de minister ontvangen. Dat PostNL het poststuk zo traag heeft verwerkt en het pas op 11 november 2022 heeft gestempeld, kan de onderneming niet worden verweten. Daarnaast geeft de onderneming aan dat de inhoud en het gewicht van het bezwaar zou moeten leiden tot een inhoudelijke behandeling. Ten derde voert de onderneming aan dat zij ten onrechte niet is gehoord voordat de beslissing op bezwaar is genomen.
3 In artikel 6:9, tweede lid, van de Awb staat dat bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Het College moet dus in de eerste plaats beoordelen of het bezwaarschrift binnen de termijn ter post is bezorgd. Het College hanteert als bewijsrechtelijk uitgangspunt dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag dat de envelop is gestempeld. Dat is in dit geval op 11 november 2022. De stelling van de onderneming dat het bezwaarschrift al op 7 november 2022 ter post is bezorgd, heeft zij niet onderbouwd. In bezwaar is zij in de gelegenheid gesteld dat te doen. Zij had toen een verklaring van de vriend van de ondernemer kunnen inbrengen, maar dat heeft zij niet gedaan. Ook in beroep en in verzet heeft zij dat niet gedaan. Daarbij komt dat er tussen de beweerde datum van terpostbezorging (maandag 7 november 2022) en de datum waarop het poststuk is gestempeld (vrijdag 11 november 2022) een volledige werkweek ligt. Het College vindt het daarom niet aannemelijk dat het bezwaarschrift binnen de termijn ter post is bezorgd. Daarmee is het te laat ingediend. Van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken, is niet gebleken. De belangen die met het materiƫle geschil zijn gemoeid, spelen bij de beoordeling van de verschoonbaarheid geen rol. In de hiervoor weergegeven omstandigheden hoefde de onderneming ook niet in de gelegenheid worden gesteld om in bezwaar te worden gehoord.
4 De conclusie is dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, zodat de uitspraak van 30 april 2024 juist is. Het verzet zal daarom ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat de zaak met deze uitspraak is geƫindigd.
5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van D.A. Bohlmeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
w.g. T.G.M. Simons w.g. D.A. Bohlmeijer