COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college van b en w)
uitspraak
zaaknummer: 23/2043
[naam] , te [woonplaats] (chauffeur)
(gemachtigde: mr. T. Novakovic)
en
(gemachtigde: mr. M. ten Doesschate)
Procesverloop
Met het besluit van 28 juni 2023 (invorderingsbesluit) heeft het college van b en w medegedeeld dat de chauffeur niet heeft voldaan aan een aan hem opgelegde last onder dwangsom en dat het college van b en w daarom een verbeurde dwangsom van in totaal € 5.550,- invordert.
Met het besluit van 29 november 2023 (bestreden besluit) heeft het college van b en w het bezwaar ongegrond verklaard.
De chauffeur heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college van b en w heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 12 maart 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
De (taxi)chauffeur beschikt niet over een vergunning voor het verrichten van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt (Taxxxivergunning).
Het college van b en w heeft op 26 augustus 2021 aan de chauffeur een last onder dwangsom opgelegd voor elke keer dat hij taxivervoer aanbiedt op de Amsterdamse opstapmarkt zonder vergunning (dwangsombesluit). De hoogte van de dwangsom is bepaald op € 5.500,00 per overtreding, met een maximum van € 27.750,00.
Op 12 maart 2023 heeft een toezichthouder geconstateerd dat de chauffeur taxivervoer aanbood zonder vergunning. Van deze constatering heeft de toezichthouder een rapport van bevindingen opgemaakt. Naar aanleiding hiervan heeft het college van b en w bij brief van 17 april 2023 aan de chauffeur meegedeeld dat de aan hem opgelegde dwangsom is verbeurd tot een bedrag van € 5.550,00 en dat hij dit bedrag moet betalen voor 25 april 2023.
Omdat de chauffeur niet binnen de gegeven termijn de dwangsom heeft betaald, heeft het college van b en w het verbeurde bedrag met het besluit van 28 juni 2023 ingevorderd. Met het bestreden besluit heeft het college van b en w het bezwaar ongegrond verklaard en het invorderingsbesluit gehandhaafd.
Standpunt partijen
De chauffeur stelt dat met het invorderingsbesluit onvoldoende rekening is gehouden met zijn financiële draagkracht. Het besluit is dan ook in strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel genomen. Ter zitting heeft de chauffeur nog aangevoerd dat hij niet wist dat de last nog gold. Hij heeft bijna twee jaar geen overtreding van de last begaan en hij heeft ook geen waarschuwing gehad van het college van b en w dat de last nog steeds geldig was.
Het college van b en w stelt dat de chauffeur niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is de dwangsom te betalen. Uit de door de chauffeur meegestuurde financiële stukken wordt niet duidelijk welke inkomsten hij als taxichauffeur genereert.
Wettelijk kader
De Taxiverordening vindt haar wettelijke grondslag in artikel 82b van de Wet personenvervoer 2000 (Wp 2000). Op grond van artikel 82c van de Wp 2000, in samenhang gelezen met artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is het college van b en w bevoegd tot handhaving van de in de Taxiverordening gestelde verplichtingen door oplegging van een last onder dwangsom.
Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening is het verboden om zonder geldige Taxxxivergunning op de in bijlage 1 van de Taxiverordening aangegeven delen van de openbare weg taxivervoer aan te bieden, waaronder het gebied binnen de ring A10 van Amsterdam.
Beoordeling door het College
4 Niet in geschil is dat de chauffeur opnieuw taxivervoer heeft aangeboden op de Amsterdamse opstapmarkt zonder over de daartoe vereiste vergunning te beschikken en om die reden de dwangsom is verbeurd. In geschil is of het college van b en w over had moeten gaan tot invordering van de (gehele) verbeurde dwangsom.
Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 10 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:140) is het College van oordeel dat bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht dient te worden toegekend. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het bestuursorgaan hoeft bij een besluit omtrent invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen en, indien hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsom (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsom zou hebben.
De chauffeur heeft zijn stelling dat hij niet in staat is om de verbeurde dwangsom te betalen, niet aannemelijk gemaakt. De door hem overgelegde stukken geven geen volledig beeld van zijn inkomsten en vermogenspositie, zoals ook is toegegeven ter zitting. De chauffeur kan verzoeken om een betalingsregeling, zodat het bedrag in termijnen kan worden betaald.
6 Dat tussen het opleggen van de last en het opnieuw aanbieden van taxivervoer zonder te beschikken over de daartoe verplichte taxivergunning bijna twee jaar is verstreken, is in dit geval geen reden om geheel of gedeeltelijk af te zien van de invordering.
Slotsom
7 Het beroep is ongegrond. De invordering blijft in stand. Het college van b en w hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
w.g. J.L. Verbeek w.g. C.S. de Waal