COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2026 op de hoger beroepen van:
mr. drs. [naam 4] RA, [naam 5] RA, drs. [naam 6] RA en
uitspraak
zaaknummers: 22/1586 en 22/1703
[naam 1] en [naam 2], te [woonplaats 1] ( [naam 3] )
en
[naam 7] (voorheen RA), te [woonplaats 2] (accountants)
(gemachtigde: mr. M.A.M. Euverman),
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 29 juli 2022 waarbij is beslist op een klacht, ingediend door [naam 3] tegen de accountants.
Procesverloop in hoger beroep
[naam 3] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 29 juli 2022, met nummers 21/2170, 21/2171, 21/2172 en 21/2173 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2022:28). Het hoger beroep van [naam 3] is geregistreerd onder zaaknummer 22/1586.
[naam 4] , [naam 5] en [naam 6] hebben eveneens beroep ingesteld tegen de hiervoor genoemde uitspraak van de accountantskamer. Namens [naam 7] was ook pro forma beroep ingesteld, maar dit is nadien ingetrokken. Het hoger beroep van [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] heeft zaaknummer 22/1703.
Partijen hebben een schriftelijke reactie gegeven op elkaars hogerberoepschriften.
De zitting was op 13 januari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en aan de zijde van de accountants [naam 4] , [naam 5] en
[naam 6] , bijgestaan door hun gemachtigde.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer. Het College volstaat met het volgende.
[naam 4] , [naam 5] en [naam 6] zijn respectievelijk sinds 14 februari 2002, 12 november 1997 en 17 oktober 2013 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. [naam 7] is met ingang van 1 april 2021 uitgeschreven uit het accountantsregister van de NBA.
De accountants zijn betrokken bij de vereniging Instituut van Internal Auditors Nederland (IIA), een beroepsvereniging van internal auditors in Nederland die is aangesloten bij het internationale IIA Global. [naam 4] is lid van de Raad van Tucht (RvT). [naam 5] en [naam 6] zijn lid van de Raad van Beroep (RvB). [naam 7] vervulde als directeur van de IIA de rol van secretaris van de RvT.
[naam 3] zijn werknemers van Vattenfall (vóór maart 2019: Nuon Energy). Zij maakten in 2013 deel uit van een team dat betrokken was bij project PanHam, een project met het oog op de ontwikkeling van een energie- en warmtecentrale in de buurt van Hamburg. [naam 1] heeft medio 2013 een interne klacht ingediend over gedragingen van een lid van Vattenfall Hamburg. De door hem gedane melding hing ˗ verkort weergegeven ˗ samen met overtreding van Europese aanbestedingsregels met als doel een ongeoorloofde bevoordeling van Siemens. Ook heeft hij een interne klacht ingediend bij Vattenfall Nederland. In februari 2019 is een conceptmemorandum van 30 september 2015 van de afdeling Internal Audit van Vattenfall naar buiten gebracht. Op het voorblad van dit memorandum is [naam 8] RA ( [naam 8] ), die in dit memorandum wordt vermeld als “Head of Internal Audit Netherlands”, als een van de auteurs genoemd. In dit memorandum wordt erkend dat sprake was van het bewust overtreden van Europese aanbestedingsregelgeving. In het memorandum is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“As a government owned company and as reinforced by Vattenfall Code of Conduct, Vattenfall is committed to adhere to law and regulations. In practice, the business at times decides not to tender as required by European tendering law due to specific business driven reasons. Reasons mentioned for not complying to the law are: 'longer lead time', 'increased amount of work' and 'increased costs of the tender process'. As the decision not to comply to European law implies that the company accepts certain risks, higher management involvement is necessary so the business risks are managed and within the company's appetite.
In general the non-compliance to EU law seems quite well known at management level both at procurement and in the business.
[…]
Procurement should request as part of the procurement process, explicit approval from the Head of BU Heat Netherlands for purchases not compliant with applicable tender laws; the reasons for not complying to law should be made explicit. In addition, Legal should always be involved when procuring values subject to European tender law. A similar sign off process should be applied for procurement of all other BU's for procurement of all other BU's and Staff functions.”
Op 26 november 2020 hebben [naam 3] een klacht tegen [naam 8] , die bij de IIA stond ingeschreven als internal auditor, ingediend bij IIA Global. IIA Global heeft deze klacht doorgezonden naar de IIA. De klacht is vervolgens door de IIA in behandeling genomen.
Op 5 maart 2021 heeft een online hoorzitting van de RvT plaatsgevonden. Op 26 maart 2021 heeft de RvT uitspraak gedaan. De RvT heeft de klacht wat betreft één klachtonderdeel gegrond en wat betreft de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard. De RvT heeft afgezien van het opleggen van een maatregel aan [naam 8] .
[naam 3] hebben tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de RvB. Met de uitspraak van 1 november 2021 heeft de RvB het door [naam 3] ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard. De RvB heeft de gegrondverklaring van één tegen [naam 8] gericht klachtonderdeel en de ongegrondverklaring van de overige klachtonderdelen door de RvT in stand gelaten. Verder heeft de RvB het beroep over het afzien van het opleggen van een maatregel aan [naam 8] door de RvT gegrond verklaard en aan [naam 8] de maatregel van schriftelijke berisping opgelegd.
Uitspraak van de accountantskamer
De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, houdt in dat de accountants in strijd hebben gehandeld met de voor hen geldende gedrags- en beroepsregels. [naam 3] verwijten de accountants het volgende:
a. de accountants hebben, als leden van de RvT dan wel de RvB van de IIA, geprobeerd om [naam 8] uit de wind te houden;
b. de accountants hebben de tuchtrechtelijke procedure bij de RvT dan wel RvB niet op zorgvuldige en onpartijdige wijze gevoerd.
Met de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht over [naam 7] en [naam 4] ongegrond verklaard en de klacht over [naam 5] en [naam 6] gedeeltelijk gegrond. De accountantskamer heeft geoordeeld, verkort weergegeven, dat [naam 5] en [naam 6] hebben gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. [naam 5] en [naam 6] hebben namelijk geen afstand genomen van de beslissing van de RvB om partijen niet mondeling te horen, terwijl een mondelinge behandeling is voorgeschreven in het Reglement op de Tuchtrechtspraak voor leden van IIA Nederland (Reglement voor de Tuchtrechtspraak) en [naam 3] daarom uitdrukkelijk hadden verzocht. De accountantskamer heeft de maatregel van waarschuwing aan [naam 5] en [naam 6] opgelegd.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Leeswijzer en samenvatting
[naam 3] keren zich met drie hogerberoepsgronden tegen de bestreden uitspraak, voor zover de accountantskamer de door [naam 3] aan de accountants gemaakte verwijten ongegrond heeft verklaard.
[naam 4] , [naam 5] en [naam 6] hebben twee hogerberoepsgronden aangevoerd. Zij richten zich tegen het oordeel van de accountantskamer dat [naam 3] ontvankelijk zijn in hun klacht, en dat [naam 5] en [naam 6] hebben gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, met oplegging van de maatregel van waarschuwing.
Het College zal hierna de hogerberoepsgronden van partijen bespreken. Gelet op het mogelijk verstrekkende karakter van de eerste hogerberoepsgrond van [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] inhoudende dat [naam 3] niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep, zal het College die hogerberoepsgrond als eerste bespreken. Daarna zal het College de door [naam 3] aangevoerde hogerberoepsgronden bespreken, gevolgd door de bespreking van de tweede hogerberoepsgrond van [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] .
De bespreking van de hogerberoepsgronden leidt tot het oordeel dat de accountantskamer [naam 3] terecht ontvankelijk heeft bevonden in hun klacht. Ook heeft de accountantskamer de klacht over [naam 5] en [naam 6] terecht (gedeeltelijk) gegrond verklaard, omdat zij hebben gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Net als de accountantskamer acht het College de maatregel van waarschuwing aan [naam 5] en [naam 6] passend en geboden. Tot slot heeft de accountantskamer de overige klachtonderdelen terecht ongegrond verklaard.
Hogerberoepsgrond 1 van [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] : de ontvankelijkheid van het hoger beroep
Met deze hogerberoepsgrond voeren [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] aan dat [naam 3] niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep en dat de accountantskamer hen niet-ontvankelijk had moeten verklaren. [naam 3] kunnen zich duidelijk niet verenigen met de wijze waarop de IIA haar tuchtrechtspraak heeft vormgegeven en hun klacht is gericht tegen de RvT en de RvB als instanties. Artikel 42 van de Wet op het accountantsberoep (Wab) staat aan ontvankelijkheid van de klacht in de weg, want de klacht van [naam 3] is niet concreet en individueel herleidbaar naar de accountants. Op de zitting van het College hebben [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] verder nog aangevoerd dat [naam 3] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat voor hen een civielrechtelijke rechtsgang openstond waarvan zij geen gebruik hebben gemaakt. De uitspraken van de RvT en de RvB moeten worden aangemerkt als rechtspersonenrechtelijke besluiten in de zin van de artikelen 2:14 en 2:15 van het Burgerlijk Wetboek en [naam 3] hebben niet binnen de daarvoor geldende termijn om vernietiging verzocht.
Anders dan [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] is het College van oordeel dat [naam 3] ontvankelijk zijn in hun hoger beroep en dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak terecht heeft geoordeeld dat zij ontvankelijk zijn in hun klacht. Het College licht dat als volgt toe.
Het College stelt vast dat het hoger beroep van [naam 3] voldoet aan de formele vereisten die daaraan worden gesteld door de artikelen 43 en 43a van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra). [naam 3] hebben namelijk tijdig, dat wil zeggen binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak van de accountantskamer, hoger beroep ingesteld. Verder is het beroepschrift ondertekend en bevat het de gronden van het hoger beroep. Ook het klaagschrift van [naam 3] bij de accountantskamer voldeed aan de daarvoor geldende formele vereisten. Zoals het bepaalde in artikel 22, eerste en derde lid, van de Wtra voorschrijft, hebben [naam 3] hun klaagschrift ingediend binnen tien jaar na het moment van het handelen en nalaten van de accountants waarop hun klacht betrekking had. Ook hebben [naam 3] in het klaagschrift hun naam vermeld, evenals de naam van de accountants en de feiten waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel wordt gevraagd, onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Verder onderschrijft het College het oordeel van de accountantskamer onder 4.1.4 van de bestreden uitspraak. Tuchtrechtspraak zoals deze wordt uitgeoefend door de RvT en de RvB van de IIA is niet wettelijk geregeld, maar is een vorm van verenigingstuchtrechtspraak voor leden van de IIA. Dit staat er niet aan in de weg dat het handelen en nalaten van accountants als leden van een van beide tuchtcolleges ter toetsing aan de accountantskamer en vervolgens aan het College kan worden voorgelegd. Wel moet die toetsing met terughoudendheid plaatsvinden, overeenkomstig de rechtspraak over de toetsing van het handelen en nalaten van een accountant die als arbiter of als bindend adviseur is opgetreden.
Zie hiervoor onder meer de uitspraken van het College van 25 februari 2010 (ECLI:NL:CBB:2010:BL9687) en 5 december 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:501). Toepassing van deze rechtspraak betekent dat alleen in uitzonderlijke gevallen plaats is voor tuchtrechtelijk ingrijpen en dat een tuchtprocedure bij de accountantskamer en vervolgens het College in beginsel niet is bedoeld om de inhoud, de wijze van totstandkoming of het gezag van een dergelijke privaatrechtelijke tuchtrechtuitspraak ter discussie te stellen. Wat de accountants wordt verweten, moet daarom betrekking hebben op een ernstige schending van de voor de tuchtrechtprocedure geldende regels over de totstandkoming van de beslissing of de inhoud ervan. Verder moet vaststaan, voor zover van belang in verband met de klacht, dat de accountants aan de wijze van totstandkoming van de beslissing hun medewerking hebben verleend en met de genomen beslissing hebben ingestemd. Het tuchtrecht richt zich namelijk op de individuele accountant.
Gelet op het voorgaande volgt het College de accountants niet in hun betoog dat het bepaalde in artikel 42 van de Wab eraan in de weg staat dat hun handelen en nalaten als leden van de RvT en de RvB tuchtrechtelijk kan worden getoetst door de accountantskamer en het College. Op grond van artikel 42 van de Wab zijn accountants, wat de uitoefening van hun beroep betreft, onderworpen aan tuchtrechtspraak voor, verkort weergegeven, gedragingen in strijd met de Wab en andere gedragingen in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. Het moet daarbij wel gaan om handelen en nalaten door een individuele accountant. Het College zal hierna dan ook in zijn beoordeling betrekken of (de onderdelen van) de hogerberoepsgronden van [naam 3] betrekking hebben op individueel handelen en nalaten van [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] als leden van de RvT en de RvB. Met het oog hierop onderschrijft het College ook het oordeel van de accountantskamer onder 4.1.5 van de bestreden uitspraak dat bij het handelen van de accountants, waarover in dit geval wordt geklaagd, vakbekwaamheid als accountant kan worden aangewend, zodat dit een professionele dienst is als bedoeld in artikel 1 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).
Wat betreft het op de zitting van het College door de accountants gevoerde betoog over de niet-ontvankelijkheid van [naam 3] vanwege het openstaan van een civielrechtelijke rechtsgang op grond van de artikelen 2:14 en 2:15 van het Burgerlijk Wetboek waarvan zij geen gebruik hebben gemaakt, oordeelt het College als volgt. Dat wellicht een civielrechtelijke rechtsgang op grond van de artikelen 2:14 en 2:15 van het Burgerlijk Wetboek voor [naam 3] (niet meer) openstond tegen de uitspraken van de RvT en de RvB van de IIA, sluit een tuchtrechtelijke beoordeling van het handelen en nalaten van de accountants als leden van de RvT en de RvB niet uit.
Gelet op het voorgaande slaagt de eerste hogerberoepsgrond van de accountants niet en zijn [naam 3] ontvankelijk in hun hoger beroep.
Hogerberoepsgrond 1 van [naam 3] : terughoudende tuchtrechtelijke toetsing
Met deze hogerberoepsgrond keren [naam 3] zich tegen overweging 4.1.4 van de bestreden uitspraak, voor zover de accountantskamer daarin heeft overwogen dat het handelen en nalaten van de accountants als leden van de RvT en de RvB terughoudend moet worden getoetst, overeenkomstig de rechtspraak over de toetsing van het handelen en nalaten van een accountant die als arbiter of als bindend adviseur is opgetreden. Volgens [naam 3] is het optreden van een accountant als lid van een tuchtcollege niet te vergelijken met het optreden van een accountant als arbiter of als bindend adviseur, omdat de verschillen daartussen te groot zijn. Daarom moet het handelen en nalaten van de accountants als leden van de RvT en de RvB niet terughoudend, maar onverkort aan alle fundamentele beginselen, met inbegrip van integriteit en objectiviteit, worden getoetst.
Deze hogerberoepsgrond slaagt niet. Zoals het College hierboven onder 4.4 heeft overwogen, moet ˗ voor zover hier van belang ˗ het handelen en nalaten van accountants als leden van de RvT en de RvB terughoudend worden getoetst. De door [naam 3] in het hogerberoepschrift genoemde verschillen tussen enerzijds het optreden van een accountant als arbiter of als bindend adviseur en anderzijds het optreden van een accountant als lid van een privaatrechtelijk tuchtcollege missen relevantie. Het gaat juist om de overeenkomst dat het optreden van een accountant als arbiter, bindend adviseur of als lid van een privaatrechtelijk tuchtcollege, leidt tot of bijdraagt aan een inhoudelijke uitspraak over een aan hen voorgelegd geschil of klacht waartegen in beginsel geen rechtsmiddel open staat of de mogelijkheden tot het aanwenden van een rechtsmiddel beperkt zijn. Het is niet de bedoeling dat de procedures bij de accountantskamer en het College als zodanig fungeren. Dit neemt niet weg dat voor zover bij het handelen en nalaten van de accountant sprake is van beroepsuitoefening, dit moet worden getoetst aan alle toepasselijke fundamentele beginselen als bedoeld in artikel 3 van de VGBA, ook bij een terughoudende toetsing van het handelen van accountants die deelnemen aan verenigingsrechtspraak.
Hogerberoepsgrond 2 van [naam 3] : toetsing aan fundamentele beginselen
[naam 3] voeren met deze hogerberoepsgrond aan dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak ten onrechte niet het handelen en nalaten van de accountants als leden van de RvT en de RvB heeft getoetst aan de fundamentele beginselen voor de accountant volgens de VGBA.
Gelet op het algemene karakter van deze hogerberoepsgrond en de samenhang met de derde hogerberoepsgrond die [naam 3] aanvoeren, zal het College deze hogerberoepsgrond hierna tegelijk met de derde hogerberoepsgrond beoordelen.
Hogerberoepsgrond 3 van [naam 3] : onjuiste weergave van de klacht en onvolledige bespreking van verschillende klachtonderdelen
Met deze hogerberoepsgrond betogen [naam 3] allereerst dat de accountantskamer hun klacht onjuist heeft weergegeven, want zij heeft ten onrechte bij de weergave van klachtonderdeel a onder 3.1 van de bestreden uitspraak niet vermeld welke specifieke functie [naam 8] uitoefende bij de IIA. Daardoor heeft de accountantskamer de klacht onjuist geïnterpreteerd.
Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van het College, waaronder de uitspraak van 5 augustus 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:207), staat het de accountantskamer vrij om een klacht zakelijk samen te vatten. De omstandigheid dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak niet heeft vermeld welke specifieke functie [naam 8] uitoefende bij de IIA, brengt niet met zich dat de accountantskamer de klacht onjuist heeft weergegeven en evenmin dat de accountantskamer niet tot een juiste juridische duiding van de aan de klacht ten grondslag liggende feiten heeft kunnen komen. Het College ziet in dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat de accountantskamer bij haar beoordeling is uitgegaan van een onjuiste of te beperkte interpretatie van de klacht van [naam 3]
Verder valt deze hogerberoepsgrond uiteen in tien onderdelen waarbij [naam 3] zich op het standpunt stellen dat de accountantskamer verschillende klachtonderdelen niet of onjuist heeft beoordeeld. De accountantskamer zou bij verschillende klachtonderdelen hebben nagelaten te toetsen aan de fundamentele beginselen waaraan accountants zich dienen te houden bij de uitoefening van hun beroep.
Onderdeel 1 - Handreiking 1112
Als eerste voeren [naam 3] aan dat de accountantskamer onder 4.3.1 van de bestreden uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat de NBA Handreiking 1112 niet van toepassing is op deze zaak. Anders dan de accountantskamer heeft overwogen, hebben de accountants een persoonsgericht onderzoek uitgevoerd, waardoor hun handelen en nalaten moet worden getoetst aan de gedragsaanwijzingen van de NBA Handreiking 1112.
Bij de beoordeling van dit onderdeel stelt het College het volgende voorop. In de NBA Handreiking 1112 wordt onder een persoonsgericht onderzoek verstaan; de aan een accountant verleende opdracht waarvan het object bestaat uit het functioneren, handelen of nalaten van een (rechts)persoon, voor de uitvoering waarvan werkzaamheden met een verifiërend karakter worden verricht, onder andere bestaande uit het verzamelen en analyseren van al dan niet financiële gegevens en het rapporteren van de uitkomsten.
Het College is met de accountantskamer van oordeel dat tuchtrechtspraak naar zijn aard geen persoonsgericht onderzoek is. Op het handelen en nalaten van de accountants als leden van de RvT en de RvB van de IIA is de NBA Handreiking 1112 dus niet van toepassing.
Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.
Onderdeel 2 - Partijdigheid
Met dit onderdeel stellen [naam 3] zich op het standpunt dat de accountantskamer ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de accountants hebben gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van objectiviteit. De accountants waren partijdig, want zij kenden [naam 8] vanwege de specifieke functie die zij uitoefende bij de IIA. Op de zitting van het College hebben [naam 3] toegelicht dat het aspect van partijdigheid blijkt uit de omstandigheid dat de leden van de RvT van de IIA tijdens de hoorzitting [naam 8] hebben aangesproken met haar voornaam. Verder hebben [naam 3] op de zitting bij het College betoogd dat de accountants zich in deze zaak hadden moeten verschonen en geen zitting in de RvT en de RvB hadden moeten nemen, omdat zij partijdig waren. Ook hebben [naam 3] aangevoerd dat zij de leden van de RvB hebben geprobeerd te wraken volgens artikel 13, vijfde lid, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak. Dit is ongemotiveerd door de RvB van de hand gewezen, want in de uitspraak van de RvB staat alleen dat de leden hun onpartijdigheid hebben getoetst en hebben vastgesteld dat zij in wezen en schijn onpartijdig zijn.
Het College stelt vast dat uit het door [naam 3] gemaakte verslag van de hoorzitting van de RvT niet blijkt dat [naam 4] [naam 8] heeft aangesproken met haar voornaam. Alleen al hierom is het College van oordeel dat [naam 3] niet aannemelijk hebben gemaakt dat [naam 4] hierdoor enig fundamenteel beginsel heeft geschonden.
Wat het betoog van [naam 3] betreft dat de accountants zich als leden van de RvT en de RvB hadden moeten verschonen, omdat zij [naam 8] uit hoofde van haar functie bij de IIA kenden, overweegt het College als volgt. Het College stelt vast dat het Reglement op de Tuchtrechtspraak niet voorziet in een regeling voor verschoning door de leden van de RvT en de RvB. Bovendien is in artikel 1, vierde lid, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak bepaald dat de leden van de RvT, leden van de vereniging IIA moeten zijn. Als het Reglement op de Tuchtrechtspraak zou hebben voorzien in een regeling voor verschoning, wat zoals hiervoor overwogen niet het geval is, dan zouden de accountants in de RvT zijn vervangen door andere leden van de IIA die [naam 8] eveneens uit hoofde van haar functie bij de IIA zouden kennen. Dit betoog van [naam 3] slaagt daarom niet.
Het betoog van [naam 3] dat zij hebben geprobeerd om de leden van de RvB te wraken, maar dat de RvB ten onrechte heeft geoordeeld dat de leden in wezen en schijn onpartijdig zijn, slaagt evenmin. Als [naam 3] hierin zouden worden gevolgd, zou dit betekenen dat leden van de IIA geen deel zouden kunnen uitmaken van de RvB, omdat zij allen [naam 8] uit hoofde van haar functie bij de IIA kennen. Dit verhoudt zich niet met artikel 11, derde lid, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak dat bepaalt dat de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter van de RvB gewone leden van de vereniging zijn. Het vervangen van leden van de RvB door externe personen verhoudt zich evenmin met de aard van de verenigingstuchtrechtspraak, waarbij in beginsel de tuchtrechtspraakcolleges geheel of voor een zeer belangrijk deel worden gevormd door leden van de vereniging.
Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.
Onderdeel 3 - Deugdelijke grondslag
Met dit onderdeel voeren [naam 3] aan dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak ten onrechte niet is ingegaan op hun stelling dat de uitspraken van de RvT en de RvB tot stand zijn gekomen zonder deugdelijke grondslag. Op de zitting van het College hebben [naam 3] toegelicht dat in de uitspraak van de RvT staat dat [naam 8] heeft aangevoerd dat de finale versie van het memorandum is geschoond van de betreffende passages en een ander karakter had. De RvT heeft daarover in de uitspraak, verkort weergegeven, overwogen dat de RvT geen kennis heeft genomen van de finale versie van het memorandum, maar geen aanleiding ziet aan de stellingen van [naam 8] over die versie te twijfelen. Verder hebben [naam 3] op de zitting aangevoerd dat ook de RvB bij het doen van de uitspraak geen kennis heeft genomen van de finale versie van het memorandum. Daardoor ontberen de uitspraken van de RvT en de RvB een deugdelijke grondslag en hebben de accountants gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en onzorgvuldigheid.
Zoals het College hiervoor onder 4.4 heeft overwogen, beoordeelt het College of (de onderdelen van) de hogerberoepsgronden betrekking hebben op individueel handelen en nalaten van de accountants als leden van de RvT en de RvB van de IIA. [naam 3] hebben op de zitting van het College desgevraagd verklaard dat zij over dit klachtonderdeel alleen [naam 4] een individueel verwijt kunnen maken en niet de andere accountants. Alleen al om die reden hebben [naam 3] niet aannemelijk gemaakt dat [naam 5] en [naam 6] , als leden van de RvB, in strijd hebben gehandeld met de fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en onzorgvuldigheid door geen kennis te nemen van de finale versie van het memorandum.
Wat [naam 4] betreft, hebben [naam 3] op de zitting van het College aangevoerd dat hij als lid van de RvT tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij tijdens de hoorzitting heeft betwijfeld of hij de finale versie van het memorandum wel wilde hebben. In het door [naam 3] opgestelde transcript van de door [naam 3] gemaakte opname van de hoorzitting bij de RvT staat daarover het volgende vermeld:
“En de vraag is ook...of eh, ik twijfel of ik ze überhaupt zou willen hebben, eerlijk gezegd.”
Op de zitting van het College heeft [naam 4] de exacte bewoordingen van dit citaat betwist en toegelicht dat hij tijdens de hoorzitting hardop nadacht of de RvT de finale versie van het memorandum wel nodig had voor de beraadslaging en om te komen tot een oordeel. De klacht die [naam 3] bij de RvT hadden ingediend, had namelijk betrekking op de conceptversie van het memorandum. Zoals de RvT in zijn uitspraak heeft overwogen, is de RvT op basis van de conceptversie van het memorandum tot het oordeel gekomen, verkort weergegeven, dat [naam 8] met de betreffende passages in het conceptmemorandum onzorgvuldig heeft gehandeld als internal auditor. Het College acht deze verklaring van [naam 4] aannemelijk en het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer onder 4.5.2 van de bestreden uitspraak dat [naam 4] met deze opmerking niet heeft gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel.
Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.
Onderdeel 4 - Objectiviteit
Met dit onderdeel stellen [naam 3] zich op het standpunt dat de accountantskamer ten onrechte niet is ingegaan op hun klacht dat de accountants het fundamentele beginsel van objectiviteit hebben geschonden, omdat zij gevolg hebben gegeven aan de oproep van [naam 8] om de betreffende passages in de conceptversie van het memorandum niet objectief, maar subjectief te lezen.
Het College komt aan een inhoudelijke beoordeling van dit onderdeel niet toe. Hierboven onder 4.4 heeft het College overwogen, samengevat, dat een tuchtprocedure bij het College in beginsel niet is bedoeld om de inhoud, de wijze van totstandkoming of het gezag van een privaatrechtelijke tuchtrechtuitspraak ter discussie te stellen en dat de klacht herleidbaar moet zijn tot een individuele accountant. Dit onderdeel heeft betrekking op de inhoud van de uitspraken van de RvT en de RvB en is niet herleidbaar tot een van de accountants.
Verder volgt het College [naam 3] niet in hun betoog dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak niet heeft gerespondeerd op de klacht dat de accountants het fundamentele beginsel van objectiviteit hebben geschonden. Onder 4.5.2 van de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer over [naam 4] overwogen dat er, afgezien van de onder 4.5.2 van de bestreden uitspraak genoemde gedragingen, verder geen concrete gedragingen van [naam 4] zijn gesteld waarin hij in zijn rol als lid van de RvT gehandeld zou hebben in strijd met een of meer fundamentele beginselen. Verder heeft de accountantskamer onder 4.6.5 van de bestreden uitspraak over [naam 5] en [naam 6] overwogen, verkort weergegeven, dat de omstandigheid dat de RvB overwegingen uit de uitspraak van de RvT heeft overgenomen en dat de RvB wat betreft de schending van de IIA Gedragscode Internal Auditors (2017) tot eenzelfde oordeel als de RvT is gekomen, niet met zich brengt dat [naam 5] en [naam 6] hiermee hebben gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel. In deze overwegingen van de accountantskamer ligt besloten dat de accountantskamer het handelen en nalaten van de accountants, binnen het kader van de door [naam 3] ingediende klacht en voor zover het karakter van de terughoudende toetsing dat toelaat, heeft getoetst aan de fundamentele beginselen voor accountants volgens de VGBA, waaronder het fundamentele beginsel van objectiviteit.
Gelet op het voorgaande slaagt dit onderdeel van de hogerberoepsgrond niet.
Onderdeel 5 - Onjuiste bewijswaardering
Met dit onderdeel voeren [naam 3] aan dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak ten onrechte niet is ingegaan op hun stelling dat de RvT en de RvB het bewijs onjuist hebben gewaardeerd. De RvT en de RvB hebben hun uitspraken mede gebaseerd op de finale versie van het memorandum, terwijl de leden van de RvT en de RvB die versie niet hebben gezien. Op de zitting van het College hebben [naam 3] aangevoerd dat [naam 7] onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat hij als secretaris van de RvT heeft nagelaten om tijdens de procedure bij de RvT de finale versie van het memorandum op te vragen bij [naam 8] .
Voor zover dit onderdeel ziet op de wijze waarop de RvT en de RvB het bewijs hebben gewaardeerd, komt het College aan een inhoudelijke beoordeling daarvan niet toe. Dit stuit af op wat het College hierboven onder 4.4 heeft overwogen, namelijk dat een tuchtprocedure bij het College in beginsel niet is bedoeld, verkort weergegeven, om de inhoud en de wijze van totstandkoming van een privaatrechtelijke tuchtrechtuitspraak ter discussie te stellen en dat de klacht herleidbaar moet zijn tot een individuele accountant. Dit onderdeel is, afgezien van het verwijt dat [naam 3] aan het adres van [naam 7] maken, niet herleidbaar tot een individuele accountant en de bewijswaardering ziet op de inhoud en de wijze van totstandkoming van de uitspraken van de RvT en de RvB.
Anders dan [naam 3] is het College van oordeel dat de accountantskamer in voldoende mate heeft gerespondeerd op dit klachtonderdeel. Zoals het College hierboven onder 7.7.3 heeft overwogen, ligt in de overwegingen 4.5.2 en 4.6.5 van de bestreden uitspraak besloten dat de accountantskamer het handelen en nalaten van de accountants binnen het kader van de klacht van [naam 3] heeft getoetst aan de fundamentele beginselen voor accountants volgens de VGBA.
Voor zover [naam 3] met dit onderdeel hebben bedoeld aan te voeren dat [naam 7] tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij als secretaris van de RvT heeft nagelaten om de finale versie van het memorandum bij [naam 8] op te vragen, oordeelt het College als volgt. Uit het Reglement op de Tuchtrechtspraak volgt niet dat het de verantwoordelijkheid van [naam 7] als secretaris van de RvT was om op eigen initiatief stukken op te vragen, omdat dit een bevoegdheid is van de RvT of, in voorkomend geval, de voorzitter van de RvT. Daarover heeft [naam 4] op de zitting bij het College toegelicht dat de RvT van oordeel was dat de RvT niet behoefde te beschikken over de finale versie van het memorandum, omdat de RvT op basis van de conceptversie van het memorandum kon vaststellen dat [naam 8] met de betreffende passages in het conceptmemorandum onzorgvuldig heeft gehandeld als internal auditor. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat [naam 3] niet aannemelijk hebben gemaakt dat [naam 7] in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.
Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.
Onderdeel 6 - Opmerking van [naam 4]
Met dit onderdeel stellen [naam 3] zich op het standpunt dat de overweging van de accountantskamer onder 4.5.2 van de bestreden uitspraak onbegrijpelijk is. Hierin heeft de accountantskamer overwogen dat [naam 4] , door het maken van een opmerking tijdens de hoorzitting van de RvT of hij de finale versie van het memorandum wel zou willen hebben, niet heeft gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel.
Met dit onderdeel voeren [naam 3] in wezen hetzelfde aan als met het derde onderdeel. Zoals het College hiervoor onder 7.6.3 heeft overwogen, onderschrijft het College het oordeel van de accountantskamer onder 4.5.2 van de bestreden uitspraak.
Het zesde onderdeel deelt dus het lot van het derde onderdeel en slaagt niet.
Onderdeel 7 - Externe deskundigen
Met dit onderdeel keren [naam 3] zich tegen overweging 4.6.4 van de bestreden uitspraak. De accountantskamer heeft daarin overwogen dat [naam 5] en [naam 6] niet hebben gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, ook al heeft de RvB in zijn uitspraak niet gemotiveerd welke rol de door de RvB geraadpleegde deskundigen hadden en heeft de RvB niet de bevindingen van de deskundigen aan [naam 3] voorgelegd.
Op de zitting van het College hebben [naam 5] en [naam 6] toegelicht dat de door [naam 3] ingediende klacht de eerste klacht was die de RvB moest behandelen. De RvB heeft deskundigen geraadpleegd over de vraag hoe de RvB tot een procedureel raamwerk kon komen voor de behandeling van de klacht. Daarbij heeft de RvB niet inhoudelijk met de deskundigen over de klacht gesproken. Deze toelichting komt overeen met wat ook al in de uitspraak van de RvB is overwogen. Het College ziet geen aanleiding om aan deze toelichting te twijfelen. Gelet op deze toelichting en de aard van verenigingstuchtrechtspraak, waarbij de tuchtprocedure wordt vormgegeven door de leden van de vereniging, onderschrijft het College het oordeel van de accountantskamer onder 4.6.4 van de bestreden uitspraak. Het verdiende wellicht de voorkeur om in de uitspraak van de RvB de rol van de deskundigen te duiden en om partijen op de bevindingen van de deskundigen te laten reageren, maar gelet op de terughoudende toetsing van het handelen en nalaten van accountants die deelnemen aan verenigingstuchtrechtspraak, hebben [naam 3] niet aannemelijk gemaakt dat [naam 5] en [naam 6] in strijd hebben gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Daarbij komt dat de uitspraak van de RvB een aangelegenheid is van de RvB als geheel en als zodanig niet individueel herleidbaar is tot [naam 5] en [naam 6] . Voor zover [naam 3] op de zitting hebben betoogd dat [naam 5] en [naam 6] zich hadden moeten distantiëren, zodat zij geen verantwoordelijkheid voor de uitspraak van de RvB dragen, volgt het College [naam 3] daarin niet. Naar het oordeel van het College betreft de raadpleging in dit geval niet een zodanige uitzonderlijke omstandigheid dat [naam 5] en [naam 6] zich op enige wijze hadden moeten distantiëren.
Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.
Onderdeel 8 - Handelen van [naam 7]
Met dit onderdeel voeren [naam 3] aan dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat [naam 7] als secretaris van de RvT niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, ook al had hij naar eigen zeggen geen flauw idee hoe een tuchtklacht moest worden behandeld.
Met dit onderdeel keren [naam 3] zich tegen overweging 4.4.2 van de bestreden uitspraak. Hierin heeft de accountantskamer geoordeeld, samengevat, dat het gegeven dat [naam 7] in zijn rol als secretaris van de RvT naar eigen zeggen geen flauw idee had hoe een tuchtklacht behandeld moest worden op zichzelf genomen niet klachtwaardig is. [naam 7] heeft er namelijk zorg voor gedragen dat de klacht in behandeling is genomen en dat deze is voorgelegd aan de RvT. Verder hebben [naam 3] geen concrete gedragingen van [naam 7] gesteld waarmee hij in zijn rol als secretaris van de RvT in strijd zou hebben gehandeld met een of meer fundamentele beginselen. Het College maakt dit oordeel van de accountantskamer tot het zijne.
Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.
Onderdeel 9 - Geheimhoudingsverklaring
Met dit onderdeel voeren [naam 3] aan dat de accountantskamer in de bestreden uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat zij niet hebben onderbouwd dat de RvT en de RvB aan hen hebben gevraagd om een geheimhoudingsverklaring te ondertekenen.
Dit onderdeel is gericht tegen overweging 4.3.4 van de bestreden uitspraak. Hierin heeft de accountantskamer overwogen, samengevat, dat voor zover [naam 3] erover klagen dat hen aanvankelijk was gevraagd om een geheimhoudingsverklaring te ondertekenen, [naam 3] de correspondentie hierover niet in het geding hebben gebracht. Daardoor hebben [naam 3] dit onderdeel onvoldoende onderbouwd en kan dit klachtonderdeel niet slagen. Bovendien is niet in geschil dat de RvT en de RvB niet hebben vastgehouden aan de, volgens [naam 3] , aanvankelijk gestelde eis om een geheimhoudingsverklaring te ondertekenen.
Het College is met de accountantskamer van oordeel dat dit onderdeel niet slaagt, omdat [naam 3] dit onderdeel onvoldoende hebben onderbouwd. Ook in hoger beroep hebben [naam 3] nagelaten om de correspondentie hierover, waaruit zij in hun klaagschrift slechts enkele zinsneden hebben geciteerd, te overleggen, terwijl dat op hun weg lag. De civielrechtelijke uitspraken van de Hoge Raad waarnaar [naam 3] verwijzen zijn hier niet van toepassing en leiden het College niet tot een andere conclusie.
Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.
Onderdeel 10 - Uitspraak van de RvB niet met redenen omkleed
Met dit onderdeel keren [naam 3] zich tegen overweging 4.6.5 van de bestreden uitspraak. Hierin heeft de accountantskamer, samengevat, geoordeeld dat de omstandigheid dat de RvB overwegingen uit de uitspraak van de RvT heeft overgenomen niet betekent dat [naam 5] en [naam 6] gehandeld hebben in strijd met enig fundamenteel beginsel, nog daargelaten dat de uitspraak van de RvB, wat betreft het opleggen van een maatregel aan [naam 8] , wel degelijk afwijkt van de uitspraak van de RvT. Volgens [naam 3] heeft de RvB in strijd gehandeld met artikel 15, eerste lid, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak, omdat de RvB zijn uitspraak niet met redenen heeft omkleed.
Naar het oordeel van het College ziet dit onderdeel op de inhoud van de uitspraak van de RvB en, zoals het College hiervoor onder 4.4 heeft overwogen, is een tuchtprocedure bij het College in beginsel niet bedoeld om de inhoud van een dergelijke privaatrechtelijke tuchtrechtuitspraak ter discussie te stellen. In de stelling van [naam 3] , dat de uitspraak van de RvB in strijd zou zijn met artikel 15, eerste lid, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak ziet het College geen aanleiding om daarover anders te oordelen. In artikel 15, eerste lid, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak is bepaald, verkort weergeven, dat de schriftelijke uitspraak van de RvB met redenen omkleed moet zijn. De uitspraak van de RvB is met redenen omkleed, ook al heeft de RvB overwegingen uit de uitspaak van de RvT overgenomen.
Dit onderdeel van de hogerberoepsgrond slaagt niet.
Gelet op het voorgaande slaagt de derde hogerberoepsgrond van [naam 3] niet. Daarmee slaagt ook de tweede hogerberoepsgrond van [naam 3] niet.
Hogerberoepsgrond 2 van [naam 5] en [naam 6] : geen tuchtrechtelijk verwijt
Met deze hogerberoepsgrond richten [naam 5] en [naam 6] zich tegen het oordeel van de accountantskamer dat zij hebben gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid door zich niet te distantiëren van de beslissing van de RvB om, in strijd met haar eigen reglement en ondanks een uitdrukkelijk daartoe gedaan verzoek, partijen niet mondeling te horen. Uit de uitspraak van de RvB, waarbij een sanctie is opgelegd, blijkt dat dit geen invloed heeft gehad op de beoordeling. De accountantskamer had terughoudend moeten toetsen. [naam 5] en [naam 6] wijzen op artikel 17, tweede lid, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak, dat bepaalt dat in gevallen waarin het reglement niet voorziet of onduidelijk is, de voorzitter van de RvT, dan wel de RvB beslist. De RvB was van oordeel dat er al uitvoerige informatie beschikbaar was, en er was geen aanleiding om aan te nemen dat er nog aanvullende informatie zou komen. Bovendien hebben [naam 3] de leden van de RvB niet gewraakt. Als zij het niet eens waren met de procedurele beslissing van de RvB om geen hoorzitting te houden, had het op de weg van [naam 3] gelegen om de leden van de RvB te wraken. [naam 5] en [naam 6] hebben niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld en de door de accountantskamer opgelegde maatregel van waarschuwing is te zwaar.
Het College stelt vast dat in artikel 14, eerste lid, van het Reglement op de Tuchtrechtspraak is bepaald, voor zover hier van belang, dat de RvB niet beslist dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord op de zitting van de RvB, waarop het beroep mondeling wordt behandeld. Het Reglement op de Tuchtrechtspraak voorziet niet in de mogelijkheid om (zonder instemming van partijen) af te zien van een mondelinge behandeling. Omdat het Reglement op de Tuchtrechtspraak hiermee voorziet in een duidelijke regeling, is artikel 17, tweede lid, van het Reglement, waarnaar [naam 5] en [naam 6] verwijzen, niet van toepassing. Op 22 juli 2021 hebben [naam 3] per e-mail de RvB onder meer verzocht om hun hoger beroep toe te lichten tijdens een mondelinge behandeling. Op 13 oktober 2021 hebben [naam 3] dat verzoek aan de RvB herhaald. De RvB heeft in zijn uitspraak overwogen dat de RvB tijdens een vergadering van 14 juni 2021 heeft besloten om niet over te gaan tot een hoorzitting, omdat de RvB unaniem van mening is dat de voorhanden zijnde gedetailleerde documentatie toereikend is.
Het College is met de accountantskamer van oordeel dat [naam 5] en [naam 6] in strijd hebben gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid (artikel 13 van de VGBA) door zich niet te distantiëren van de beslissing van de RvB om geen mondelinge behandeling te houden. Op grond van het Reglement op de Tuchtrechtspraak was het houden van een mondelinge behandeling verplicht en [naam 3] hebben tot tweemaal toe uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling verzocht. Het in strijd met het eigen Reglement op de Tuchtrechtspraak afzien van het houden van een hoorzitting, terwijl daarom door partijen is gevraagd, kan een accountant dan ook tuchtrechtelijk worden verweten, ook bij een terughoudende toetsing van het handelen van accountants die deelnemen aan verenigingstuchtrechtspraak. Hoor en wederhoor vormt namelijk een belangrijke procedurele waarborg, ook in het verenigingstuchtrecht. Het negeren daarvan vormt in dit geval dan ook een ernstige schending van het fundamentele beginsel van zorgvuldigheid en vakbekwaamheid. Naar het oordeel van het College is dit tuchtrechtelijke verwijt individueel herleidbaar tot [naam 5] en [naam 6] , omdat in de uitspraak van de RvB staat vermeld dat de RvB unaniem tot het oordeel is gekomen om af te zien van een mondelinge behandeling.
Verder volgt het College [naam 5] en [naam 6] niet in hun betoog dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld, omdat [naam 3] hen hadden moeten wraken als zij het niet eens waren met de procedurele beslissing van de RvB om geen hoorzitting te houden. Nog afgezien van het feit dat [naam 3] zich op het standpunt stellen dat zij tevergeefs hebben geprobeerd om de leden van de RvB te wraken, beoordeelt het College het tuchtrechtelijke verwijt dat [naam 3] aan [naam 5] en [naam 6] als leden van de RvB maken los van de omstandigheid of [naam 3] al dan niet de leden van de RvB hebben geprobeerd te wraken.
Het College is met de accountantskamer van oordeel dat de maatregel van waarschuwing aan [naam 5] en [naam 6] , gelet op de hiervoor onder 8.3 genoemde omstandigheden, passend en geboden is.
Gelet op het voorgaande slaagt deze hogerberoepsgrond van [naam 5] en [naam 6] niet.
Conclusie
De slotsom is dat het hoger beroep van [naam 3] ongegrond is.
Het hoger beroep van de accountants is ook ongegrond.
De bestreden uitspraak blijft, met inbegrip van de opgelegde maatregel, in stand.
10 De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.
Beslissing
Het College verklaart de hoger beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, mr. H.O. Kerkmeester en mr. M.J. Jacobs in aanwezigheid van mr. D.L. van Hal-Vermeer, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
w.g. H.S.J. Albers w.g. D.L. van Hal-Vermeer