COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats 1] (maatschap)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 25/699
(gemachtigde: drs. [naam 2] )
en
(gemachtigden: mr. C. Zieleman en mr. M. Leegsma)
Procesverloop
Op 9 juli 2024 heeft de maatschap de minister verzocht om een ontheffing van het fosfaatrechtenstelsel te verlenen op grond van artikel 38, tweede lid, van de Meststoffenwet (Msw).
Met het besluit van 22 januari 2025, nader gemotiveerd op 6 juni 2025, (afwijzingsbesluit) heeft de minister het ontheffingsverzoek afgewezen.
Met het besluit van 17 juli 2025 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de maatschap tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard.
De maatschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 18 februari 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1 De maatschap heeft gevraagd om een ontheffing van het fosfaatrechtenstelsel voor het produceren van 196,1 kilogram (kg) extra fosfaat. Het College oordeelt dat de minister dit verzoek mocht afwijzen en legt hieronder uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.
Aanleiding voor deze procedure
De maatschap beschikt op grond van de uitspraak van het College van 6 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:669) over 3.134,4 kg fosfaatrecht. Bij uitspraak van 9 augustus 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:519) heeft het College het beroep van de maatschap tegen de afwijzing van haar verzoek om van dat besluit terug te komen ongegrond verklaard.
De maatschap heeft vervolgens het ontheffingsverzoek ingediend. Hierin verzoekt zij om een ontheffing van het fosfaatrechtenstelsel voor het produceren van fosfaat voor de 14 stuks jongvee die zij blijkens de rundveestaat op 22 april 2015 meer hield dan op 2 juli 2015.
Voor de afwijzing van dat verzoek verwijst de minister naar de uitspraak van het College van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:230). Vanwege de te late besluitvorming heeft de minister de maatschap een dwangsom van € 1.442,- toegekend.
Standpunten van partijen
Volgens de maatschap heeft het College in zijn uitspraak van 26 maart 2024 niet geoordeeld over het ontheffingsverzoek dat ziet op het hogere aantal jongvee dat zij op 22 april 2015 ten opzichte van de peildatum van 2 juli 2015 hield. Daarom kan de minister niet volstaan met een verwijzing naar die uitspraak. De minister heeft nagelaten in zijn belangenafweging haar persoonlijke omstandigheden, zoals hoge financieringskosten, expliciet te betrekken. De maatschap beschikte sinds 1993 over een vergunning voor het houden van 90 stuks melkvee en 16 pinken, zodat in april 2015 geen sprake was van een uitbreiding. De minister heeft ook dit gegeven ten onrechte niet meegenomen in de belangenafweging.
De situatie vóór 2015 is niet relevant, want de maatschap heeft haar bedrijfsvoering pas aangepast door het jongvee (deels) uit te scharen, nadat zeker was dat het melkquotum met ingang van 1 april 2015 zou vervallen. Dat uitscharen gaf de ruimte voor 5 melkkoeien. Het omschakelen was geen ondernemerskeuze, maar een door de afschaffing van het melkquotum afgedwongen beslissing die achteraf gezien ingrijpend uitpakte, omdat de maatschap op 1 juli 2015 nog niet over het vervangende melkvee beschikte. Dat kon niet doordat de financiering ervoor en de verlenging van de vergunning eind juni 2015 nog niet rond waren.
De maatschap stelt dat ze in de loop van de tijd een behoorlijk bedrag aan melkomzet is misgelopen en verzoekt het College haar ten laste van de minister een schadevergoeding van € 25.000,- toe te kennen.
Verder maakt de maatschap op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht aanspraak op een tegemoetkoming van de kosten van rechtsbijstand die zij heeft moeten maken in verband met haar aanvraag om ontheffing, het instellen van beroep tegen het uitblijven van een beslissing op die aanvraag en haar bezwaar.
4 De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zijn stellingen zullen, voor zover nodig, hierna bij de beoordeling van de beroepsgronden worden besproken.
Beoordeling door het College
Ontheffingsverzoek
De maatschap heeft eerder op 18 mei 2022 al verzocht om een ontheffing van het fosfaatrechtenstelsel op grond van artikel 38, tweede lid, van de Msw. De minister heeft dit verzoek met het besluit van 10 augustus 2022 afgewezen. Het verzoek betrof een ontheffing van het fosfaatrechtenstelsel voor het houden van 90 stuks melkvee en 16 stuks jongvee. Over die kwestie heeft het College op 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:230) uitspraak gedaan en daarbij, voor zover van belang, het volgende overwogen, waarbij voor “ [naam 3] ” de maatschap moet worden gelezen:
“6.3 De mogelijkheid om een ontheffing te verlenen […] is een discretionaire bevoegdheid van de minister. Het College toetst de toepassing daarvan gelet op de beroepsgronden aan het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Daarin staat dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Er moet dus een belangenafweging gemaakt worden.
[…]
De minister hanteert als uitgangspunt dat hij alleen in zeer uitzonderlijke situaties gebruikt maakt van de bevoegdheid om een ontheffing te verlenen […]. Naar het oordeel van het College is dit uitgangspunt in het algemeen geschikt en noodzakelijk om het doel dat de minister beoogt en dat gediend wordt met het fosfaatrechtenstelsel, te bereiken. […]
Het College vindt het besluit ook evenwichtig. De minister heeft, anders dan [naam 3] betoogt, de evenredigheid betrokken bij de besluitvorming en de belangen van [naam 3] afgewogen tegen het algemeen belang. Het gegeven dat [naam 3] door de toegekende fosfaatrechten minder dieren kan houden dan toegestaan volgens haar vergunning is inherent aan het fosfaatrechtenstelsel en is ook al aan de orde gekomen in de uitspraak van 6 oktober 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:669), onder 6.6.8, over de hoeveelheid aan [naam 3] toegekende fosfaatrechten. Ook over het uitgeschaarde jongvee heeft het College in die uitspraak een oordeel gegeven (onder 6.3.2). Vervolgens heeft het College in het kader van het verzoek om terug te komen van de fosfaatrechtbesluitvorming (uitspraak van 9 augustus 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:519)) geoordeeld dat [naam 3] aan haar verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag had gelegd en dat zij geen bijzondere feiten of omstandigheden heeft gesteld die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de minister in dit geval minder belang moet toekennen aan de rechtszekerheid dan aan het (financiële) belang van [naam 3] . Van een evidente onredelijkheid was naar het oordeel van het College dan ook geen sprake. Wat [naam 3] aanvoert, maakt niet dat in het kader van haar ontheffingsverzoek en de daarbij te verrichten belangenafweging anders geoordeeld zou moeten worden. Van een uitzonderlijk geval is geen sprake.”
Die overwegingen gelden ook voor de (handhaving van de) afwijzing van het ontheffingsverzoek in deze zaak. Het beroep, dat in zoverre in essentie een herhaling van zetten is, slaagt daarom niet.
Verzoek om schadevergoeding
6 Over het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige besluitvorming als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overweegt het College als volgt. Het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit is het afwijzingsbesluit (en daarmee de handhaving van het fosfaatrecht van 3.134,4 kg). Nu niet is komen vast te staan dat het afwijzingsbesluit onrechtmatig is, wordt niet voldaan aan de wettelijke eisen voor de toewijzing van het verzoek om schadevergoeding.
Proceskostenvergoeding
Artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) bepaalt dat een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend betrekking kan hebben op de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De gemachtigde heeft haar onderneming voor rechtsbijstand met ingang van 4 maart 2025, één dag voordat de minister het bezwaarschrift had ontvangen, beëindigd en uit het handelsregister uitgeschreven. Dit betekent, met betrekking tot de gevraagde proceskostenvergoeding voor de bezwaarprocedure, dat er geen sprake meer is van een beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De maatschap komt alleen al daarom niet in aanmerking voor een proceskostenvergoeding voor de bezwaarprocedure.
Wat betreft de door de maatschap van de minister gevraagde proceskostenvergoeding in verband met het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op haar ontheffingsverzoek overweegt het College als volgt. Als, zoals in geval van de maatschap, een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen kan de rechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Het verzoek moet tegelijk met de intrekking van het beroep worden gedaan. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb. De maatschap had dus destijds bij de intrekking van het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op haar ontheffingsverzoek bij het College moeten verzoeken om vergoeding van de proceskosten. De maatschap kan dat in deze procedure niet meer aan het College voorleggen.
Slotsom
Het College zal het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren en het verzoek om schadevergoeding afwijzen.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
R.C. Stam w.g. H. Caglayankaya
De voorzitter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.