ECLI:NL:CBB:2026:123

ECLI:NL:CBB:2026:123

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 24-03-2026
Datum publicatie 20-03-2026
Zaaknummer 24/280 en 24/281
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Wet dieren. Niet-ontvankelijk vanwege ontbreken procesbelang.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaken tussen

[naam 1] , te [woonplaats] (appellant)

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

uitspraak

zaaknummers: 24/280 en 24/281

en

(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)

Procesverloop

Het beroep met zaaknummer 24/280

Met het besluit van 30 augustus 2023 heeft de minister een last onder bestuursdwang opgelegd aan appellant in verband met de overtreding van de Wet dieren en van het Besluit houders van dieren (Bhd).

Met het besluit van 18 januari 2024 (bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen de last van 30 augustus 2023 gedeeltelijk gegrond verklaard en de last voor het overige in stand gelaten.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.

Het beroep met zaaknummer 24/281

Met het besluit van 23 oktober 2023 heeft de minister een last onder bestuursdwang ter voorkoming van herhaling en ter beëindiging en ter voorkoming van herhaling opgelegd aan appellant vanwege overtredingen de Wet dieren en van het Bhd.

Met het besluit van 21 februari 2024 (bestreden besluit 2) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen de last van 23 oktober 2023 gedeeltelijk gegrond verklaard en de last voor het overige in stand gelaten.

Appellant heeft tegen bestreden besluit 2 beroep ingesteld.

In beide zaken

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 6 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: appellant en de gemachtigde van de minister.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft appellant nog nadere stukken ingediend. Het College laat deze stukken buiten beschouwing, omdat deze te laat zijn ingediend. De stukken geven het College geen aanleiding om het onderzoek te heropenen.

Overwegingen

Inleiding

Appellant houdt runderen, paarden, pony’s en kippen. Naar aanleiding van een melding vanuit Landelijk Meldpunt 144 heeft een inspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) op 29 augustus 2023 het bedrijf van appellant bezocht. Tijdens deze controle zijn constateringen gedaan met betrekking tot de manier waarop appellant zijn runderen, paarden, pony's en kippen huisvestte en verzorgde. De bevindingen van de controle op 29 augustus 2023 zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 12 september 2023.

De constateringen hebben geleid tot de vaststelling van overtredingen van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en van het bepaalde in artikel 1.6, eerste, tweede en derde lid, artikel 1.7 sub d, sub e en sub f en artikel 1.8, eerste en tweede lid, van het Bhd en het opleggen van een last onder bestuursdwang. Met de last is appellant opgedragen om de geconstateerde overtredingen te beëindigen door de volgende maatregelen te nemen:

“U neemt de maatregelen 1 en 2 per direct en de maatregelen 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 uiterlijk maandag 4 september 2023 voor 12.00 uur:

Zorg dat uw runderen, paarden en pony's voldoende vers en schoon drinkwater hebben. Uw runderen, paarden en pony's moeten goed bij dit water kunnen komen.

Zorg dat uw twee runderen, uw twee jarig paard, uw zes jarige pony, uw 32 jarig paard en uw drie pony's genoeg gezond en voor de soort en leeftijd geschikt voer krijgen. En goed toegankelijk.

Ga met uw twee jarig paard, uw zes jarige pony, uw 32 jarig paard en uw drie pony's naar een dierenarts voor onderzoek naar de algemene gezondheidstoestand of laat uw tweejarig jarig paard, uw zesjarige pony, uw 32 jarig paard en uw drie pony's ter plaatse door een dierenarts onderzoeken, waarbij u vooral laat kijken naar de voedingsconditie.

Zorg dat uw twee runderen, uw twee jarig paard, uw zesjarige jarige pony, uw drie pony's en uw kippen altijd een schone, droge en hygiënische huisvesting hebben.

Zorg ervoor dat de stallen zo zijn geconstrueerd dat de daar gehuisveste drie pony's zich niet kunnen verwonden.

Zorg ervoor dat u uw 32 jarig paard een droge huisvesting geeft waarin uw paard beschermd is tegen weersinvloeden.

Zorg dat uw paard en uw twee runderen, welke gehouden worden aan de straatzijde altijd een schone en droge ligplek hebben.

Zorg dat in de ruimte waar u uw drie pony's houdt voldoende daglicht is.

Zorg dat de hokken van uw kippen geschikt zijn voor de diersoort die u hierin houdt.

Zorg dat u de bewegingsvrijheid van uw kippen en uw kleine pony niet zodanig beperkt dat uw kippen en kleine pony hierdoor onnodig lijden en/of letsel wordt toegebracht.”

Op 4 september 2023 heeft een hercontrole plaats gevonden. De inspecteur van de LID heeft toen geconstateerd dat de opgelegde maatregelen 3 (dierenarts) en 6 (schuilstal) nog niet waren uitgevoerd. Het dierenartsbezoek was wel al ingepland. Op 8 september 2023 heeft de dierenarts de betreffende dieren onderzocht en op 11 september 2023 heeft hij zijn bevindingen doorgestuurd aan de inspecteur van de LID, die op diezelfde dag opnieuw een hercontrole heeft uitgevoerd. De bevindingen van 4 en 11 september 2023 zijn ook opgenomen in het rapport van bevindingen van 12 september 2023.

Naar aanleiding van de hercontrole op 4 september 2023 heeft de minister besloten geen bestuursdwang toe te passen. Wel heeft de minister bij brief van 23 oktober 2023 een nieuwe last onder bestuursdwang opgelegd vanwege overtredingen van het bepaalde in artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en van het bepaalde in artikel 1.6, eerste, tweede en derde lid, artikel 1.7 sub d, sub e en sub f en artikel 1.8, eerste en tweede lid, van de Bhd. De last is gebaseerd op de bevindingen tijdens de hercontroles van 4 en 11 september 2023. De nieuwe last zag op voorkoming van herhaling voor zover het ging om de overtredingen met betrekking tot het beschikken over voldoende schoon en vers water, de schone en droge huisvesting, de verwonding aan losliggende materialen, de natte en modderige huisvesting en om voldoende daglicht in de stallen. De last was van toepassing op de runderen, het paard, de pony's en de dieren die appellant in de toekomst zou kunnen gaan houden. Met betrekking tot vijf overtredingen gold deze last ook als een last ter beëindiging in combinatie met een last ter voorkoming van herhaling. Het ging dan om de maatregel met betrekking tot het verstrekken van voldoende gezond en voor de soort en leeftijd geschikt voer aan de dieren, de benodigde (medische) zorg, de benodigde bescherming tegen nadelige weersinvloeden en kou, de beperking van de bewegingsvrijheid van de pony en het op de juiste wijze huisvesten van de kippen. De last was van toepassing op de runderen, het 32-jarig paard, de pony’s van appellant en op in de toekomst te houden dieren. De nieuwe last had een geldigheidsduur van twee jaar (eindigend op 22 oktober 2025).

Op 5 oktober 2023 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de eerste last en op 1 december 2023 tegen de tweede last. De minister heeft het bezwaar van appellant tegen de eerste last gedeeltelijk gegrond verklaard en de last voor het overige in stand gelaten (bestreden besluit 1). Met betrekking tot de tweede last, heeft de minister hetzelfde gedaan: het bezwaar is deels gegrond verklaard en voor het overige is de last in stand gelaten (bestreden besluit 2).

Standpunten partijen in beide zaken

Appellant betwist de vastgestelde overtredingen en de noodzaak van de opgelegde maatregelen.

De minister is van mening dat appellant geen belang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroepen. De beide opgelegde lasten zijn uitgewerkt en er zijn geen kostenbesluiten genomen. Volgens de minister moet het beroep van appellant daarom in beide zaken niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beoordeling door het College

Heeft appellant nog procesbelang bij zijn beroepen?

Het College moet beoordelen of appellant nog belang heeft bij de door hem ingestelde beroepen (procesbelang). Als het procesbelang ontbreekt, zijn de beroepen niet-ontvankelijk. Het College is van oordeel dat dit het geval is. Hierna licht het College toe hoe het tot dit oordeel komt.

Voor de vraag of er nog procesbelang bestaat, is van belang wat appellant met zijn beroep nastreeft. Het doel dat appellant hiermee wil bereiken, moet hij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor hem feitelijke betekenis hebben en niet alleen hypothetische. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode of een inmiddels ingetrokken of vervallen besluit, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding dan wel indien een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn bij toekomstige (terugkerende) besluiten. Het College verwijst in dit verband naar zijn vaste rechtspraak als neergelegd in onder andere de uitspraak van 24 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:256, onder 6.1).

Vaststaat dat de beide lasten zijn uitgewerkt: de eerste last eindigde op 4 september 2023 en de tweede last op 22 oktober 2025. Eveneens staat vast dat er geen bestuursdwang is toegepast en er dus ook geen kostenbeschikkingen zijn genomen. Dit betekent dat appellant in beginsel geen procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep in beide zaken. Appellant heeft aangevoerd dat hij nog wel belang heeft. Daarom zal het College hieronder de argumenten van appellant bespreken.

Appellant heeft aangevoerd dat hij belang heeft bij een inhoudelijke behandeling omdat de bestreden besluiten mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de toekomst. Geen behandeling zou volgens hem betekenen dat de besluiten blijven staan ondanks dat de termijn is verstreken. Ook heeft appellant gewezen op de door hem gemaakte kosten vanwege een door hem geraadpleegde advocaat, de dierenarts en vanwege de betaalde griffierechten.

Appellant heeft zijn stelling dat de bestreden besluiten gevolgen kunnen hebben voor de toekomst, niet nader onderbouwd. Tijdens de zitting is ook gebleken dat appellant een deel van de dieren waar de lasten op zagen, niet meer houdt. Bovendien is van de zijde van de minister tijdens de zitting aangegeven dat er momenteel geen handhavingstraject loopt. Ook is er geen hercontrole gepland. Zoals het College eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 10 september 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:626, onder 4.3)), maakt het enkele feit dat in de toekomst nieuwe herstelsancties kunnen worden opgelegd niet dat appellant belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over de lasten die hier voorliggen. Tegen eventuele nieuwe herstelsancties staat namelijk weer bezwaar en beroep open.

De mogelijke vergoeding van door appellant gemaakte kosten voor de dierenarts levert evenmin een procesbelang op. Vaststaat dat appellant de dierenartskosten niet heeft onderbouwd met facturen, hoewel hij ruim de gelegenheid heeft gehad om dit te doen. Ook tijdens de zitting heeft het College hier nog naar gevraagd. Appellant heeft geen facturen overgelegd of bedragen genoemd. De enkele stelling dat deze kosten zijn gemaakt, is onvoldoende voor het aannemen van een procesbelang.

Tot slot heeft appellant gewezen op de door hem gemaakte advocaatkosten en het betaalde griffiegeld. In de vergoeding hiervan is ook geen procesbelang gelegen. Het is vaste rechtspraak van het College dat de mogelijkheid om vergoeding van griffierecht en proceskosten te krijgen ontoereikend is als procesbelang. Het bestuursorgaan kan namelijk ook tot vergoeding van die kosten worden veroordeeld zonder de gegrondverklaring van het beroep. Het College verwijst naar zijn rechtspraak in onder andere de uitspraak van 4 juni 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:378, onder 2.3).

Slotsom

4 Het College zal de beroepen van appellant niet-ontvankelijk verklaren vanwege het ontbreken van een procesbelang.

5 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De in beroep ingebrachte factuur van een advocatenkantoor waarop staat “ [naam 2] /inspectie” is niet gespecificeerd, zodat niet is na te gaan of en zo ja welke kosten zijn gemaakt ten behoeve van deze procedure.

6 Appellant heeft voor elk van de twee beroepen griffierecht betaald. Het College ziet aanleiding om de griffier op te dragen eenmaal griffierecht terug te betalen aan appellant omdat naar het oordeel van het College sprake is van samenhang in de zin van artikel 8:41, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep met nummer 24/280 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep met nummer 24/281 niet-ontvankelijk;

- draagt de griffier op om in het beroep met nummer 24/281 het griffierecht tot een bedrag van € 187,- aan appellant terug te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, mr. A. van Gijzen en mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van mr. B. van den Bergh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.

w.g. T. Pavićević w.g. B. van den Bergh

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. B. van den Bergh

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?