COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 31 maart 2026 op het hoger beroep van:
[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats]
uitspraak
zaaknummer: 24/1060
(gemachtigden: mr. B.F.J. Bollen en mr. R.B. Milo)
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 november 2023 en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2024, kenmerk 23/2136, in het geding tussen
Handelsonderneming [naam 1] B.V.,
en
de staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport, nu: de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(gemachtigden: mr. L.J.J.G. Verhaeg, mr. I.C.M. Nijland en mr. P.W.K. Dekker Msc)
Procesverloop in hoger beroep
[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 november 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:11162) en de uitspraak van die rechtbank van 29 oktober 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:10662) (aangevallen uitspraken).
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De zitting was op 6 februari 2026. Aan de zitting hebben namens [naam 1] de gemachtigden, [naam 2] en [naam 3] deelgenomen. Namens de minister hebben de gemachtigden deelgenomen aan de zitting.
Overwegingen
Feiten en omstandigheden
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. Het College volstaat met het volgende.
[naam 1] heeft een partij van ongeveer 350 (gebruikte) springkussens gekocht van een Belgische leverancier. Door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is de partij springkussens in 2019 in beslag genomen vanwege mogelijke problemen met de certificering. Op 19 juli 2019 heeft het Keurmerkinstituut (KMI) op verzoek van de NVWA een springkussen van het type Circus onderzocht. Op 28 november 2019 heeft een toezichthouder van de NVWA de springkussens onderzocht. Op 2 december 2019 heeft de minister de springkussens van dit type buiten gebruik gesteld, omdat de leeglooptijd van de springkussens te kort is om gebruikers veilig te evacueren.
In 2020 heeft TÜV SÜD Benelux (TSB) op verzoek van [naam 1] een herkeuring uitgevoerd. In de analyse van 18 september 2020 heeft TSB geconcludeerd dat er voldoende gelegenheid is voor de gebruiker om het springkussen tijdens spanningsuitval te verlaten. De minister heeft daarna op basis van de zogeheten RAPEX-methode een risicobeoordeling opgesteld en heeft zijn standpunt over de veiligheid van het springkussen niet gewijzigd. Op basis van de resultaten van het onderzoek (herkeuring) in 2020, dat is gebaseerd op inspecties op 11 en 13 augustus 2020 en 8 en 10 september 2020 door [naam 4] , heeft TSB op 18 mei 2021 een rapport opgesteld; rapport Speeltoestellen met nummer P-NL-20-08-736401262-01-03. Door die herkeuring was sprake van een geldig certificaat voor de 56 springkussens van het type Circus. Naar aanleiding van het rapport van TSB op 18 mei 2021 heeft een toezichthouder van de NVWA opnieuw onderzoek verricht en op 29 april 2022 de speeltoestellen van [naam 1] onderzocht. Op 23 juli 2022 heeft ook TSB het springkussen nogmaals onderzocht en daarvan rapport opgemaakt. In dit rapport, Verslag veiligheid van speeltoestellen met nummer P-NL-22-07-736401262-01-04, heeft TSB nogmaals geconcludeerd dat de gebruikers het springkussen tijdig en veilig kunnen verlaten, waardoor er geen reële kans op verstikkingsgevaar of ernstig letsel ontstaat.
Met het besluit van 25 mei 2022 (afkeuringsbesluit) heeft de minister op grond van de artikelen 27, eerste lid, 30, eerste lid en 32, aanhef en onder a, van de Warenwet besloten tot buitengebruikstelling en afkeuring van 56 speeltoestellen. Dat houdt in dat het door TSB afgegeven certificaat van goedkeuring zijn geldigheid verliest en de speeltoestellen van het type Circus niet meer in gebruik mogen zijn.
In de beslissing op bezwaar van 22 februari 2023 (bestreden besluit) zijn de bezwaren van [naam 1] tegen het afkeuringsbesluit ongegrond verklaard. Volgens de minister leveren de springkussens bij gebruik gevaar op voor de gezondheid en veiligheid van personen. Aan deze conclusie legt de minister de keuring door het KMI uit 2019, de risicobeoordeling op basis van de RAPEX-methode en de Gids corrigerende acties ten grondslag. De minister handhaaft de buitengebruikstelling en afkeuring.
Uitspraak van de rechtbank
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat twee aangewezen keuringsinstellingen (aki), KMI en TSB, het niet eens zijn over de veiligheid van de springkussens. De rechtbank stelt vast dat het rapport van het KMI van 23 juli 2019 summier is en daar niet uit blijkt dat méér is gedaan dan het beoordelen van de leeglooptijd van de luchtkussens. Uit het rapport leidt de rechtbank bijvoorbeeld niet af dat de luchtkussens zijn getest met een of meer personen aan de binnenkant. Het onderzoek van TSB was uitvoeriger. TSB heeft een rapport, een analyse en een verslag opgesteld van drie afzonderlijke (series van) inspecties. Bij de inspecties bevonden zich ook daadwerkelijk kinderen en volwassenen in de luchtkussens op het moment van de spanningsonderbreking. TSB heeft ook foto’s en filmpjes gemaakt, zowel van buiten als van de situatie binnenuit het luchtkussen. Daarnaast heeft TSB uitgebreide, woordelijke verslagen gemaakt met daarbij een tijdsaanduiding. De NVWA heeft zelf een risicobeoordeling op basis van de RAPEX-methode en de Gids corrigerende acties uitgevoerd, maar daarvan ontbreken verifieerbare rapporten.
De minister blijft ondanks drie recentere, andersluidende en onderbouwde rapporten van TSB vasthouden aan het oordeel van het KMI, dat is gebaseerd op onvolledig onderzoek.
De rechtbank acht onvoldoende gemotiveerd waarom de minister het standpunt van TSB dan toch niet volgt. Het had op de weg van de minister gelegen om het standpunt van TSB te weerleggen met een deugdelijk en verifieerbaar rapport dan wel een nader onderzoek. De wijze waarop de minister het onderzoek door TSB terzijde schuift met een verwijzing naar het onderzoek van het KMI, vindt de rechtbank onzorgvuldig. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
Na de tussenuitspraak heeft de minister nader onderzoek gedaan. Hij heeft de springkussens opnieuw laten onderzoeken door het KMI. Verder heeft hij Bureau Risicobeoordeling en onderzoek (BuRO) gevraagd een risicobeoordeling te maken. BuRO heeft bij het opstellen van de risicobeoordeling contact gezocht met twee Britse instanties, waarvan Professional Inflatable Play Association (PIPA) heeft gereageerd. Rekening houdend met de technische gegevens en tekeningen van de springkussens heeft PIPA berekend dat minimaal vijftien seconden nodig zijn voor een veilige evacuatie in geval van uitval van de luchttoevoer. Op 23 mei 2024 heeft de minister de aanvullende motivering van het bestreden besluit bij de rechtbank ingediend.
In de (eind)uitspraak heeft de rechtbank beoordeeld of met de aanvullende motivering de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat NEN-EN14960-1 de toepasselijke norm is. Deze norm is een invulling van artikel 5 en Bijlage I onder 2g van het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen 2023 (Was) en luidt als volgt:
“In the event of air supply failure, the deflation time shall be sufficient to allow users of the inflatable to be evacuated safely. NOTE Deflation time can be considerably lengthened by inserting a non-return flap in the outlet nozzle of the blower or at the joint of the connection tube and structure.”
De rechtbank overweegt geen aanleiding te zien om in zijn algemeenheid te twijfelen aan de deskundigheid of onpartijdigheid van het KMI. De rechtbank blijft bij wat in de tussenuitspraak over de onafhankelijkheid van het KMI is overwogen. Ook ziet de rechtbank in het betoog van [naam 1] geen aanleiding om aan te nemen dat het nadere onderzoek door het KMI onzorgvuldig is geweest. De stelling van [naam 1] dat BuRO en PIPA ten onrechte geen eigen (fysiek) onderzoek zouden hebben gedaan, volgt de rechtbank niet. De rechtbank ziet daarnaast geen reden om aan te nemen dat BuRO niet onafhankelijk is. Het KMI heeft met de nadere rapporten inzichtelijk gemaakt na hoeveel tijd de verschillende delen van de vijf onderzochte springkussens sluiten door inzakking en wat dit betekent bij evacuatie voor zowel de kinderen die zich in de springkussens bevinden als voor de toezichthouder. De conclusie dat de gebruikers onvoldoende gelegenheid hebben om het springkussen veilig te verlaten en volwassenen in dat geval ook moeite hebben om toegang te krijgen tot het springkussen om gebruikers te assisteren, vindt de rechtbank voldoende onderbouwd. Dat geldt volgens de rechtbank ook voor de conclusie op basis van deze nadere rapporten in relatie tot de inschatting door PIPA dat er in totaal minimaal vijftien seconden nodig zijn voor een veilige evacuatie, dat de tijd die beschikbaar is voor een veilige evacuatie onvoldoende is. De rechtbank bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, omdat de minister de gebreken met de aanvullende motivering voldoende heeft hersteld.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Standpunten van partijen in hoger beroep
[naam 1] voert aan dat de rechtbank ten onrechte oordeelt dat de minister met de aanvullende motivering de gebreken in het bestreden besluit heeft hersteld. Anders dan waar de rechtbank vanuit gaat, is met de aanvullende motivering van de minister niet voldoende onderbouwd dat de leeglooptijd van het springkussen onvoldoende zou zijn om de gebruikers veilig te evacueren. Deze conclusie is feitelijk onjuist en kan in zijn geheel niet worden getrokken op basis van het nadere onderzoek van het KMI van 10 april 2024. Dit wordt ook bevestigd door de experts [naam 4] (TSB) en [naam 3] (ingenieur en voormalig werknemer van NVWA), die beiden aanwezig waren bij dat nadere onderzoek. Ook gaat de rechtbank ten onrechte voorbij aan het meest recente onderzoeksrapport van TSB, waaruit volgt dat de bij het onderzoek betrokken kinderen lang na de door PIPA vastgestelde vijftien seconde evacuatietijd nog veilig het springkussen kunnen verlaten. De rechtbank heeft onvoldoende waarde gehecht aan dit onderzoeksrapport van TSB en aan het gemotiveerde commentaar van [naam 4] en [naam 3] op de onderzoeksrapporten van het KMI. Dat de leeglooptijd onvoldoende is voor een veilige evacuatie, is op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. Hoewel [naam 1] niet betwist dat de voorkant van het springkussen na ongeveer zeven seconden inzakt, betekent dit nog niet dat daarmee ook sprake is van verstikkingsgevaar. Alleen al de vele video-opnamen laten een heel ander beeld zien. Uit de beelden volgt namelijk dat zowel volwassenen als kinderen minuten na het leeglopen nog probleemloos door het springkussen kunnen bewegen. [naam 1] heeft verder op 15 januari 2026 in aanloop naar de zitting een nieuw onderzoek laten uitvoeren naar de veiligheid van het springkussen door [naam 5] van aki [naam 6] B.V. ( [naam 6] ). [naam 5] heeft een expertiserapport opgesteld en concludeert dat het springkussen Circus duidelijk normconform is. [naam 3] was bij het onderzoek op 15 januari 2026 aanwezig en heeft een notitie geschreven over zijn bevindingen. Hij onderschrijft de bevindingen van [naam 6] .
[naam 1] betwist daarnaast de resultaten in de rapporten die zijn opgesteld door BuRO en PIPA. Beide rapporten zijn niet opgesteld na een praktijkonderzoek of proefondervinding, maar zijn gebaseerd op het technische dossier van het springkussen. Het gaat dus slechts om theoretische beschouwingen. Juist daarom had de minister meer waarde moeten hechten aan de proefondervindelijke resultaten van TSB. BuRO leunt voor haar oordeel op de visie van PIPA, maar PIPA stelt niet dat er bij een deflatietijd sneller dan vijftien seconden een gevaar op verstikking ontstaat. De rechtbank neemt dit ten onrechte, in navolging van de minister, aan. Daarnaast hanteert de rechtbank volgens [naam 1] bij de toetsing aan de norm een onjuist uitgangspunt. Het KMI heeft in zijn oordeel betrokken dat bij het redelijkerwijs te verwachten gebruik van een springkussen geen toezichthouder aanwezig is, of dat er één toezichthouder is die meerdere springkussens in de gaten houdt. Dit is een aanname die niet is onderbouwd en die ook in strijd is met de norm. Artikel 4.4 van de hier relevante NEN-EN norm vermeldt namelijk dat een springkussen niet gebruikt mag worden zonder toezicht. Het KMI had in haar onderzoek dus als uitgangspunt moeten nemen dat een toezichthouder aanwezig is. Dit heeft het KMI ten onrechte niet gedaan en de rechtbank gaat hier ten onrechte in mee.
[naam 1] betoogt tot slot gemotiveerd dat de onderzoeken door het KMI en BuRO niet onafhankelijk en integer zijn geweest. Wat de tussenuitspraak betreft, richt [naam 1] zich tegen rechtsoverweging 6.1, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet om in zijn algemeenheid te twijfelen aan de deskundigheid van het KMI.
De minister vindt dat uit het samenstel van het verrichte onderzoek volgt dat de leeglooptijd van het springkussen te kort is om het springkussen veilig te evacueren. Waar de NEN-EN norm geen exacte tijd geeft die ten minste nodig is, volgt uit het nadere onderzoek dat een leeglooptijd van ten minste vijftien seconden noodzakelijk is voor een veilige evacuatie van het volledige springkussen. Ook volgt uit het nadere onderzoek dat (een deel van het) springkussen voortijdig inzakt en daarmee een gevaar oplevert. De minister verwijst naar met name onderdeel 4.22.1 van de onderzoekrapporten en de daarbij gemaakte filmpjes, waaruit blijkt dat het voorste gedeelte van het luchtkussen onvoldoende veilig kan worden geëvacueerd. Daarbij komt dat volgens BuRO een risico op valletsel bestaat wanneer een gebruiker van het springkussen de grond raakt bij het leeglopen van het luchtkussen. Een veilige en volledige evacuatie van het springkussen is, vooral ook voor zeer jonge kinderen, niet mogelijk. Dat volgens [naam 1] wel sprake is van het veilig kunnen verlaten van het springkussen, zelfs na vijftien seconden, betwist de minister. De onderzoeken waaruit dit naar voren zou zijn gekomen, zijn gedaan onder de ideale omstandigheden. Ouders en kinderen waren op de hoogte van wat er zou gebeuren en er waren geen kinderen jonger dan vijf jaar aanwezig. Bovendien was geen sprake van een acute noodsituatie waarbij bijvoorbeeld het licht in een indoorsituatie uitviel. Ook is geen rekening gehouden met de reactietijd van jonge kinderen en het gegeven dat niet elk kind van nature vlucht. Het is verder goed mogelijk dat jonge kinderen in een noodsituatie op zoek gaan naar de ingang, maar de hoofdingang wordt nu juist als eerste afgesloten als het springkussen inzakt. Het onderzoek dat door [naam 1] is gedaan, is dus niet representatief. De minister benadrukt verder dat hij niet is uitgenodigd om bij het onderzoek aanwezig te zijn dat [naam 1] op 15 januari 2026 door [naam 6] heeft laten uitvoeren. Alleen al om die reden moet dat onderzoek buiten beschouwing worden gelaten. Daarnaast merkt de minister op dat ook in dit onderzoek wordt geconcludeerd dat het voorste gedeelte van het springkussen na zes seconden inzakt. Dit is in lijn met de eerdere constateringen van zowel het KMI als TSB. Wat er ook zij van het overige gedeelte van het springkussen, ook in het onderzoek van [naam 6] wordt bevestigd dat er onvoldoende tijd is om het gehele springkussen veilig te evacueren.
De minister twijfelt niet aan de onderzoeken en conclusies van BuRO en PIPA. Uit het onderzoek van PIPA volgt dat, gelet op de specifieke dimensies en eigenschappen van het springkussen, een veilige evacuatie mogelijk is als de leeglooptijd minimaal vijftien seconden bedraagt. Nu deze evacuatietijd niet voor het volledige springkussen wordt gehaald, is dit type springkussen niet veilig in het gebruik. In dit kader merkt de minister nog op dat naast de rapporten van BuRO en PIPA, aan het bestreden besluit ook de opgemaakte risicobeoordeling op basis van de RAPEX-methode en de Gids Corrigerende acties ten grondslag ligt. De risicoanalyse aan de hand van de RAPEX-methode, waarbij de jongste kwetsbaarste groep als norm heeft te gelden, laat zien dat sprake is van een hoog risico.
De minister benadrukt verder dat NEN-EN14960-1 een invulling is van artikel 5 en Bijlage I onder 2g van het WAS 2023. Uit artikel 5 van het WAS 2023 volgt dat de fabrikant er zorg voor draagt dat attractie- en speeltoestellen zodanig zijn ontworpen en vervaardigd, zodanige eigenschappen hebben en van zodanige opschriften zijn voorzien, dat zij bij redelijkerwijs te verwachten gebruik geen gevaar opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de mens. Tegen deze achtergrond is terecht rekening gehouden met het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het springkussen in die zin dat een toezichthouder bij het springkussen ontbreekt.
De minister stelt zich tot slot gemotiveerd op het standpunt dat de onderzoeken van het KMI en BuRO betrouwbaar zijn uitgevoerd en dat geen reden bestaat om te twijfelen aan de integriteit van de onderzoeken of de resultaten daarvan.
Beoordeling van de hogerberoepsgronden door het College
Het College ziet zich voor de vraag gesteld of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister met de aanvullende motivering van 23 mei 2024 de gebreken in het bestreden besluit heeft hersteld. Dat is volgens het College niet het geval. Ook met de aanvullende motivering van 23 mei 2024 heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat de leeglooptijd van het springkussen type Circus te kort is om gebruikers van het springkussen veilig te evacueren. Het College licht dit oordeel hierna toe.
Het College acht allereerst van belang dat de springkussens door een aki, namelijk TSB, meerdere malen zijn onderzocht, getest en goedgekeurd. In augustus en september 2020 zijn de springkussens getest en gekeurd en van deze herkeuring is een rapport, gedateerd 18 mei 2021, opgemaakt. Door die herkeuring was sprake van een geldig certificaat voor de 56 springkussens van het type Circus. Toch heeft de minister met het afkeuringsbesluit deze springkussens buiten gebruik gesteld, afgekeurd en de geldigheid van de certificaten ingetrokken. TSB heeft vervolgens in de bezwaarfase nogmaals de springkussens getest en daarvan een verslag opgesteld. In dat verslag van 23 juli 2022 concludeert TSB dat de leeglooptijd van de springkussens snel is, maar dat de gebruikers de springkussens tijdig en veilig kunnen verlaten, waardoor er geen reële kans op verstikking ontstaat. Daarop heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard en vastgehouden aan de afkeuring van de springkussens. Ook na het bestreden besluit, op 27 april 2023, heeft TSB nogmaals de springkussens getest en ook van die test heeft zij een verslag opgesteld. In dat verslag wordt onder andere geconcludeerd dat verstikkingsgevaar niet aanwezig is en dat gebruikers het springkussen bij onverwachte leegloop veilig kunnen verlaten.
Het lag op de weg van de minister om gemotiveerd inzichtelijk te maken waarom de risicobeoordeling en daarmee de certificering door TSB niet juist is. Nadat de rechtbank deze motivering in het bestreden besluit onvoldoende heeft geacht, heeft de minister het bestreden besluit nader gemotiveerd met een risicoanalyse die is uitgevoerd door BuRO en PIPA en door een nader onderzoek van het KMI. De risicoanalyse is gebaseerd op theoretisch onderzoek op basis van de technische documentatie van het springkussen. Uit die risicoanalyse volgt een minimale evacuatietijd van het springkussen van vijftien seconden. Als de evacuatietijd korter is dan vijftien seconden, is het volgens BuRO waarschijnlijk dat dit ertoe leidt dat gebruikers vast komen te zitten, met mogelijke gezondheidsschade tot gevolg. Die schade kan ontstaan door beknelling, wat kan leiden tot verstikking en ernstig letsel, en contact met de ondergrond, wat kan leiden tot valletsel. Ook heeft de minister verwezen naar de eerder uitgevoerde risicobeoordeling op basis van de RAPEX-methode, waaruit volgt dat het risico hoog is. Omdat het voorste gedeelte al binnen vijf seconden inzakt en sprake is van een relatief grote massa met een dichte structuur, heeft de minister geconcludeerd dat de leeglooptijd onvoldoende is om gebruikers van het springkussen veilig te kunnen evacueren. Ondanks dat aan de achterkant nog een tijd een holle ruimte is, zijn ook de zijingangen ingestort binnen respectievelijk acht tot eenentwintig seconden. Volgens de risicoanalyse van BuRO dient de minimale tijd om te evacueren vijftien seconden te zijn en daaraan voldoet het springkussen Circus niet, aldus de minister.
De door [naam 1] ingeschakelde deskundige [naam 3] en onderzoeker [naam 4] van TSB waren aanwezig bij het nadere onderzoek en bestrijden gemotiveerd de conclusies van de minister. Zo betwist [naam 4] feitelijk de bevindingen van het KMI. Zij wijst erop dat dat zelfs na twintig seconden nog voldoende lucht aanwezig is in het springkussen. De voorbouw is een dakconstructie die in een puntvorm naar beneden zakt. De rand van het dak is dan nog steeds opgeblazen en niet zwaar. Bovendien kunnen links en rechts van de voorkant kinderen nog steeds het springkussen verlaten. Zij stelt dat kinderen die zich in de voorkant van het springkussen bevinden niet direct onder het dak van het springkussen worden bedolven, omdat het dak zo is ontworpen dat er lucht in de rand van het springkussen zit. Zij stelt dan ook dat een gebruiker niet bekneld kan raken, omdat het dak de voorkant niet volledig afsluit. Kinderen kunnen langs drie kanten het springkussen verlaten, waarbij de achterste uitgangen na meer dan één minuut nog steeds voldoende ruimte in het luchtkussen aanwezig hebben. Het springussen heeft geen binnenmuren of obstakels waar je kunt vastzitten; het is een open ruimte. De gezondheidsschade is hierdoor onwaarschijnlijk. Het geheel zakt niet te snel in en de afstand tot de uitgang achterbouw is zeer kort (binnen twee en een halve meter ben je buiten). Er zal steeds lucht en licht aanwezig blijven. [naam 4] stelt verder dat uit het videomateriaal ook duidelijk volgt dat er zelfs na twintig seconden nog voldoende ruimte in het springkussen is en dat ook dan nog via de voorkant het springkussen veilig kan worden verlaten. Volgens haar wordt de evacuatietijd van minimaal vijftien seconden gehaald. Dit is ook eerder meerdere malen geconcludeerd naar aanleiding van de onderzoeken die zijn uitgevoerd door TSB.
Met de nadere onderbouwing heeft de minister naar het oordeel van het College de bevindingen van TSB onvoldoende weerlegd. Het KMI heeft in het nadere onderzoek met name de bevindingen getoetst aan de norm van minimaal vijftien seconden evacuatietijd. Daar tegenover staan twee door [naam 1] overgelegde deskundigenrapporten van aki’s TSB en [naam 6] en de verklaringen van [naam 3] en [naam 4] . TSB betwist de conclusies van het nadere onderzoek van het KMI feitelijk en gemotiveerd. Uit de door TSB uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de norm van vijftien seconden voor een veilige evacuatie bij het springkussen wordt gehaald en dat zelfs na twintig seconden het springkussen nog veilig kan worden verlaten. Dat de feitelijke bevindingen uit de onderzoeken van TSB niet gevolgd kunnen worden, omdat deze niet representatief zouden zijn, zoals door de minister is aangevoerd, volgt het College niet. Dit kan ook niet uit het onderzoek door het KMI worden afgeleid. De conclusies van TSB worden bovendien nogmaals bevestigd door [naam 6] , die op basis van eigen onderzoek ook concludeert dat de evacuatiemogelijkheden “duidelijk normconform” zijn. Dat de minister niet is uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, betekent nog niet dat aan dat onderzoek geen waarde kan worden gehecht. Met [naam 1] is het College dan ook van oordeel dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat de leeglooptijd te kort is om gebruikers het springkussen veilig te laten evacueren.
Conclusie
Gelet op wat hiervoor is overwogen, slaagt het hoger beroep. Het College komt niet toe aan een beoordeling van de overige hogerberoepsgronden van [naam 1] . Dat geldt ook voor zover het hoger beroep van [naam 1] zich richt tegen rechtsoverweging 6.1 van de tussenuitspraak. De (eind)uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is er onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van TSB over de veiligheid van het springkussen type Circus, zodat het afkeuringsbesluit geen stand kan houden. Het College zal daarom het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en het afkeuringsbesluit herroepen.
Het College zal de minister veroordelen in de door [naam 1] gemaakte proceskosten. Het College stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4.869,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,- en 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij de rechtbank, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na toepassing van de bestuurlijke lus, 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het College, met een waarde per punt van € 934,-). Het College zal de minister ook opdragen het door [naam 1] in beroep betaalde griffierecht van € 365,- en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 559,- te vergoeden.
Beslissing
Het College:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Schoneveld, mr. B. Bastein en mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. L. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
w.g. M. Schoneveld De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.