COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] (appellant)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 24/251
(gemachtigde: mr. M.D. Kaak)
en
(gemachtigde: mr. S. Piron)
Procesverloop
Met het besluit van 28 juni 2023 (dwangsombesluit) heeft de minister aan appellant een last onder dwangsom opgelegd.
Met het besluit van 5 oktober 2023 (invorderingsbesluit) heeft de minister de volgens hem door appellant verbeurde dwangsom ingevorderd.
Met het besluit van 16 januari 2024 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van appellant tegen beide besluiten ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Op 20 januari 2026 heeft het College nadere stukken van appellant ontvangen.
De zitting was op 30 januari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen en appellant.
Overwegingen
Inleiding
Op 21 juni 2023 heeft een inspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID), samen met agenten van de politie, op het adres van appellant een onderzoek ingesteld naar de huisvesting en verzorging van twee honden. Dit gebeurde naar aanleiding van een melding vanuit de dierenpolitie. In het op 26 juni 2023 opgemaakte toezichtrapport is het volgende opgenomen:
“Douche: Deze deur zat dicht, bij het openen kwam ons een enorme zeer sterke penetrante urine en vooral uitwerpselenlucht tegemoet. het was niet mogelijk om hier normaal te ademen, 1 van de agenten hield dit niet vol en moest kokhalzend terug richting de buitendeur. Wij zagen dat: er 2 honden in deze kleine ruimte aanwezig waren, het twee staffordshire terriers of soortgelijke ras in deze ruimte verbleven. Een van deze honden sterk was vermagerd, onregelmatig uitgezakte en abnormale tepels onder de buik had hangen, een uitgedroogde indruk maakte, lange nagels had, ontlasting op het lijf en tussen de nagels had zitten en een enorme grote bult op de kop, tussen de ogen had zitten, de ogen op abnormale stand stonden. De tweede hond ook mager was, ook lange nagels met ontlasting ertussen had, beide honden in een veel te kleine ruimte verbleven welke zeer sterk was bevuild. Beide honden een plek hadden, gesitueerd uit 2 houten vervuilde open kisten of bakken en 1 van plastic waarin een van de honden zat Vervolgens zagen wij dat de honden amper konden liggen, draaien en of bewegen in deze kisten en plastic bak. Vervolgens hadden beide honden geen verhoging of een juiste ondergrond zoals bijvoorbeeld een deken om hierop zacht en comfortabel te kunnen liggen. Beide honden hadden geen water en ook geen voer ter beschikking ,beide honden hadden tevens geen direct daglicht ter beschikking. Het gordijn van het doucheraam zat dicht, tijdens aankomst op de galerij en tijdens de inspectie. Wij zagen vervolgens dat er meerder objecten zoals een wasmachine en plasticbakken in deze zeer vervuilde ruimte stonden. Vervolgens zagen wij dat er uitwerpselen op de vloer lagen, daarbij zagen en roken wij dat er ook nog uitgesmeerde uitwerpselen en urine in de genoemde ruimte her en der waren uitgesmeerd. De lucht was echt absoluut ondragelijk en zeer penetrant te noemen, er was vervolgens geen verse en frisse lucht voor de beide honden aanwezig daar de gehele ruimte als mede de deur volledig waren afgesloten.”
Naar aanleiding van de bevindingen in het toezichtrapport heeft de minister geconcludeerd dat appellant een overtreding heeft begaan van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 1.6, tweede lid, en artikel 1.7, aanhef en onder d en g, van het Besluit houders van dieren (Bhd). Op 22 juni 2023 heeft appellant één van de twee honden laten euthanaseren. De minister heeft appellant op 28 juni 2023 een last onder dwangsom wat betreft de andere hond opgelegd, waarbij hij appellant heeft gelast de volgende maatregelen voor 5 juli 2023 te nemen en in stand te houden:
“1. Zorg dat uw hond altijd een schone en droge huisvesting heeft. Verwijder onder andere de aanwezige ontlasting en/of urine en reinig de ruimtes goed.
2. Zorg dat het verblijf van uw hond geschikt is voor de diersoort die u hierin houdt. Zo zorgt u ervoor dat uw dier op de juiste wijze gehouden kan worden en zij aan zijn soortspecifieke behoefte kan voldoen.
3. Zorg dat in de ruimte waar u uw hond houdt voldoende verse lucht binnenkomt. Alle ruimtes waarin dieren aanwezig is, moeten goed geventileerd zijn en de dieren moeten voldoende frisse lucht hebben.”
Als appellant niet of niet volledig zou voldoen aan de lastgeving zou hij eenmalig een dwangsom verbeuren van € 250,- per niet uitgevoerde maatregel.
Op 11 juli 2023 heeft een inspecteur van de LID, samen met een politieagent, een hercontrole uitgevoerd op het adres van appellant. In het op 17 juli 2023 opgemaakte toezichtrapport is het volgende opgenomen:
“In de woning […] liepen wij door de hal richting de badkamer. Wij zagen beiden dat deze deur dicht zat. Wij hoorden geblaf achter de deur vandaan komen. Nadat wij de deur opende zagen wij dat de genoemde hond in de badkamer verbleef. Wij roken per direct een zeer sterke en zeer geconcentreerde lucht van uitwerpselen en urine. Deze lucht was zo sterk geconcentreerd en hevig dat het op onze luchtwegen sloeg. We hadden moeite om niet te kokhalzen. Vervolgens zagen wij dat er geen uitwerpselen lagen, maar doordat de geur zo zeer sterk aanwezig was, het met zekerheid aangrenzende waarschijnlijkheid aan te nemen dat de uitwerpselen en urine die wij zo sterk roken, vermoedelijk door [appellant] zijn weggehaald voordat wij binnen mochten komen in de tijd dat wij buiten moesten wachten. Wij zagen dat er nu wel daglicht de badkamer binnenkwam. Wij zagen dat de hond nog altijd de plastic en houten bakken ter beschikking had om in te moeten liggen. Deze bakken waren niet voorzien van een bodembedekking waarop de hond kan liggen. Wij zagen dat het raampje van de badkamer niet open was waarop wij constateerden dat de hond in deze omstandigheden geen verse en frisse lucht ter beschikking had. Wij zagen dat op de vloer in de richting van het putje een vochtige grijzige waas lag. Bij nader onderzoek leek het alsof er zojuist vuiligheid was weggespoeld of was weggelopen in de richting van het doucheputje. […] Wij zagen vervolgens dat er grote plastic bak stond welke volgens [appellant] moest dienen als drinkbak. Net als het vorige bezoek zagen wij dat deze niet was gevuld en daardoor de hond geen beschikking had tot voldoende vers drinkwater. Tevens zou de hond niet goed uit deze plastic bak kunnen drinken. Deze bak was te hoog, waardoor het voor een hond van dit formaat lastig moest zijn om daar vrijelijk en zonder enig obstakel normaal uit te kunnen drinken.”
Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de minister appellant op 19 juli 2023 bericht dat appellant maatregelen 2 en 3 niet heeft uitgevoerd en dat hij in zoverre niet aan de last heeft voldaan. Daarmee zijn dwangsommen van in totaal € 500,- verbeurd. Op grond hiervan heeft de minister appellant medegedeeld voornemens te zijn deze dwangsommen in te vorderen. Appellant heeft op 2 augustus 2023 gebruik gemaakt van de gelegenheid om een zienswijze te geven naar aanleiding van het voornemen. Met het invorderingsbesluit van 5 oktober 2023 heeft de minister alleen de dwangsom, die betrekking heeft op de geschiktheid van het verblijf (maatregel 2) ten bedrage van € 250,-, bij appellant ingevorderd. De minister heeft afgezien van het invorderen van de dwangsom die ziet op het overtreden van maatregel 3 (verse lucht).
Wettelijk kader
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Het dwangsombesluit
Maatregelen 1 en 3
3. Met het dwangsombesluit heeft de minister aan appellant drie maatregelen opgelegd die hij voor 5 juli 2023 moest nemen. De termijn waarbinnen aan de last moest zijn voldaan, is inmiddels verstreken. Het invorderingsbesluit ziet alleen op het invorderen van de dwangsom die is verbeurd wegens het overtreden van maatregel 2 (geschiktheid van het verblijf). Voor maatregel 1 en maatregel 3 heeft de minister geen dwangsommen ingevorderd. Appellant heeft niet gesteld nog een belang te hebben bij de beoordeling van de gronden die zien op maatregel 1 en maatregel 3. Het College beoordeelt deze gronden daarom niet.
Maatregel 2; is sprake van een overtreding?
Volgens appellant is maatregel 2 ten onrechte opgelegd, omdat er geen sprake was van een overtreding. Hij houdt zijn hond in geschikte ruimtes met voldoende ruimte. Zijn huis is niet onhygiënisch en de minister schetst een onjuist beeld van zijn woon- en leefsituatie. Ook betwist appellant dat de hond besmeurd was met poep en dat er poep onder haar nagels zat. Volgens hem dient de badkamer feitelijk als bench, waarin de hond af en toe sliep en haar behoefte deed. Zijn hond heeft nooit de behoefte gehad om gestrekt, of op een zachte ondergrond te liggen. De minister gaat bovendien voorbij aan de hoge leeftijd van de hond; oude honden hebben andere behoeften.
Het College oordeelt als volgt. De minister heeft het toezichtrapport van 26 juni 2023 aan het dwangsombesluit ten grondslag gelegd. Volgens vaste rechtspraak van het College (zie onder andere de uitspraak van 18 april 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:195)) mag een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een door een toezichthouder op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport van bevindingen, voor zover deze eigen bevindingen van de toezichthouder weergeven. Als de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Als het toezichtrapport, zoals in dit geval, niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, komt aan de in het rapport vermelde feiten en omstandigheden daarmee minder bewijskracht toe, dan wanneer deze zouden zijn opgenomen in een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dit betekent evenwel niet dat het bestuursorgaan zijn besluit niet (uitsluitend) op het toezichtrapport mocht baseren. Het College betrekt hierbij dat dit rapport is opgesteld door een opgeleide toezichthouder, van wie niet is gebleken dat deze een belang heeft bij het onjuist vermelden van wat hij heeft waargenomen.
De bevindingen in het toezichtrapport van 26 juni 2023 worden gedetailleerd omschreven en worden ondersteund door de daarbij gevoegde foto’s. Wat appellant aanvoert, geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen in het toezichtrapport. De minister heeft op grond van deze bevindingen terecht vastgesteld dat er voor de hond in de ruimte (de badkamer) waarin zij werd gehouden, onvoldoende ruimte was voor haar fysiologische en ethologische behoeften. De hond verbleef, samen met een andere, later geëuthanaseerde hond, in een kleine ruimte waar twee houten en één plastic bak stonden. In deze bakken kon de hond bijna niet liggen, draaien of bewegen. Dit is een overtreding van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en artikel 1.6, tweede lid, van het Besluit houders van dieren. De minister was daarom bevoegd om aan appellant de last onder dwangsom op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de last onder dwangsom voldoende duidelijk en concreet geformuleerd?
Volgens appellant is maatregel 2 (geschiktheid van het verblijf) onvoldoende duidelijk en concreet geformuleerd, waardoor het voor hem niet duidelijk was welke handelingen hij specifiek moest verrichten om te voldoen aan de last en om het verbeuren van een dwangsom te voorkomen.
De minister vindt de opgelegde maatregel voldoende duidelijk omschreven. In het bijzonder wanneer deze wordt gelezen in samenhang met het toezichtrapport. Ook verwijst de minister naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1218, onder 7.3), waarin wordt benadrukt dat de last onder dwangsom uitsluitend gericht kan zijn op de beëindiging van de overtreding en dat de overtreder daarbij de keuze moet worden gelaten hoe hij aan de overtreding een einde wil maken. In het bestreden besluit is bovendien uitgebreid omschreven waarom de badkamer, waarin de hond werd gehouden, niet geschikt was en is ook verwezen naar de bijsluiter van het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG). Het is aan appellant om zich te verdiepen in de vraag welke huisvesting geschikt is voor zijn hond.
Het College oordeelt dat de last voldoende duidelijk en concreet is omschreven. In het bestreden besluit is voldoende aan bod gekomen waarom de badkamer geen geschikte plek was voor het verblijf van de hond. Op basis hiervan en de LICG-bijsluiter had appellant vervolgens kunnen concluderen welke aanpassingen hij had moeten doen om aan de last te voldoen. De beroepsgrond slaagt niet.
Het invorderingsbesluit
Heeft de minister mogen overgaan tot het invorderen van de dwangsom?
Appellant bestrijdt het invorderingsbesluit. Volgens appellant heeft hij wel degelijk voldaan aan maatregel 2, omdat hij heeft voorzien in geschikte huisvesting die passend was bij de behoefte van zijn hond. Daarnaast was de hond al op leeftijd waardoor haar behoeftes ook anders waren dan de behoeftes van een jongere hond. De toezichthouders gaan in het toezichtrapport uit van aannames en er wordt geen rekening mee gehouden dat appellant als long-covid patiënt een ander dag- en nachtritme heeft dan de gemiddelde mens.
Het College stelt vast dat aan het invorderingsbesluit het toezichtrapport van de hercontrole ten grondslag ligt. Zoals het College hiervoor onder 3.3 heeft geoordeeld, was de badkamer op het moment van de eerste controle niet aan te merken als een ruimte waarin voor de hond voldoende ruimte is om te voldoen aan haar fysiologische en ethologische behoeften. Uit het toezichtrapport van de hercontrole blijkt dat de hond werd aangetroffen in de badkamer onder vergelijkbare omstandigheden als tijdens de eerste controle. In wat appellant heeft aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen, zoals neergelegd in het rapport van bevindingen van de hercontrole. Omdat de minister gelet op het bovenstaande terecht heeft vastgesteld dat appellant de aan hem opgelegde maatregel niet heeft uitgevoerd, is van rechtswege een dwangsom verbeurd. Het College is van oordeel dat de minister mocht overgaan tot het innen van de dwangsom. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat appellant geen gelijk krijgt.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. M.P. Glerum en mr. P. Glazener, in aanwezigheid van mr. E.M.M.A. Driessen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. E.M.M.A. Driessen
Bijlage
Wet dieren
Artikel 2.2. Houden van dieren
[…]
8. Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.
Besluit houders van dieren
Artikel 1.6. Houden van dieren
[…]
2. Een dier wordt voldoende ruimte gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften.