COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 op het hoger beroep van:
[naam]
(gemachtigde: P.J. Houtsma)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
uitspraak
zaaknummer: 24/318
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 maart 2024, kenmerk 22/1919, in het geding tussen
[naam]
(gemachtigde: mr. M. Leegsma)
Procesverloop in hoger beroep
[naam] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 maart 2024 (niet gepubliceerd).
De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
[naam] heeft nadere stukken ingediend.
Het College heeft de zaak op 13 oktober 2025 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Grondslag van het geschil
[naam] exploiteert een biologische varkenshouderij op een locatie in [woonplaats] . Zij heeft de mestopslag daar na een verbouwing in 2019 voor het eerst in gebruik genomen. Tot 2019 had [naam] ook een varkenshouderij in [plaats] .
Met het besluit van 16 maart 2022, heeft de minister twee boetes opgelegd. Volgens de minister heeft [naam] in 2019 de fosfaatgebruiksnorm overschreden met 478 kilogram. Daarvoor heeft de minister een boete opgelegd van € 5.258,-. De minister heeft hierbij een berekening gehanteerd, die staat in het document ‘Berekening gebruik meststoffen 2019’ met een toelichting in een ander document (boete 1). Ook heeft [naam] de gevraagde gegevens niet naar waarheid verstrekt. De minister heeft hiervoor een boete opgelegd van € 300,- (boete 2).
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep van [naam] gegrond verklaard in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Voor het overige slaagde het beroep niet. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm op de juiste wijze heeft vastgesteld. Het gaat niet om de totale omvang van de bezinklaag, maar om de jaarlijkse aangroei ervan.
Op de dag van de uitspraak was de termijn voor de bezwaar- en beroepsprocedure met meer dan een half jaar, maar minder dan één jaar overgeschreden. Daarom heeft de rechtbank de boetes gematigd met 10%. De rechtbank heeft boete 1 voor het overtreden van de fosfaatgebruiksnorm gematigd tot een bedrag van € 4.732,20. Boete 2 die ziet op het niet naar waarheid verstrekken van de gevraagde gegevens, is gematigd tot een bedrag van € 270,-. Het totaalbedrag van de boetes bedraagt € 5.002,20.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Standpunt partijen
Zoals [naam] ter zitting heeft toegelicht, richt het hoger beroep zich alleen nog tegen het oordeel van de rechtbank over de bezinklaag. [naam] vindt dat de inhoud van de bezinklaag in de eindvoorraad voor de locatie in [woonplaats] op onjuiste wijze is bepaald. Ook verzoekt [naam] om verdere matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn. De andere gronden heeft [naam] op de zitting ingetrokken.
De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zijn stellingen zullen, voor zover nodig, hierna bij de beoordeling van de hogerberoepsgronden worden besproken.
Bezinklaag
De materiële bewijslast ten aanzien van de naleving van de gebruiksnormen ligt volgens het systeem van de Meststoffenwet (Msw) primair bij degene die de meststoffen op of in de bodem brengt of laat brengen ( [naam] dus in dit geval). Om een geslaagd beroep te kunnen doen op de opheffing van het verbod om meststoffen in de bodem te brengen, zal [naam] aannemelijk moeten maken dat de gebruiksnormen niet door haar zijn overschreden.
Volgens de minister is terecht geen rekening gehouden met een bezinklaag in de mestopslag in [woonplaats] , omdat deze niet is opgegeven door [naam] . [naam] heeft hiertegenover gesteld dat het in 2019 niet gebruikelijk was om een bezinklaag op te geven en dat ook bij nieuwe putten, zoals bij de put van [naam] op de locatie in [woonplaats] , al een bezinklaag ontstaat.
Het College stelt vast dat [naam] geen bezinklaag heeft opgegeven voor de locatie in [woonplaats] . In antwoord op vragen van een medewerker handhaving heeft de gemachtigde van [naam] in een e-mail van 2 juni 2021 het volgende geschreven:
“3 Cliënte constateerde dat de bezinklaag in de zuigleeg opgeleverde putten in [plaats] leidde tot een grote overschrijding in 2018.
Dit probleem heeft cliënte in 2018 voor zich uit geschoven, met de terechte vraag uwerzijds waarom deze nog vermeld stond.
In 2019 is er toch maar voor gekozen deze voorraad niet meer op te geven en maar te zien 'waar het schip strandt'.
Het bedrijf in [woonplaats] is in 2018 omgeschakeld naar biologische varkens.
Dat betekent dat in 2018 alle putten nieuw zijn aangelegd. Alle putten zijn buiten gesitueerd, zijn onoverdekt en bevatten dus ook veel regenwater. Het ligt niet voor de hand dat er in [woonplaats] sprake is van een echte bezinklaag.
Alle drachtige zeugen worden volledig op vaste mest gehouden en de overige varkens grotendeels met een mestput buiten.
Er zijn in [woonplaats] geen oude putten met bezinklagen.”
Naar het oordeel van het College heeft de minister bij het vaststellen van de eindvoorraad mest in 2019 mogen uitgaan van de door [naam] verstrekte gegevens over de bezinklaag in de mestput op de locatie in [woonplaats] . Dat er geen bezinklaag zou zijn opgegeven, omdat dit niet gebruikelijk was, volgt het College niet. [naam] heeft namelijk eerder wel een bezinklaag opgegeven voor een mestopslag op de locatie in [plaats] . Bovendien heeft de gemachtigde van [naam] in genoemde e-mail van 2 juni 2021 bevestigd dat er geen bezinklaag was op deze locatie.
De hogerberoepsgrond dat de minister in zijn berekening rekening had moeten houden met de bezinklaag slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
[naam] heeft verzocht om een verdere matiging van de boetes vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
In bestraffende zaken geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Verder geldt als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden als niet binnen twee jaar, nadat de termijn is aangevangen, door de rechtbank uitspraak is gedaan. De redelijke termijn van de rechterlijke behandeling in hoger beroep dient ook op twee jaar te worden gesteld, zodat de redelijke termijn in totaal vier jaar beslaat. Het College zal hieronder beoordelen in hoeverre er reden is om de door de rechtbank gematigde boete verder te matigen.
De redelijke termijn van vier jaar is aangevangen op 28 juni 2021 (voornemen tot boeteoplegging). Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn met minder dan zes maanden overschreden. De rechtbank heeft de boetes al met 10% gematigd (zie ook onder 2.3), zodat er geen aanleiding bestaat voor een verdere matiging van de boetes.
Slotsom
6 Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, mr. M.L. Noort en mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
w.g. B. Bastein w.g. C.S. de Waal