ECLI:NL:CBB:2026:128

ECLI:NL:CBB:2026:128

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 31-03-2026
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer 23/1502
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Gewasbeschermingsmiddel Amiprid 20 SG. Vergunning parallelhandel. Het Ctgb heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat het productieproces van Amiprid hetzelfde is als het productieproces van gewasbeschermingsmiddel Gazelle. De vergunning wordt vernietigd.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen

de Bijenstichting, te Vorden

het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)

uitspraak

zaaknummer: 23/1502

(gemachtigde: mr. L. Smale)

en

(gemachtigden: mr. M.K. Polano en mr. K. van der Wart)

Procesverloop

Met het besluit van 23 december 2022 (vergunning I) heeft het Ctgb besloten een vergunning voor parallelhandel te verlenen voor het gewasbeschermingsmiddel Amiprid 20 SG (Amiprid).

Met het besluit van 20 januari 2023 heeft het Ctgb vergunning I gewijzigd.

Met het besluit van 6 juli 2023 heeft het Ctgb het bezwaar van de Bijenstichting tegen de vergunning I ongegrond verklaard.

De Bijenstichting heeft tegen het besluit van 6 juli 2023 beroep ingesteld.

Het Ctgb heeft een verweerschrift ingediend.

Met het besluit van 9 april 2025 (vergunning II) heeft het Ctgb besloten opnieuw een vergunning voor parallelhandel te verlenen voor het gewasbeschermingsmiddel Amiprid.

De Bijenstichting heeft tegen de vergunning II rechtstreeks beroep ingesteld.

Met besluiten van 24 september 2025 en 24 december 2025 (nadere besluiten) heeft het Ctgb de vergunning II gewijzigd.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het Ctgb heeft de vertrouwelijke versie van een aantal stukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken.

Bij beslissing van 11 november 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:652) heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat de beperking van kennisneming van bepaalde gegevens deels wel en deels niet gerechtvaardigd is. De Bijenstichting heeft het College bij voorbaat toestemming gegeven om mede op grondslag van de gegevens waarvan de rechter-commissaris heeft geoordeeld dat beperkte kennisneming gerechtvaardigd is uitspraak te doen.

De zitting was op 11 december 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigde van de Bijenstichting, bijgestaan door dr. J.P. van der Sluijs, en de gemachtigden van het Ctgb, bijgestaan door [naam] .

Het College heeft het onderzoek op de zitting geschorst. Het Ctgb heeft een nader stuk ingediend. De Bijenstichting heeft op dat stuk gereageerd. Het College heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

Samenvatting

In deze zaak komt de Bijenstichting op tegen twee vergunningen die het Ctgb heeft verleend om het gewasbeschermingsmiddel Amiprid op de Nederlandse markt te brengen. Het Ctgb heeft de vergunningen verleend, omdat zou zijn voldaan aan de voorwaarden voor een vergunning voor parallelhandel. De Bijenstichting betwist dat aan de voorwaarden voor parallelhandel wordt voldaan.

Het College komt tot het oordeel dat de Bijenstichting geen belang meer heeft bij een beoordeling van de eerste vergunning, omdat deze vergunning per 1 januari 2025 is verlopen. De Bijenstichting heeft nog wel belang bij de beoordeling van de tweede vergunning. Het College is van oordeel dat het Ctgb over die tweede vergunning onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat het productieproces van Amiprid hetzelfde is als het productieproces van het in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddel Gazelle. Het College vernietigt de tweede vergunning. Omdat er inmiddels een nieuwe vergunning is verleend, hoeft het Ctgb niet opnieuw te beslissen.

Waar gaat deze zaak over

Amiprid is een insectenbestrijdingsmiddel dat kan worden toegepast op bepaalde gewassen. Een vergunning voor parallelhandel kan worden afgegeven als het in te voeren middel in een andere Europese lidstaat al is toegelaten en de samenstelling ervan identiek is aan die van een middel waarvoor in Nederland al een toelating is verleend. Volgens het Ctgb is Amiprid in Roemenië sinds 2006 toegelaten onder de naam Mospilan en is de samenstelling ervan identiek aan het in Nederland per 2006 toegelaten gewasbeschermingsmiddel Gazelle (referentiemiddel).

Met vergunning I heeft het Ctgb een vergunning voor parallelhandel voor Amiprid afgegeven. Deze vergunning liep af op 1 januari 2025. Met vergunning II heeft het Ctgb opnieuw een vergunning voor parallelhandel afgegeven.

De werkzame stof in Amiprid is acetamiprid. Dit is een door de Europese Commissie goedgekeurde werkzame stof. De goedkeuring is met Uitvoeringsverordening 2018/113 verlengd tot 28 februari 2033.

Nadere besluiten

2 Met het besluit van 24 september 2025 heeft het Ctgb het wettelijk gebruiksvoorschrift van Amiprid gewijzigd overeenkomstig het referentiemiddel Gazelle. Met het besluit van 24 december 2025 heeft het Ctgb de vergunning voor Amiprid (procedureel) verlengd tot 1 maart 2026. Het College stelt vast dat dit besluiten zijn als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb en dat het beroep voor zover dat gericht is tegen de vergunning II van rechtswege mede gericht is tegen deze besluiten.

Wettelijk kader

3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Procesbelang

Vergunning I is verlopen per 1 januari 2025 en daarvoor is op een later moment vergunning II in de plaats gekomen. Vergunning II is per 1 maart 2026 verlopen. Dit roept de vraag op welk procesbelang de Bijenstichting heeft bij de beoordeling van de beroepen. Voor de beantwoording van de vraag of de Bijenstichting nog belang heeft bij een uitspraak op het beroep is van belang wat zij met dit beroep nastreeft. Het doel dat de Bijenstichting hiermee wil bereiken, moet zij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor haar feitelijke betekenis hebben.

Het College is van oordeel dat de Bijenstichting geen belang meer heeft bij een beoordeling van het beroep voor zover dat betrekking heeft op vergunning I. Volgens de rechtspraak van het College heeft de indiener van een beroepschrift belang bij zijn beroep als niet onaannemelijk is dat hij schade heeft geleden door het bestreden besluit dan wel het primaire besluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 18 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:608). De Bijenstichting heeft toegelicht dat het gebruik van Amiprid is doorgegaan, waardoor milieuschade is ontstaan. Deze schade wil de Bijenstichting verhalen op de overheid, waaronder het Ctgb. Voor deze schadevergoedingsactie is de Bijenstichting bezig met het verzamelen van de gegevens van bijentellingen. Aan de hand van die gegevens wil de Bijenstichting de schade in kaart brengen. Dit brengt kosten met zich. Het College is van oordeel dat de Bijenstichting met deze toelichting onvoldoende concreet heeft gemaakt dat schade is geleden en dat nog sprake is van procesbelang bij de beoordeling van het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 6 juli 2023. Dit betekent dat het beroep voor zover dat betrekking heeft op vergunning I niet-ontvankelijk is.

Vergunning II is met een besluit van 4 februari 2026, gepubliceerd op 12 februari 2026, verlengd tot 28 februari 2034 (Staatscourant 2026, 4056). Het besluit van 4 februari 2026 is geen besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. De reden daarvoor is dat er, hoewel het besluit wordt aangeduid als “besluit verlenging vergunning parallel handel”, sprake is van een nieuwe vergunning, met andere gebruiksvoorschriften, op basis van een nieuwe aanvraag, met een nieuwe beoordeling en op basis van nieuwe gegevens. De Bijenstichting heeft niettemin nog wel belang bij de beoordeling van haar beroepsgronden tegen vergunning II. Dat belang is erin gelegen dat de gronden die zij aanvoert tegen vergunning II op dezelfde wijze een rol kunnen spelen bij een eventueel bezwaar of beroep tegen het besluit van 4 februari 2026.

Geschilpunten en beoordeling van de vergunning II

Had het Ctgb artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening bij de beoordeling van de aanvraag moeten betrekken?

Standpunt Bijenstichting

Volgens de Bijenstichting volgt uit artikel 52, zesde lid, van de gewasbeschermingsverordening dat bij een vergunning voor parallelhandel steeds dient te worden voldaan aan artikel 29 van deze verordening. Dit vergt een beoordeling van het in te voeren gewasbeschermingsmiddel en verificatie van de toelating van het referentiemiddel. Deze beoordeling dient te zijn afgestemd op de agrarische, fytosanitaire en ecologische omstandigheden die relevant zijn voor het gebruik van het betrokken middel en die representatief zijn voor de omstandigheden op de plaatsen waar het product in Nederland zal worden gebruikt. Voor Mospilan is deze beoordeling door het Ctgb niet uitgevoerd en voor Gazelle is dat ook niet het geval.

Standpunt Ctgb

Het Ctgb heeft gesteld dat het evident is dat een gewasbeschermingsmiddel dat via parallelhandel op de markt wordt gebracht moet voldoen aan artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening. Een inhoudelijke beoordeling is echter niet aan de orde bij het verlenen van een vergunning voor parallelhandel. Het gaat daarbij namelijk om een vereenvoudigde procedure. De beoordeling of Gazelle voldoet aan de vereisten van artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening heeft al plaatsgevonden bij de toelating ervan. Een wijziging of het intrekken van de toelating van het referentiemiddel zou gevolgen hebben voor het in te voeren gewasbeschermingsmiddel. Als er redenen zijn om aan te nemen dat het referentiemiddel niet langer voldoet aan de toelatingseisen, dan geldt dat ook voor het middel waarvoor de vergunning voor parallelhandel is verleend. In dat geval wordt de vergunning gewijzigd of ingetrokken.

Beoordeling College

Op grond van artikel 28, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening wordt een gewasbeschermingsmiddel alleen op de markt gebracht of gebruikt wanneer het in de betrokken lidstaat overeenkomstig de gewasbeschermingsverordening is toegelaten. In artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening staan de eisen voor de toelating voor het op de markt brengen van een gewasbeschermingsmiddel. In bepaalde gevallen, genoemd in artikel 28, tweede lid, aanhef en onder a tot en met e, van de gewasbeschermingsverordening is, in afwijking van het eerste lid van artikel 28, geen toelating vereist. Dat is onder andere het geval als het gaat om het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen waarvoor een vergunning voor parallelhandel volgens artikel 52 is verleend (onder e).

In deze zaak gaat het niet om een toelating van het gewasbeschermingsmiddel Amiprid, maar om een vergunning voor parallelhandel voor dit middel. In het kader van deze vereenvoudigde procedure hoefde het Ctgb niet afzonderlijk te beoordelen of Amiprid voldoet aan de in artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening geformuleerde eisen voor de toelating van een gewasbeschermingsmiddel. Evenmin volgt uit artikel 52 dat bij een beoordeling van een aanvraag om een vergunning voor parallelhandel de beoordeling van de toelating voor het referentiemiddel (hier Gazelle) opnieuw moet worden gedaan. Het door de Bijenstichting genoemde artikel 52, zesde lid, van de gewasbeschermingsverordening ziet op de situatie waarin de toelatinghouder van het referentiemiddel heeft verzocht om intrekking van de toelating. Daarvan is hier geen sprake. Als de conclusie zou zijn dat Amiprid niet identiek is aan het referentiemiddel en de vergunning voor parallelhandel dus niet kan worden verleend, dan kan de toelating van Amiprid alleen plaatsvinden overeenkomstig artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening. Dit volgt uit artikel 52, negende lid, van de gewasbeschermingsverordening. De beroepsgrond dat bij een vergunning voor parallelhandel steeds dient te worden beoordeeld of wordt voldaan aan artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening slaagt dus niet.

Is sprake van een gewasbeschermingsmiddel dat in een andere lidstaat is toegelaten? (artikel 52, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening)

Standpunt Bijenstichting

Volgens de Bijenstichting is niet voldaan aan artikel 52, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening, omdat niet duidelijk is dat de lidstaat van oorsprong het gewasbeschermingsmiddel heeft toegelaten. Onder de door het Ctgb ingestuurde stukken ontbreekt de toelating van Mospilan door de Roemeense autoriteiten.

Standpunt Ctgb

Het Ctgb heeft gewezen op de documenten die van Roemenië zijn ontvangen over de toelating van het middel Mospilan en gesteld dat er geen redenen zijn om hieraan te twijfelen.

Beoordeling College

Artikel 52, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening gaat over het op de markt brengen van een gewasbeschermingsmiddel dat in een andere lidstaat is toegelaten. Volgens het Ctgb is daarvan sprake. Onder de dossierstukken bevindt zich een brief van 26 februari 2025 van de Roemeense plantgezondheidsautoriteit over de toelating van Mospilan, waarin staat dat de toelatingstermijn loopt tot 1 maart 2025. Onder de stukken bevindt zich ook een e-mail van 17 september 2025 van een medewerker van de Roemeense plantgezondheidsautoriteit waarin staat dat de toelatingstermijn van Mospilan loopt tot 1 maart 2026. De Bijenstichting heeft niet onderbouwd waarom niet van deze documenten kan worden uitgegaan. Het College is van oordeel dat het Ctgb op grond van deze stukken kon concluderen dat sprake is van een gewasbeschermingsmiddel dat in een andere lidstaat is toegelaten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Zijn Amiprid en Gazelle vervaardigd volgens hetzelfde productieproces?

Standpunt Bijenstichting

Uit de stukken blijkt niet hoe het Ctgb tot de conclusie is gekomen dat Amiprid identiek is aan Gazelle. In het overgenomen advies van de bezwaaradviescommissie staat dat tijdens de hoorzitting is toegelicht hoe het Ctgb tot de conclusie is gekomen dat voor Amiprid en Gazelle sprake is van hetzelfde productieproces als bedoeld in artikel 52, derde lid, aanhef en onder a, van de gewasbeschermingsverordening. Door de vage bewoordingen is dit niet controleerbaar. Daarnaast heeft het Ctgb zich gebaseerd op vage veronderstellingen, namelijk dat het productieproces wel hetzelfde moet zijn omdat anders niet het beoogde product ontstaat. Niet is gebleken dat het formuleringsproces van Amiprid en Mospilan is vastgelegd. Het Ctgb bevestigt dat het formuleringsproces van Gazelle niet is beschreven. Om die reden is ten onrechte de conclusie getrokken dat het middel identiek is aan Gazelle.

Gazelle voldoet niet aan de laatste stand van wetenschap en techniek wat betreft de schadelijke effecten van neonicotinoïden en had dan ook niet als referentiemiddel mogen worden genomen. Uit de afzetcijfers in Nederland blijkt dat de afzet van acetamiprid in 2021 ruim de helft meer is dan waarvoor de werkzame stof is geregistreerd en waarbij bij de verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof vanuit is gegaan.

Zowel de werkzame stof als de formuleringshulpstoffen van Amiprid en Gazelle hebben geen gemeenschappelijke oorsprong. Aan artikel 52, derde lid, aanhef en onder a, van de gewasbeschermingsverordening wordt dus ook niet voldaan.

Standpunt Ctgb

Een gewasbeschermingsmiddel mag als referentiemiddel worden gebruikt wanneer het een toelating op de Nederlandse markt heeft en dat is hier het geval. Ten aanzien van het formuleringsproces wijst het Ctgb erop dat uit de parallel trade guidance (SANCO/10524/2012 14-7-2015 VERS. 5.2) duidelijk blijkt dat het nagaan of een vergelijkbaar productieproces wordt gevolgd, gedaan dient te worden door het controleren van de common origin. Volgens het Ctgb is het productieproces gelijk als de producent gelijk is. Als de samenstelling van het in te voeren middel en het referentiemiddel gelijk is zullen de middelen dezelfde eigenschappen hebben, ongeacht hoe de formulering tot stand is gekomen.

De afzetcijfers van acetamiprid in Nederland vallen buiten de kaders van de gewasbeschermingsverordening. Uit artikel 52 van de gewasbeschermingsverordening volgt niet dat er gekeken dient te worden naar de totale hoeveelheid gebruik van de werkzame stof.

Artikel 52, derde lid, van de gewasbeschermingsverordening vereist niet dat formuleringshulpstoffen een gemeenschappelijke oorsprong moeten hebben. De middelen zelf (Gazelle en Mospilan) dienen een gemeenschappelijke oorsprong te hebben in de producent van het middel en daarvan is hier sprake.

Beoordeling College

Voor de vergunning voor parallelhandel is op grond van artikel 52, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening vereist dat de samenstelling van het in te voeren gewasbeschermingsmiddel identiek is aan die van een gewasbeschermingsmiddel waarvoor op zijn grondgebied al een toelating is verleend. In het derde lid van artikel 52 van de gewasbeschermingsverordening staan de voorwaarden waaronder gewasbeschermingsmiddelen als identiek worden beschouwd. Eén van deze voorwaarden (onder a) is dat de gewasbeschermingsmiddelen volgens hetzelfde productieproces zijn vervaardigd door dezelfde onderneming, een verbonden onderneming of een onderneming die onder licentie werkt.

Gazelle is toegelaten tot de Nederlandse markt en kon dus als referentiemiddel worden aangemerkt. Dat de afzetcijfers van acetamiprid hoger zouden zijn dan de geregistreerde hoeveelheidsklasse, is een aspect dat buiten het beoordelingskader van artikel 52 van de gewasbeschermingsverordening valt. Uit de als vertrouwelijk aangemerkte gegevens blijkt dat de gewasbeschermingsmiddelen Amiprid en Gazelle van dezelfde onderneming afkomstig zijn, zodat er in zoverre is voldaan aan artikel 52, derde lid, aanhef en onder a, van de gewasbeschermingsverordening. Verder blijkt uit de als vertrouwelijk aangemerkte gegevens dat ook de werkzame stof van beide middelen van dezelfde onderneming afkomstig is. Dit betekent dat de beroepsgrond dat de werkzame stof geen gemeenschappelijk oorsprong heeft, feitelijke grondslag mist en daarmee geen verdere bespreking nodig heeft. Voor formuleringshulpstoffen bevat alleen artikel 52, derde lid, aanhef en onder c, van de gewasbeschermingsverordening een voorschrift, maar dat voorschrift bepaalt niet dat de formuleringshulpstoffen door dezelfde onderneming moeten zijn vervaardigd. Ook in zoverre slaagt het beroep van de Bijenstichting niet.

Wat betreft de voorwaarde in artikel 52, derde lid, aanhef en onder a, van de gewasbeschermingsverordening dat de gewasbeschermingsmiddelen volgens hetzelfde productieproces zijn vervaardigd, overweegt het College als volgt. Naar het oordeel van het College legt het Ctgb de gewasbeschermingsverordening te beperkt uit door zich op het standpunt te stellen dat alleen al uit de omstandigheid dat Mospilan (Amiprid) en Gazelle door dezelfde onderneming worden vervaardigd volgt dat sprake is van hetzelfde productieproces. Het Ctgb beschikt niet over gegevens van het productieproces van Gazelle. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft het Ctgb naar voren gebracht dat deze informatie pas zal worden verkregen in het kader van een toelatingsprocedure van Gazelle in Nederland. Het Ctgb heeft nader toegelicht dat andere informatie bevestigt dat de productieprocessen hetzelfde zullen zijn geweest. Op verzoek van het College heeft het Ctgb deze informatie na de zitting ingestuurd. Deze informatie bevat een vergelijking van technische eigenschappen van beide middelen. In een tabel staan van beide middelen beschrijvingen over schuimvorming, stabiliteit van het mengsel, gehalte aan kleine deeltjes, stuiven, slijtvastheid en vloeibaarheid. In de kolom uitleg staat dat sprake is van vergelijkbare waarden dan wel identieke gegevens. Met deze informatie is het voor het College nog steeds niet duidelijk waarom het Ctgb ervan uitgaat dat sprake is geweest van hetzelfde productieproces. Volgens het Ctgb geeft de omstandigheid dat alle technische eigenschappen identiek of vergelijkbaar zijn, samen met de omstandigheid dat de specificatie van de werkzame stof en de samenstelling van de middelen identiek is, voldoende bewijs dat beide middelen in technisch opzicht niet van elkaar te onderscheiden zijn. Daaruit volgt echter, anders dan het Ctgb stelt, nog niet de conclusie dat de productieprocessen hetzelfde zijn. Dat binnen de beoordelingspraktijk geldt dat, als er al verschillen bestaan tussen de formuleringsprocessen, deze verschillen niet leiden tot verschillen die opgemerkt kunnen worden binnen de gehele beoordelingssystematiek, zoals ook door het Ctgb is aangegeven, bevestigt volgens het College de onzekerheid over de gelijkenis van de productieprocessen juist. Gelet op het voorgaande komt het College tot de conclusie dat het Ctgb vergunning II onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De Bijenstichting heeft deze beroepsgrond dan ook terecht aangevoerd.

Vereist artikel 52, derde lid, aanhef en onder c, van de gewasbeschermingsverordening een milieubeoordeling van Amiprid?

Standpunt Bijenstichting

Het Ctgb heeft een te beperkte uitleg gegeven aan artikel 52, derde lid, aanhef en onder c, van de gewasbeschermingsverordening, doordat het stelt dat het alleen na hoeft te gaan dat Gazelle en Amiprid identiek zijn voor de gegevens zoals opgenomen in de formulieren. Het Ctgb heeft ten onrechte niet aan deze bepaling getoetst wat betreft de mogelijke negatieve gevolgen voor de veiligheid van het middel ten aanzien van de gezondheid van mens of dier, of van het milieu. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 6 november 2014, Mac (ECLI:EU:C:2014:2346) is nog steeds van belang, ook al ziet het op Richtlijn 91/414 die met de gewasbeschermingsverordening is ingetrokken. Daarmee geldt nog steeds het vereiste dat de gewasbeschermingsmiddelen een vergelijkbare werking hebben, rekening houdend met de mogelijke verschillen in de voor het gebruik van het product relevante agrarische, fytosanitaire en ecologische, met inbegrip van klimatologische, omstandigheden, behoudens wanneer overwegingen in verband met de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu zich daartegen verzetten. Beoordeeld moet dus worden of in Nederland sprake is van vergelijkbare landbouw, fytosanitaire en ecologische (waaronder klimatologische) omstandigheden met de lidstaat van invoer. Tevens moet worden beoordeeld of overwegingen van de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu in Nederland zich tegen de verlening verzetten. Dat is niet gedaan.

Uit de stukken blijkt niet dat in Roemenië een milieubeoordeling heeft plaatsgevonden. De omstandigheden in Nederland zijn niet vergelijkbaar met die in Roemenië. Nederland heeft veel meer oppervlaktewater dan Roemenië. Verder zijn het etiket en de gebruiksaanwijzing van Mospilan en Amiprid niet hetzelfde en ook de toepassingen waarop het middel ziet zijn niet hetzelfde. Het Ctgb heeft ten onrechte het gebruiksvoorschrift en het oorspronkelijke etiket in Roemenië niet opgevraagd.

Standpunt Ctgb

Uit het arrest van het Hof van Justitie van 14 november 2019, Vaselife en Chrysal (ECLI:EU:C:2019:968), volgt dat artikel 52, derde lid, van de gewasbeschermingsverordening in grote mate is gebaseerd op rechtspraak van het Hof van Justitie over parallel invoer van gewasbeschermingsmiddelen in het kader van richtlijn 91/414. Uit de tekst van artikel 52, derde lid, van de gewasbeschermingsverordening maakt het Ctgb op dat het in de rechtspraak ontwikkelde criterium van een vergelijkbare werking is losgelaten. Het Ctgb heeft getoetst of Amiprid identiek is aan Gazelle. Dat is naar het oordeel van het Ctgb het geval. Verschillen in het klimaat zijn daarbij niet aan de orde om te beoordelen. Ook vergelijking van de beoordeling onder agrarische, fytosanitaire en ecologische omstandigheden is niet aan de orde. Het referentiemiddel is namelijk beoordeeld tegen de omstandigheden zoals aanwezig in het land van toelating van dat referentiemiddel, in dit geval is dat Nederland. Artikel 52 vereist geen milieubeoordeling van het in te voeren gewasbeschermingsmiddel. Er heeft namelijk al een milieubeoordeling plaatsgevonden van zowel het referentiemiddel in Nederland als van het in te voeren middel uit Roemenië. De toepassing en gebruiksvoorschriften in Roemenië zijn niet relevant voor het verlenen van de vergunning in Nederland. Het in te voeren middel krijgt het gebruiksvoorschrift van het referentiemiddel. Dit gebruiksvoorschrift is al beoordeeld bij de toelating van het referentiemiddel. Dit volgt ook uit artikel 52, vijfde lid, van de gewasbeschermingsverordening. Het Ctgb heeft daarom geen aanleiding gezien om het oorspronkelijke etiket en de gebruiksaanwijzing van Mospilan op te vragen.

Beoordeling College

Om te kunnen concluderen dat Amiprid als identiek aan Gazelle kan worden beschouwd, moeten – naast de vereisten van artikel 52, derde lid, aanhef en onder a en b, van de gewasbeschermingsverordening – ook de aanwezige formuleringshulpstoffen en de grootte, het materiaal of de vorm van de verpakking wat betreft de mogelijke negatieve gevolgen voor de veiligheid van het middel ten aanzien van de gezondheid van mens of dier, of van het milieu, dezelfde of gelijkwaardig zijn (onder c).

Uit het onder 8.3 genoemde arrest Vaselife volgt inderdaad dat artikel 52, derde lid, van de gewasbeschermingsverordening in grote mate is gebaseerd op de rechtspraak onder richtlijn 91/414. Artikel 52, derde lid, aanhef en onder c, van de gewasbeschermingsverordening vereist echter niet dat bij een aanvraag om een vergunning voor parallelhandel beoordeeld moet worden wat de schadelijke gevolgen voor het milieu zijn als Amiprid op de Nederlandse markt komt. Het gaat er alleen om of de formuleringshulpstoffen en de grootte, het materiaal of de vorm van de verpakking van Amiprid en Gazelle voor wat betreft de mogelijke negatieve gevolgen gelijkwaardig zijn. Dat het Ctgb dit verkeerd heeft beoordeeld, heeft de Bijenstichting niet onderbouwd. Het College wijst erop dat het in deze zaak gaat om een vergunning voor parallelhandel en dat de Uniewetgever, gelet op overweging 31 van de preambule van de gewasbeschermingsverordening, een vereenvoudigde procedure voor ogen had. Daarbij zijn de voorwaarden uit artikel 52, derde lid, van de gewasbeschermingsverordening toereikend gevonden om de grenzen in acht te houden van wat noodzakelijk is om de rechtmatig nagestreefde doelstelling van de bescherming van het milieu en de gezondheid van mens en dier te verwezenlijken. Bij de toelating van Gazelle heeft de milieubeoordeling plaatsgevonden. Voor zover de Bijenstichting heeft betoogd dat dat er documenten voorhanden moeten zijn waaruit blijkt dat in Roemenië een milieubeoordeling heeft plaatsgevonden, biedt artikel 52 van de gewasbeschermingsverordening hiervoor geen grondslag. Dat de omstandigheden in Roemenië anders zijn dan in Nederland en dat het gebruiksvoorschrift van Mospilan anders is dan het gebruiksvoorschrift van Gazelle, is niet relevant voor de vergunning parallelhandel voor Amiprid, omdat Amiprid het gebruiksvoorschrift krijgt van Gazelle, en Amiprid, net als Gazelle, in Nederland op de markt wordt gebracht. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Ontbreken er gegevens van de aanvrager?

Standpunt Bijenstichting

Volgens de Bijenstichting wordt in het aanvraagformulier ten onrechte niet gevraagd om een nummer van een buitenlandse kamer van koophandel. Daarmee is niet voldaan aan het Europese doeltreffendheidsbeginsel. Het is nodig om te kunnen verifiëren dat is voldaan aan de gewasbeschermingsverordening en zonodig de toelatinghouder daarop te kunnen aanspreken. Omdat de parallelle vergunning strikt aan de persoon is verbonden en alleen die onderneming verantwoordelijk is, is het noodzakelijk dat het nummer van de Belgische kamer van koophandel is vermeld. Om die reden is de toelating onzorgvuldig voorbereid en had de vergunning niet mogen worden verstrekt.

Standpunt Ctgb

De aanvrager is een Belgische onderneming, zonder Nederlandse vestiging. Op het aanvraagformulier staat ook expliciet vermeld dat alleen Nederlandse bedrijven een kamer van koophandelnummer moeten invullen.

Beoordeling College

In vergunning II staan de naam en het adres van de vergunninghouder. De Bijenstichting heeft niet uitgelegd dat zij informatie over de vergunninghouder mist waardoor deze niet vindbaar is en met welke bepaling dit strijd zou opleveren. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Slotsom

Het beroep voor zover dat is gericht tegen de beslissing op bezwaar van 6 juli 2023 is niet-ontvankelijk.

Het beroep voor zover dat is gericht tegen vergunning II is gelet op de gebreken genoemd in 7.9 gegrond, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Vergunning II komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Omdat er inmiddels bij besluit van 4 februari 2026 een nieuwe vergunning is verleend, hoeft het Ctgb niet opnieuw op de aanvraag voor vergunning II te beslissen.

Omdat het beroep voor zover dat is gericht tegen vergunning II gegrond is, zal het College het Ctgb veroordelen in de door de Bijenstichting gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het verschijnen op de zitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en ½ punt voor de reactie op de na de zitting door het Ctgb ingediende stukken, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Omdat in het beroep tegen vergunning II geen griffierecht is geheven, hoeft het Ctgb geen griffiegeld te vergoeden.

Beslissing

Het College:

- veroordeelt het Ctgb in de proceskosten van de Bijenstichting tot een bedrag van € 2.335,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. D. Brugman en mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. C.D.V. Efstratiades, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.

w.g. J.H. de Wildt w.g. C.D.V. Efstratiades

Bijlage

Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen

Overwegende hetgeen volgt:

[…]

(31) Wanneer identieke gewasbeschermingsmiddelen in verschillende lidstaten zijn toegelaten, dient deze verordening te voorzien in een vereenvoudigde procedure voor de verlening van een vergunning voor parallelhandel, teneinde de handel in dergelijke producten tussen de lidstaten te vergemakkelijken.

[…]

Artikel 52 Parallelhandel

1. Een in een lidstaat (lidstaat van oorsprong) toegelaten gewasbeschermingsmiddel kan, op voorwaarde dat een vergunning voor parallelhandel wordt verleend, in een andere lidstaat (invoerende lidstaat) geïntroduceerd, op de markt gebracht of gebruikt worden, indien de invoerende lidstaat concludeert dat de samenstelling van het gewasbeschermingsmiddel identiek is aan die van een gewasbeschermingsmiddel waarvoor op zijn grondgebied reeds een toelating is verleend (referentiemiddel). De aanvraag wordt bij de bevoegde autoriteit van de invoerende lidstaat ingediend.2. Na ontvangst van een volledige aanvraag wordt binnen 45 werkdagen via een vereenvoudigde procedure een vergunning voor parallelhandel verleend indien het in te voeren gewasbeschermingsmiddel identiek is in de zin van lid 3. De lidstaten verstrekken elkaar op verzoek binnen 10 werkdagen na ontvangst van het verzoek de informatie die nodig is om het identieke karakter te beoordelen. De procedure voor verlening van een vergunning voor parallelhandel wordt onderbroken vanaf de dag waarop het verzoek om informatie naar de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt gezonden, totdat alle gevraagde informatie aan de bevoegde autoriteit van de invoerende lidstaat is verstrekt.3. Gewasbeschermingsmiddelen worden als identiek aan het referentiemiddel beschouwd indien:a) zij volgens hetzelfde productieproces vervaardigd zijn door dezelfde onderneming, een verbonden onderneming of een onderneming die onder licentie werkt;b) de specificatie en de inhoud van de werkzame stoffen, beschermstoffen en synergisten, alsook het soort formulering identiek zijn; enc) de aanwezige formuleringshulpstoffen en de grootte, het materiaal of de vorm van de verpakking wat betreft de mogelijke negatieve gevolgen voor de veiligheid van het middel ten aanzien van de gezondheid van mens of dier, of van het milieu, dezelfde of gelijkwaardig zijn.4. De aanvraag voor een vergunning voor parallelhandel omvat de volgende gegevens:a) naam en registratienummer van het gewasbeschermingsmiddel in de lidstaat van oorsprong;b) de lidstaat van oorsprong;c) naam en adres van de houder van de toelating in de lidstaat van oorsprong;d) oorspronkelijk etiket en oorspronkelijke gebruiksaanwijzing die het te introduceren gewasbeschermingsmiddel vergezellen bij de distributie in de lidstaat van oorsprong, indien zulks noodzakelijk wordt geacht voor het onderzoek door de bevoegde autoriteit. Deze bevoegde autoriteit kan een vertaling van de relevante delen van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing verlangen;e) naam en adres van de aanvrager;f) naam die zal worden gegeven aan het in de invoerende lidstaat te distribueren gewasbeschermingsmiddel;g) een ontwerpetiket voor het op de markt te brengen middel;h) een monster van het middel dat zal worden geïntroduceerd, indien de bevoegde autoriteit van de invoerende lidstaat dat nodig acht;i) naam en registratienummer van het referentiemiddel.De informatievereisten kunnen worden gewijzigd of aangevuld en nadere gegevens en specifieke vereisten dienen te worden vastgesteld in de gevallen waarin een aanvraag wordt gedaan voor een gewasbeschermingsmiddel waarvoor reeds een vergunning voor parallelhandel is verleend en waarin een aanvraag wordt gedaan voor een gewasbeschermingsmiddel voor persoonlijk gebruik overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing bedoeld in artikel 79, lid 4.5. Een gewasbeschermingsmiddel waarvoor een vergunning voor parallelhandel is verleend, wordt alleen op de markt gebracht en gebruikt overeenkomstig de bepalingen van de toelating voor het referentiemiddel. Teneinde het toezicht en de controles te vergemakkelijken dient de Commissie voor het te introduceren product specifieke controle-eisen vast te stellen in een verordening als bedoeld in artikel 68.6. De geldigheidsduur van de vergunning voor parallelhandel verstrijkt wanneer die van de toelating voor het referentiemiddel verstrijkt. Indien de houder van de toelating voor het referentiemiddel een verzoek indient tot intrekking van de toelating overeenkomstig artikel 45, lid 1, maar nog steeds wordt voldaan aan de eisen van artikel 29, verstrijkt de geldigheid van de vergunning voor parallelhandel op de datum waarop de toelating voor het referentiemiddel normaal zou zijn verstreken.7. Onverminderd specifieke bepalingen in dit artikel, zijn de artikelen 44, 45, 46 en 55 en artikel 56, lid 4, en de hoofdstukken VI tot en met X van overeenkomstige toepassing op gewasbeschermingsmiddelen die parallel verhandeld worden.8. Onverminderd artikel 44 kan een vergunning voor parallelhandel worden ingetrokken indien de toelating voor het geïntroduceerde gewasbeschermingsmiddel in de lidstaat van oorsprong om redenen van veiligheid of werkzaamheid wordt ingetrokken.9. Indien het product niet identiek is aan het referentiemiddel in de zin van lid 3, kan de lidstaat van invoering de toelating voor het op de markt brengen en het gebruik alleen verlenen overeenkomstig artikel 29.10. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op gewasbeschermingsmiddelen die overeenkomstig artikel 53 of 54 in de lidstaat van oorsprong zijn toegelaten.11. Onverminderd artikel 63 stellen de autoriteiten van de lidstaten informatie over vergunningen voor parallelhandel publiekelijk beschikbaar.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?