COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2026 op het hoger beroep van:
[naam 1] (accountant),
uitspraak
zaaknummer: 22/2502
de Rooms Katholieke Nederlandse Antarctica Vereniging St. Servatius en St. Pancratius, te Heerlen, (de Vereniging),
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 21 oktober 2022 waarbij is beslist op een klacht, ingediend door de Vereniging tegen
(gemachtigde: mr. J.F. Garvelink).
Procesverloop in hoger beroep
De Vereniging heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 21 oktober 2022, met nummer 22/1945 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2022:36).
De accountant heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.
De Vereniging heeft nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 27 januari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: mr. drs. [naam 2] en [naam 3] namens de Vereniging en de accountant, bijgestaan door haar gemachtigde.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de uitspraak van de accountantskamer. Het College volstaat met het volgende.
De milieuorganisatie Greenpeace is een onafhankelijke, internationaal opererende organisatie en bestaat, behalve de Stichting Greenpeace Council (SGC), uit 26 over de wereld verspreide, nationale en regionale Greenpeaceorganisaties (NRO's). SGC opereert onder de naam Greenpeace International en verricht coördinerende en ondersteunende taken voor de NRO's. Volgens haar statuten heeft SGC als doel het bevorderen van natuurbehoud. De accountant heeft de jaarrekening 2020 van de SGC gecontroleerd en op 24 juni 2021 voorzien van een goedkeurende verklaring.
Uitspraak van de accountantskamer
De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat de accountant volgens de Vereniging heeft gehandeld in strijd met de voor haar geldende gedrags- en beroepsregels. De Vereniging verwijt de accountant dat zij:
a. de opdracht niet had mogen aanvaarden;
b. ten onrechte een goedkeurende accountantsverklaring heeft afgegeven;
c. ten onrechte heeft ingestemd met de openbaarmaking van haar verklaring.
Klachtonderdeel b omvat meerdere subklachtonderdelen (b1 t/m b4). (Sub)klachtonderdelen b3 en b4 bestaan op hun beurt ook uit meerdere verwijten.
Het onder subklachtonderdeel b3 vallende verwijt dat de geconsolideerde jaarrekening onvoldoende inzicht geeft, omdat daarin ten onrechte is vermeld dat die is opgesteld in overeenstemming met artikel 362, negende lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en omdat in de accountantsverklaring ten onrechte is vermeld dat de gebruikte verslaggevingsstandaard (de IFRS for SMEs) is ‘adopted by the EU’, heeft de accountantskamer bij de bestreden uitspraak gegrond verklaard. De accountantskamer was daarbij van oordeel dat de verwijtbare gedraging van zodanig geringe betekenis is, dat de oplegging van een maatregel niet is aangewezen. De accountantskamer heeft de klacht voor het overige ongegrond verklaard.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
De Vereniging voert aan dat de accountantskamer ten onrechte niet alle klachtonderdelen gegrond heeft verklaard, enkele klachtonderdelen onbesproken heeft gelaten en ten onrechte geen maatregel heeft opgelegd. De Vereniging heeft in hoger beroep al haar eerdere klachtonderdelen gehandhaafd. Zij verzoekt het College om de accountant alsnog een passende maategel op te leggen.
Klachtonderdeel a: de accountant had de opdracht niet mogen aanvaarden
De Vereniging voert aan dat de accountantskamer ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat aanvaarding van de opdracht van SGC een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde als bedoeld in artikel 20 VGBA tot de conclusie zou brengen dat daardoor een bedreiging van het zich houden aan de fundamentele beginselen ontstaat. De Vereniging stelt dat de accountant de opdracht om de jaarrekening te controleren niet heeft mogen aanvaarden, omdat SGC een criminele organisatie is. Volgens de Vereniging blijkt uit het jaarverslag van SGC dat SGC niet-statutaire doelen nastreeft en dat zij gericht is op het plegen van strafbare feiten. De Vereniging wijst in dit verband ook op een aantal publicaties waaruit volgens haar blijkt dat SGC systematisch strafbare feiten pleegt, zoals vernieling, huisvredebreuk en het enteren van schepen.
Het College is evenals de accountantskamer van oordeel dat de Vereniging niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvaarding van de opdracht van SGC een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde als bedoeld in artikel 20 van de VGBA tot de conclusie zou brengen dat daardoor een bedreiging van het zich houden aan de fundamentele beginselen ontstaat. Uit de door de Vereniging overgelegde publicaties en het jaarverslag van SGC blijkt niet dat SGC niet-statutaire doelen nastreeft en ook niet dat SGC systematisch strafbare feiten pleegt. Dat actievoerders van de in diverse landen gevestigde lokale organisaties (de zogenoemde NRO’s, zie 1.2) in het kader van de door hen georganiseerde demonstraties en activiteiten soms worden opgepakt of aangehouden in verband met (vermeende) strafbare feiten, is onvoldoende om SGC als een criminele organisatie te bestempelen of als een organisatie waarvan de accountant de opdracht om de jaarrekening te controleren had behoren te weigeren. SGC verricht weliswaar coördinerende en ondersteunende taken voor de NRO’s, maar, zoals hierna onder 3.10 wordt overwogen, is het College van oordeel dat de Vereniging onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen concluderen dat SGC een overheersende zeggenschap heeft over de NRO’s. Op die grond kan SGC dan ook niet verantwoordelijk worden gehouden voor of worden vereenzelvigd met de acties van de NRO’s of de lokale actievoerders. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Klachtonderdeel b1: de jaarrekening is niet door alle bestuursleden ondertekend
De Vereniging heeft aangevoerd dat de accountant, toen zij haar goedkeurende verklaring afgaf, niet beschikte over een versie van de jaarrekening die gelijktijdig door alle bestuursleden van SGC was ondertekend. De Vereniging trekt daaruit de conclusie dat één van de bestuursleden haar goedkeuring aan de jaarrekening heeft onthouden en stelt dat de accountant de jaarrekening niet van een goedkeurende verklaring mocht voorzien.
De accountant heeft verklaard dat zij de bespreking van de jaarrekening door het bestuur heeft bijgewoond. Die bespreking vond vanwege de coronapandemie online plaats. Haar is toen gebleken dat alle bestuursleden zich in de jaarrekening konden vinden. Toen zij haar goedkeurende verklaring afgaf, was er inderdaad nog één bestuurslid dat de jaarrekening op dat moment nog niet fysiek had ondertekend. Het definitieve, gepubliceerde exemplaar van de jaarrekening is wel door alle bestuursleden ondertekend.
Het College is van oordeel dat uit de door de accountant geschetste gang van zaken, die door de Vereniging niet is betwist, niet blijkt dat één van de bestuursleden haar goedkeuring aan de jaarrekening heeft onthouden. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Klachtonderdeel b2: de jaarrekening is in het Engels opgemaakt
De Vereniging heeft aangevoerd dat de accountant heeft verklaard dat de jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met titel 9 van boek 2 BW. Artikel 362 van Boek 2 BW bepaalt dat de jaarrekening in het Nederlands moet worden opgesteld. Ook uit artikel 10 van Boek 2 BW en uit artikel 11 van de statuten van SGC volgt volgens de Vereniging dat de jaarrekening in het Nederlands moet worden opgesteld, omdat in die beide artikelen is bepaald dat een balans en een staat van baten en lasten moet worden opgemaakt (en niet een “statement of financial position” en een “statement of income and expenditure”). Nu de jaarrekening niet in de Nederlandse taal is opgesteld, had de accountant niet mogen verklaren dat deze voldoet aan titel 9 van boek 2 BW.
De accountant heeft erop gewezen dat het op grond van het zevende lid van artikel 362 van Boek 2 BW mogelijk is om de jaarrekening in een andere taal op te stellen, namelijk als de algemene vergadering daartoe besluit. Omdat SGC een internationale organisatie is waarbinnen op internationaal niveau hoofdzakelijk in het Engels wordt gecommuniceerd, is de jaarrekening in het Engels opgesteld. Nu SGC een stichting is, die geen orgaan als de algemene vergadering kent, is het besluit om de jaarrekening in het Engels op te stellen door het bestuur van SGC genomen. Het College acht de opstelling van de accountant op dit punt niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Klachtonderdeel b3: de jaarrekening geeft geen inzicht
Dit klachtonderdeel omvat meerdere verwijten. De Vereniging heeft aangevoerd dat de jaarrekening geen inzicht geeft omdat de consolidatiekring niet juist is vastgesteld, de rechtsgeldigheid van de ANBI-status (algemeen nut beogende instelling) niet is beoordeeld, de jaarrekening ten onrechte is gebaseerd op de veronderstelling van continuïteit en de gebeurtenissen na balansdatum niet zijn meegenomen, de gebruikte verslaggevingsstandaard ongeschikt is, de jaarrekening niet voldoet aan RJ 650 en de benaming van de gecontroleerde staten niet eenduidig is.
Naar aanleiding van het verwijt dat de NRO’s in de geconsolideerde jaarrekening begrepen hadden moeten worden, heeft de accountant op de zitting bij de accountantskamer toegelicht dat de NRO’s zelfstandige entiteiten zijn met een eigen bestuur en een eigen begroting. SGC deelt niet in de resultaten van de NRO’s. De NRO’s zijn niet financieel afhankelijk van SGC. Zij werven donateurs, betalen contributie aan SGC en sturen een afgevaardigde naar de deelnemersraad. De contributiebedragen die SGC van de NRO’s ontvangt, wendt zij aan om de NRO’s “grants” (subsidies) toe te kennen voor projecten. Ook worden “grants” toegekend aan NRO’s die minder inkomsten uit donaties hebben dan andere NRO’s. De “grants” worden vastgesteld op basis van een driejarenplan dat moet worden goedgekeurd door de deelnemersraad. Volgens de accountant is er geen centrale leiding of zeggenschap van SGC over de NRO’s. Gelet op deze toelichting, die door de Vereniging niet is weersproken, is de accountantskamer de Vereniging niet gevolgd in haar stelling.
De Vereniging heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de door haar ingediende stukken geen andere conclusie toelaten dan dat SGC door middel van de Council, de International Board en de International Executive Director (IED) de centrale leiding uitoefent over de organisatie waarvan alle NRO’s deel uitmaken en daarop overwegende, nagenoeg absolute, invloed uitoefent. De stukken waarop de Vereniging zich in dit verband beroept, zijn de rechten van SGC op de naam Greenpeace, de rechten op de internetdomeinen, het beheer van de internetsites, de license agreements, de bepalingen over de deelnemers (de NRO’s) in de statuten van SGC, de bepalingen in de Rules of Procedure (RoP) over de nationale/regionale Executive Directors, de in de RoP opgenomen plicht dat de NRO’s 80% van hun middelen aan het wereldwijde plan moeten besteden, de in de RoP opgenomen vereiste goedkeuring van de planning van de NRO’s door de IED van SGC, de in de RoP opgenomen conformiteitseis en het Greenpeace International Annual Report 2020.
Het College is van oordeel dat uit de door de Vereniging genoemde stukken weliswaar blijkt dat SGC invloed kan uitoefenen op de gang van zaken binnen de NRO’s, maar dat is onvoldoende om te kunnen concluderen dat SGC een overheersende zeggenschap over de NRO’s kan uitoefenen of daarover de centrale leiding heeft. De Vereniging is in haar betoog onvoldoende ingegaan op het feit dat de NRO’s zelfstandige juridische entiteiten zijn met een grote autonomie. Dit brengt het College tot de conclusie dat de Vereniging onvoldoende heeft onderbouwd dat de NRO’s zodanig organisatorisch en economisch met SGC zijn verbonden dat deze in de geconsolideerde jaarrekening begrepen hadden moeten worden.
Naar aanleiding van het verwijt over de ANBI-status heeft de accountantskamer in 5.23 van de tuchtuitspraak een onderscheid gemaakt tussen de controlewerkzaamheden die nodig zijn als het gaat om enerzijds wet- en regelgeving die van directe invloed is op de vaststelling van bedragen en in financiële overzichten opgenomen toelichtingen van materieel belang (standaard 250, paragraaf 6, onder a) en anderzijds wet- en regelgeving die niet van directe invloed is op de vaststelling van de bedragen en in financiële overzichten opgenomen toelichtingen, maar waarvan het naleven van fundamenteel belang kan zijn voor de operationele aspecten van het bedrijf (standaard 250, paragraaf 6, onder b). Volgens de accountantskamer heeft de Vereniging niet aannemelijk gemaakt dat de regelgeving met betrekking tot de ANBI-status voor SGC van materieel belang is. De accountant kon daarom volstaan met het uitvoeren van gespecificeerde controlewerkzaamheden ter bevordering van het identificeren van niet-naleving van wet- en regelgeving die een invloed van materieel belang kan hebben op de financiële overzichten (zie standaard 250, paragraaf 7). De accountantskamer heeft hiertoe overwogen dat de inkomsten van SGC in 2020 voor ongeveer 95% uit contributies van buitenlandse NRO’s bestonden voor wie de ANBI-status van SGC niet relevant is en dat de accountant heeft getoetst of SGC in 2020 aan de ANBI-voorwaarden voldeed, waaronder de voorwaarde dat ten minste 90% algemeen nuttig is besteed, en dat er geen aanwijzing was dat de belastingdienst de ANBI-status mogelijk ter discussie zou stellen.
In hoger beroep heeft de Vereniging aangevoerd dat de inkomsten van SGC in 2020 slechts voor 87% uit bijdragen van de buitenlandse NRO’s bestonden.
Het College is van oordeel dat ook als slechts 87% van de inkomsten van SGC in 2020 uit bijdragen van de buitenlandse NRO’s bestonden, het mogelijk niet voldoen aan de ANBI-voorwaarden geen fundamentele invloed heeft op de activiteiten van SGC. Dit betekent dat de accountant mocht volstaan met de controlewerkzaamheden die zij heeft verricht.
Op de zitting heeft de Vereniging gewezen op de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 28 maart 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1296), waaruit volgens haar volgt dat alleen directe uitgaven aan andere ANBI-instellingen gelden als bestedingen ten behoeve van het algemeen nut. Het College is van oordeel dat uit de door de Vereniging genoemde uitspraak niet volgt dat de betalingen door SGC in de vorm van “grants” aan de NRO’s niet als algemeen nuttige bestedingen kunnen worden aangemerkt. Die uitspraak gaat namelijk over de aftrekbaarheid voor de inkomstenbelasting van giften die door een donateur zijn gedaan aan ANBI- instellingen, maar niet over de eisen waaraan een ANBI-instelling (en haar bestedingen) moet(en) voldoen om haar ANBI-status te behouden. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Voor wat betreft de verwijten dat de jaarrekening ten onrechte is gebaseerd op de veronderstelling van continuïteit en dat de accountant in de accountantsverklaring aandacht had moeten besteden aan voorvallen die na de balansdatum hebben plaatsgevonden, heeft de Vereniging verwezen naar de door haar ingediende klacht, de ingediende stukken over de volgens haar door Greenpeace gepleegde strafbare feiten en haar pleitnota. Uit die stukken blijkt dat de Vereniging doelt op de volgende voorvallen die na de balansdatum zijn voorgevallen, namelijk de “aanslag op een vliegtuig” (5 maart 2021, Parijs) en de “aanslag op een voetbalstadion” (15 juni 2021, Duitsland). Het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer dat de Vereniging niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar bedoelde voorvallen een bedreiging vormden voor de continuïteit van SGC en ook niet dat die voorvallen hadden moeten leiden tot een aanpassing of een toelichting in de jaarrekening. Zoals hiervoor in 3.3 is overwogen, is wat de Vereniging heeft aangevoerd onvoldoende om SGC als een criminele organisatie te bestempelen. Ook is niet gebleken dat het OM de ontbinding van SGC zou nastreven. Dit betekent dat er op het moment van het afgeven van de accountantsverklaring op 24 juni 2021 geen gerede twijfel bestond over de mogelijkheid van SGC om haar continuïteit te handhaven. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
De Vereniging heeft in hoger beroep haar verwijt gehandhaafd dat de International Financial Reporting Standards for Small and Medium-sized Entities (IFRS for SMEs) een ongeschikte verslaggevingsstandaard is en ook het verwijt dat de jaarrekening en het jaarverslag in strijd zijn met RJ 650, omdat niet inzichtelijk wordt waar het geld vandaan komt, hoe het aan het statutaire doel is besteed en in hoeverre het doel is gerealiseerd. De Vereniging wijst erop dat SGC een fondsenwervende instelling is, zodat RJ 650 in acht genomen dient te worden.
Het College is van oordeel dat SGC niet als een fondsenwervende instelling kan worden aangemerkt. Zoals hiervoor in 3.11 is overwogen, bestaan haar inkomsten (uitgaande van het jaar 2020) voor (minimaal) 87% uit bijdragen (contributies) van de buitenlandse NRO’s. Ook is hiervoor in 3.10 overwogen dat de NRO’s niet zodanig met SGC zijn verbonden dat deze in de geconsolideerde jaarrekening van SGC begrepen hadden moeten worden. Dit betekent dat RJ 650, waarin regels staan voor fondsenwervende organisaties, niet op SGC van toepassing is. Het College is evenals de accountantskamer van oordeel dat de Vereniging niet heeft onderbouwd dat de IFRS for SMEs ongeschikt is voor het opstellen van de geconsolideerde jaarrekening van SGC. De Vereniging heeft in dit verband gewezen op twee artikelen van ACCA (Association of Chartered Certified Accountants) met de titels: “Foreword from IASB” en “IFRS for SMEs-based not-for-profit guide to financial reporting”. Het College is van oordeel dat uit die artikelen niet blijkt dat de IFRS for SMEs een ongeschikte verslaggevingsstandaard is voor SGC. Uit die artikelen volgt namelijk dat de IFRS for SMEs, hoewel niet specifiek voor non-profitorganisaties geschreven, ook door non-profitorganisaties kan worden gebruikt. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
De Vereniging heeft in hoger beroep ook haar klacht gehandhaafd dat de bewoordingen die de accountant in haar verklaring heeft gebruikt niet geheel overeenstemmen met de bewoordingen in de financiële overzichten zelf. Het College is met de accountantskamer van oordeel dat voldoende duidelijk is op welke financiële overzichten de accountantsverklaring betrekking heeft. Het College acht het gebruik door de accountant van iets andere benamingen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Op p. 9 van de hogerberoepsgronden voert de Vereniging terecht aan dat de accountantskamer ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het subklachtonderdeel dat de enkelvoudige jaarrekening in strijd met artikel 10 van Boek 2 BW en artikel 11, eerste lid, van de statuten van SGC is opgesteld met gebruikmaking van de vereenvoudigingsmogelijkheid van artikel 402 van Boek 2 BW. Het College ziet echter geen aanleiding om hieraan gevolgen te verbinden, omdat ook in hoger beroep niet duidelijk is geworden waarom SGC in dit geval geen gebruik mocht maken van artikel 402 van Boek 2 BW voor het opstellen van de enkelvoudige jaarrekening. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Klachtonderdeel b4: ten onrechte geconcludeerd dat het bestuursverslag consistent is met de jaarrekening en geen onwaarheden bevat
Onder dit klachtonderdeel vallen meerdere verwijten, namelijk dat het voeren van de naam Greenpeace International misleidend is, dat het jaarverslag misleidend is, omdat er met name verslag wordt gedaan van activiteiten van entiteiten die niet in de consolidatie zijn begrepen, dat de doelstellingen die in het bestuursverslag worden vermeld niet overeenkomen met het statutaire doel van SGC, dat het misleidend is dat er in de accountantsverklaring en in het bestuursverslag een schijn van dualiteit tussen het bestuur en de International Executive Director (IED) wordt gewekt door te vermelden dat de IED verantwoordelijk is voor het opstellen van de jaarrekening, dat het bestuur de jaarrekening slechts goedkeurt, en dat het bestuur ten onrechte drie gevolmachtigden in het handelsregister heeft ingeschreven terwijl het bestuur daartoe niet bevoegd is.
Het College is met de accountantskamer van oordeel dat, nu de naam Greenpeace International in het handelsregister is opgenomen als een handelsnaam van SGC, het gebruik van de naam Greenpeace International in de jaarrekening van SGC niet misleidend is. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Dat er in het jaarverslag van SGC ook verslag wordt gedaan van activiteiten van NRO’s, acht het College niet onlogisch en ook niet misleidend, omdat SGC coördinerende en ondersteunende taken voor de NRO’s verricht en het werk aan de centrale doelstelling van SGC – het bevorderen van natuurbehoud –, naar het College begrijpt, vooral plaatsvindt door middel van de activiteiten van die NRO’s.
In het kader van haar verwijt dat de doelstellingen, die in het bestuursverslag worden vermeld, niet overeenkomen met het statutaire doel van SGC, heeft de Vereniging in hoger beroep aangevoerd dat controversiële doelstellingen, zoals het afschaffen van kernenergie en het bevorderen van ontwapening geen algemeen nuttige doeleinden zijn. De Vereniging acht het verder onbegrijpelijk dat de miljoenenbedragen die zijn uitgegeven aan “oil”, “food” en “good life” als uitgaven ten behoeve van natuurbehoud worden beschouwd. Ook onderwerpen als het bevorderen van vrouwenrechten, LHBTQ-rechten, bestrijden van racisme, die door de voorzitter van SGC als de beleidsspeerpunten worden genoemd, kunnen volgens de Vereniging niet onder de doelstelling van het bevorderen van natuurbehoud worden begrepen.
Het College overweegt het volgende. Op p. 4 van het Annual Financial Report 2020 is onder meer vermeld:
“Greenpeace’s goal is to ensure the ability of Earth to nurture life in all its diversity.
Therefore, we strive to:
• Protect biodiversity in all its forms
• Prevent pollution and abuse of the Earth’s ocean, land, air and fresh water
• End all nuclear threats
• Promote peace, global disarmament and non-violence.”
En
“Greenpeace is an independent campaigning network which uses non-violent, creative confrontation to expose global environmental problems and to force solutions which are essential to a green and peaceful future.”
In de geconsolideerde jaarrekening, op p. 36 van het Annual Financial Report 2020, zijn onder “campaigns” uitgaven vermeld voor “oceans”, “forests”, “food”, “good life”, “climate and energy” en “oil”.
Op p. 7 en 9 van het Greenpeace International Annual Report 2020 is een voorwoord opgenomen van de voorzitter van het bestuur en van de IED van SGC waarin zij onder meer ingaan op de kwetsbaarheid van vrouwen, arme mensen, LHBTQI+, mensen van kleur en inheemse bevolking, bij zowel de coronapandemie als natuurrampen.
De voorzitter merkt onder meer op
“The pandemic which shaped our lives last year brought into sharper focus many systematic inequalities. (…) These needs are denied millions of people in both the global north and the global south. It is women, poor, Black, Indigenous and People of Colour and LGBTQI+ communities who are excluded and who have been most heavily impacted by the pandemic. As I look back at 2020, I also remember the millions of people who lived through the worst bushfires, floods, droughts, windstorms and heatwaves on record, while the pandemic raged. Many of them are still living with that devastation. Those most vulnerable to the pandemic are also those most vulnerable to climate impacts - an effect of the same interweaving of economic exploitation, sexism, racism, colonial history and other systems which marginalize and exclude, which place individuals and communities in positions of vulnerability.The natural disasters in 2020 have had a profound impact on families. It is estimated that 40 million more children, youth and adults were displaced that year – the highest annual figure in a decade. Of this, three quarters had to move due to floods, storms and wildfires, with people in East Asia and the Pacific region most impacted.
These are just a small fraction of the people who are living on the frontline of the climate emergency and the biodiversity crisis. We know that climate justice cannot be achieved without social justice and the people-power to change political, economic, social and cultural environments to sustain all of us with equity within natural environment boundaries.”
en zij roept op tot samenwerking met andere organisaties.
De IED stelt in haar voorwoord onder meer:
“We have much to learn. We are listening to our allies to understand how we can be better partners and followers; how we can be actively anti-racist in our work and how we can expose and remove the inherent racism in climate change. Systemic inequality is part of the same broken system that exploits people and the earth alike.”
Het College is van oordeel dat uit de stellingen van de Vereniging niet volgt dat er in het Annual Financial Report 2020 of het Greenpeace International Annual Report 2020 doelstellingen worden genoemd die evident strijdig zijn met het statutaire doel van SGC. Uit de enkele verwijzing naar de namen van de campagnes “oil”, “food” en “good life” volgt niet dat het om campagnes gaat die niet vallen onder natuurbehoud (in ruime zin). Het College is verder met de accountantskamer van oordeel dat ontwapening, afschaffing van kernenergie en het bevorderen van vrede, mede gelet op de visie van SGC in het jaarverslag over haar doelstellingen, wel degelijk onder de doelstelling van natuurbehoud van SGC kunnen worden gerekend. Dat SGC binnen haar eigen organisatie en ook in de samenwerking met andere organisaties aandacht heeft voor kwetsbare personen en dat SGC van mening is dat die kwetsbare personen het meest te lijden hebben van natuurrampen en dat het voor het beheersen van het klimaat nodig is om ook actie te nemen op politiek, economisch, sociaal en cultureel gebied betekent evenmin dat SGC evident buiten haar doelstelling opereert. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Wat het verwijt betreft over de vermelding in de accountantsverklaring dat de IED verantwoordelijk is voor het opstellen van de jaarrekening en daarbij in beginsel moet uitgaan van de veronderstelling van continuïteit, is het College van oordeel dat dit geen afbreuk doet aan de (eind)verantwoordelijkheid van het bestuur voor de jaarrekening, zoals ook is vermeld in artikel 11, eerste lid, van de statuten van SGC. Het bestuur heeft de jaarrekening ook ondertekend. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Wat betreft het verwijt dat het bestuur ten onrechte drie gevolmachtigden in het handelsregister heeft ingeschreven, is het College evenals de accountantskamer van oordeel dat het bestuur van SGC op grond van artikel 8, vierde lid, onder g, van de statuten van SGC bevoegd was om gemachtigden aan te wijzen. Anders dan de Vereniging meent, wordt de mogelijkheid om op grond van artikel 8, vierde lid, onder g, van de statuten van SGC gemachtigden aan te wijzen niet begrensd door wat er is vermeld in artikel 8, derde lid, van de statuten van SGC over de vertegenwoordiging van SGC door het bestuur. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Klachtonderdeel c: de accountant heeft ten onrechte ingestemd met de openbaarmaking van haar verklaring
In hoger beroep heeft de Vereniging aangevoerd dat zelfs als de accountantsverklaring een deugdelijke grondslag heeft, de accountant niet mag instemmen met openbaarmaking in samenhang met andere stukken die onjuiste of misleidende informatie bevatten. Omdat het Annual Financial Report 2020 en het Greenpeace International Annual Report 2020 volgens de Vereniging onjuiste of misleidende informatie bevatten over de doelstellingen van SGC en over de verantwoordelijkheden van het bestuur van SGC, had de accountant volgens de Vereniging niet mogen instemmen met de openbaarmaking van haar verklaring.
Aangezien de hogerberoepsgronden van de Vereniging over de onjuiste of misleidende informatie in het Annual Financial Report 2020 en het Greenpeace International Annual Report 2020 geen doel treffen, faalt ook de hogerberoepsgrond dat de accountant niet had mogen instemmen met de openbaarmaking van haar verklaring.
Betrouwbaarheid verklaringen accountant
Op p. 20 van het hogerberoepschrift heeft de Vereniging de betrouwbaarheid van de verklaringen van de accountant in de stukken en ter zitting ter discussie gesteld, omdat die verklaringen volgens de Vereniging in twee gevallen onjuist of inconsistent zijn gebleken. Het eerste geval ziet op verklaringen over het toetsen of SGC aan de ANBI-voorwaarden voldoet. Het College heeft op dit punt echter geen onjuistheid of inconsistentie kunnen vaststellen. In nr. 27 van het verweerschrift in eerste aanleg is vermeld dat de accountant bij het management inlichtingen heeft ingewonnen over het naleven door SGC van de ANBI-voorwaarden. Dat zij op de zitting bij de accountantskamer heeft verklaard dat zij heeft getoetst of SGC aan de ANBI-voorwaarden voldoet, is daarmee niet in strijd. Het tweede geval ziet op verklaringen over een al dan niet gemaakt onderscheid tussen gebonden en ongebonden middelen, baten en lasten. Het College acht een eventuele niet-consistente verklaring op dit punt niet relevant, omdat deze kwestie in hoger beroep niet aan de orde is.In de door de Vereniging gegeven voorbeelden ziet het College hoe dan ook geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de accountant in de stukken en ter zitting te twijfelen.
Slotsom
De accountant heeft verzocht om het hoger beroep van de Vereniging ongegrond te verklaren en, met verbetering van de gronden van de accountantskamer, te oordelen dat de onterechte verwijzing naar artikel 362, negende lid, van Boek 2 BW (hierna: verwijzing) en de onterechte vermelding dat de IFRS for SMEs is ‘adopted by the EU’ (hierna: vermelding) niet tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn. Met verwijzing naar jurisprudentie in andere vrije beroepen, voert zij aan dat niet ieder foutje of elke verschrijving tuchtrechtelijk verwijtbaar is.
Op dat verzoek van de accountant zal het College niet ingaan, omdat zij geen hoger beroep tegen de uitspraak van de accountantskamer heeft ingesteld.
Nu de accountant geen hoger beroep tegen de uitspraak van de accountantskamer heeft ingesteld en de hiervoor genoemde hogerberoepsgronden van de Vereniging niet slagen, is de conclusie dat alleen het klachtonderdeel dat de geconsolideerde jaarrekening door de in 3.25 bedoelde verwijzing en vermelding onvoldoende inzicht geeft, gegrond is.
De Vereniging heeft in hoger beroep aangevoerd dat voor dit gegrond verklaarde klachtonderdeel een maatregel behoort te worden opgelegd, omdat er in dit geval geen wettelijke basis is voor het niet opleggen van een maatregel.
Het College overweegt, met verwijzing naar haar uitspraak van 10 maart 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:84), dat de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) ertoe strekt dat bij (gedeeltelijke) gegrondverklaring van een klacht, waaraan immers het oordeel vooraf gaat dat de betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, in beginsel een maatregel wordt opgelegd. Van dit beginsel kan worden afgeweken, maar dit dient beperkt te blijven tot gevallen waarin sprake is van een zodanig geringe verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van een accountant of waarin de verwijtbare gedraging anderszins van zodanig geringe betekenis is, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval, dat oplegging van een maatregel niet is aangewezen. Het College is evenals de accountantskamer van oordeel dat hier sprake is van een dergelijk geval. De vermelding en de verwijzing zijn weliswaar niet juist, omdat in dit geval de verslaggevingsstandaard IFRS for SMEs is toegepast die niet valt onder artikel 362, achtste lid, van Boek 2 BW en ook niet is vastgesteld (“adopted”) door de Europese Commissie. Maar de IFRS for SMEs -die een vereenvoudiging is van de door de Europese Commissie vastgestelde IFRS/IAS- is wel uitdrukkelijk als de toegepaste verslaggevingsstandaard genoemd in de geconsolideerde jaarrekening en in de accountantsverklaring, waardoor een misverstand bij de gebruiker over de toegepaste verslaggevingsstandaard die het gevolg is van de vermelding of de verwijzing onwaarschijnlijk is. Het College vindt de verwijtbare gedraging daarom van zodanig geringe betekenis dat het opleggen van een maatregel niet is aangewezen.
De slotsom is dat het hoger beroep van de Vereniging ongegrond is.
De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.
Beslissing
Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. M.M. Smorenburg en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
De voorzitter is verhinderd w.g. J.M.M. Bancken
deze uitspraak mede te ondertekenen.