COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige van 7 april 2026 op het beroep van:
[naam] , te [woonplaats] (taxichauffeur)
enhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college van b en w)
uitspraak
zaaknummer: 24/209
(gemachtigde: mr. M.I. L’Ghdas),
(gemachtigde: mr. M. ten Doesschate)
Procesverloop
Met het besluit van 6 juli 2023 heeft het college van b en w een last onder dwangsom aan de taxichauffeur opgelegd wegens overtreding van artikel 2.3 van de Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening).
Met het besluit van 9 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het college van b en w het bezwaar van de taxichauffeur ongegrond verklaard.
De taxichauffeur heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college van b en w heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 26 februari 2026. Aan de zitting hebben de taxichauffeur en de gemachtigde van het college van b en w deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
De Taxiverordening vindt haar wettelijke grondslag in artikel 82b van de Wet personenvervoer 2000 (Wp 2000). Op grond van artikel 82c van de Wp 2000, in samenhang gelezen met artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is het college van b en w bevoegd tot handhaving van de in de Taxiverordening gestelde verplichtingen door oplegging van een last onder dwangsom.
Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening is het een chauffeur verboden om zonder taxivergunning van het college van b en w taxivervoer aan te bieden op de in bijlage I bij de Taxiverordening aangegeven delen van de openbare weg. Volgens die bijlage I gaat het daarbij onder meer om het gebied binnen de Ring A10 van Amsterdam.
In een door een toezichthouder van de gemeente Amsterdam op ambtsbelofte opgemaakt rapport van bevindingen van 31 mei 2023 staat, voor zover hier van belang, het volgende.
“[…]Ik [naam en functie toezichthouder], verklaar het volgende:
Bevindingen
Op vrijdag 5 mei 2023, omstreeks 10:35 uur bevond ik mij, in uniform gekleed en met een taxicontrole belast op de openbare weg, Stationsplein 30 te Amsterdam.
Ik, [naam toezichthouder], zag aldaar en op dat moment een taxi voertuig, voorzien van het kenteken […], merk […] en […] van kleur.
[…]
Waarneming taxivoertuig
Ik, [naam toezichthouder], reed op het Stationsplein toen ik in de verte ter hoogte van het Ibis hotel een taxivoertuig zag staan. Ik nam positie in ter hoogte van fietstunnel waardoor ik zicht kon pakken op het voornoemde voertuig. Aldaar en op dat moment zag ik dat het voertuig stapvoets zonder enige aanleiding in de richting van het station reed. Ik zag dat het voertuig enkele keren midden op de weg zijn voertuig tot stilstand bracht zonder aanleiding. Ik zag dat het voertuig vervolgens voor de voetgangers oversteekplaats bleef stilstaan, ik zag dat er geen verkeer aan het oversteken was waardoor er geen aanleiding was om voor het voetgangersoversteekplaats stil te staan. Ik zag dat het voertuig voor een afstand van ongeveer 100 meter ongeveer 4 minuten deed.
[…]
Ik, [naam toezichthouder], hield het voornoemde voertuig in de gaten op afstand gedurende 4 minuten. Ik zag dat er gedurende de waarnemingstijd geen activiteiten plaatsvonden rondom het taxivoertuig.
Ik zag dat het taxivoertuig wel blauwe kentekenplaten voerde.
Ik zag dat het taxivoertuig geen TTO taxi betrof, ik heb namelijk geen TTO taxxxi vergunning waargenomen achter de voorruit, evenmin als een TTO taxxxi dak bord.
Ik zag dat het taxivoertuig wel een dak bord voerde met de tekst "TAXI".
[…]
Plaats van overtreding
Op voornoemde plaats van overtreding bevond zich een doorgaande weg, was er geen parkeermogelijkheid en geen voorzieningen die het stilstaan en/of parkeren rechtvaardigde zonder een beoogd doel ten behoeven van onmiddellijk ophalen (laden) of afzetten (lossen) van klanten of anderszins. […]”
Het college van b en w heeft op basis van het rapport van bevindingen vastgesteld dat de taxichauffeur op 5 mei 2023 taxivervoer op de opstapmarkt aanbood zonder de daartoe vereiste vergunning. Om het opnieuw aanbieden van taxivervoer op de opstapmarkt zonder taxivergunning te voorkomen, heeft het college van b en w de taxichauffeur met het besluit van 6 juli 2023 een last onder dwangsom opgelegd van € 5.500,- per overtreding met een maximum van € 27.750,- voor iedere keer dat de taxichauffeur op of na 7 juli 2023 taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt aanbiedt zonder geldige vergunning (last onder dwangsom).
Met het bestreden besluit heeft het college van b en w het bezwaar van de taxichauffeur, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard.
Standpunten van partijen
2 De taxichauffeur voert – samengevat weergegeven – het volgende aan. Hij heeft artikel 2.3 eerste lid van de Taxiverordening niet overtreden, omdat hij geen taxivervoer heeft aangeboden. De toezichthouder geeft aan dat hij niet heeft waargenomen dat er daadwerkelijk taxivervoer werd aangeboden. Hij heeft geen personen in de buurt van het voertuig gezien. Het enkele feit dat langzaam werd gereden is niet voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de Taxiverordening is overtreden en is als grondslag niet toereikend voor het opleggen van een last onder dwangsom. De taxichauffeur doet in dit verband een beroep op de uitspraak van het College van 8 februari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:67). Verder reed hij op de bewuste dag weliswaar met een verlaagde snelheid, maar dit deed hij slechts om voorrang te kunnen verlenen aan overstekende voetgangers en om de veiligheid te kunnen waarborgen in een drukke omgeving. Hij heeft niemand aangesproken en heeft nergens daadwerkelijk stilgestaan. Er is kortom geen sprake van uiterlijke kenmerken waaruit kan volgen dat hij taxivervoer heeft aangeboden. De omstandigheden die in het rapport van bevindingen worden genoemd, zijn hiertoe niet toereikend. Het college van b en w gaat uit van een te ruime uitleg van het begrip ‘het aanbieden van taxivervoer’.
3 Het college van b en w heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Beoordeling door het College
Het College is, in lijn met zijn uitspraak van 10 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:140) van oordeel dat, wanneer een taxichauffeur met een als taxi herkenbare auto stilstaat op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plaats in Amsterdam, zonder dat hij op dat moment bezig is met het ophalen (laden) of afzetten (lossen) van klanten die bij hem een taxirit hebben besteld, dat de conclusie rechtvaardigt dat hij daar taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt. Deze aanname kan door de taxichauffeur slechts worden weerlegd door aannemelijk te maken dat hij daar staat ter uitvoering van een bij hem bestelde taxirit dan wel dat hij daar staat als gevolg van overmacht, zoals bijvoorbeeld autopech. Indien de taxichauffeur stelt dat hij daar om andere redenen staat dan voor laden en lossen, bijvoorbeeld om op zijn telefoon te kijken of om op een oproep voor een taxirit te wachten, helpt dat hem niet, omdat dan ervan mag worden uitgegaan dat hij taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt, zoals dat er overigens voor omstanders en handhavers van de gemeente Amsterdam ook uitziet. De taxichauffeur die op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande laad- en losplaats staat, zonder bezig te zijn met een bestelde taxirit, riskeert dan ook niet alleen een boete voor verkeerd parkeren of stilstaan op een plaats waar dat niet mag, maar ook dat hem een last onder dwangsom wordt opgelegd of dat hij als gevolg van een opgelegde last een dwangsom verbeurt. Het College gaat er daarbij met het college van b en w van uit dat algemeen bekend is of mag worden verondersteld, zeker bij taxichauffeurs in Amsterdam, welke plaatsen bekend staan als illegale opstapplaatsen voor taxi’s. Dat zijn in ieder geval de weggedeeltes waar niet geparkeerd mag worden, zoals laad- en losplaatsen, in het hele centrum van Amsterdam en vierentwintig uur per dag, bijvoorbeeld in de buurt van het Centraal Station of hotels.
Verder is het vaste rechtspraak van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 december 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:736 onder 4.2)) dat een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
In wat de taxichauffeur aanvoert, ziet het College geen aanknopingspunt voor de conclusie dat de bevindingen van de toezichthouder in het rapport van bevindingen onjuist zijn en dat het college van b en w in zijn besluitvorming daarvan niet mocht uitgaan. De stelling van de taxichauffeur dat hij met een verlaagde snelheid reed om voorrang te kunnen verlenen aan overstekende voetgangers en om de veiligheid te kunnen waarborgen in een drukke omgeving is in strijd met de bevindingen van de toezichthouder, zodat het College de taxichauffeur daarin niet volgt. De toezichthouder heeft immers geconstateerd dat het voertuig stapvoets zonder enige aanleiding in de richting van het station reed, dat het voertuig enkele keren midden op de weg tot stilstand werd bracht zonder aanleiding en dat het voertuig vervolgens voor de voetgangers oversteekplaats bleef stilstaan, terwijl er geen verkeer aan het oversteken was waardoor er geen aanleiding was om voor de voetgangersoversteekplaats stil te staan.
Afgemeten aan het hiervoor onder 4.1 weergegeven beoordelingskader, is het College met het college van b en w van oordeel dat de taxichauffeur op 5 mei 2023 zonder vergunning taxivervoer heeft aangeboden op de opstapmarkt. De taxichauffeur bracht zijn als taxi herkenbare auto enkele keren midden op de weg zonder aanleiding tot stilstand. Hij deed dit op het Stationsplein te Amsterdam, een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande locatie. Anders dan de taxichauffeur aanvoert, kan de feitelijke situatie zoals aan de orde in de door hem genoemde uitspraak van het College van 8 februari 2022, niet op één lijn worden gesteld met de feitelijke situatie als hier aan de orde.
Uit het voorgaande volgt dat de taxichauffeur artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening heeft overtreden. Het college van b en w was daarom bevoegd de last onder dwangsom op te leggen. De taxichauffeur heeft de aanwending van die bevoegdheid door het college van b en w niet (gemotiveerd) bestreden.
5 Het beroep is ongegrond. Het college van b en w hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
A. Venekamp J.R. Willemstein