COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 op de beroepen van:
[naam] , te [woonplaats] (chauffeur)
enhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college van b en w)
uitspraak
zaaknummers: 23/1781, 24/344 en 24/831
(gemachtigde: mr. M. van Viegen)
(gemachtigde: mr. M. ten Doesschate)
Procesverloop
23/1781
Met het besluit van 15 maart 2023 (invorderingsbesluit I) heeft het college van b en w de chauffeur meegedeeld dat hij niet heeft voldaan aan de last onder dwangsom van 28 februari 2019 en dat het college van b en w daarom een verbeurde dwangsom van in totaal € 5.550,- invordert.
Met het besluit van 15 maart 2023 (invorderingsbesluit II) heeft het college van b en w de chauffeur meegedeeld dat hij niet heeft voldaan aan de last onder dwangsom van
28 februari 2019 en dat het college van b en w daarom een verbeurde dwangsom van in totaal € 5.550,- invordert.
Met het besluit van 21 augustus 2023 (bestreden besluit I) heeft het college van b en w de bezwaren van de chauffeur tegen de invorderingsbesluiten I en II ongegrond verklaard.
De chauffeur heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I.
Het college van b en w heeft een verweerschrift ingediend.
24/344
Met het besluit van 13 november 2023 (invorderingsbesluit III) heeft het college van b en w de chauffeur meegedeeld dat hij niet heeft voldaan aan de last onder dwangsom van 28 februari 2019 en dat het college van b en w daarom een verbeurde dwangsom van in totaal € 5.550,- invordert.
Met het besluit van 5 maart 2024 (bestreden besluit II) heeft het college van b en w het bezwaar van de chauffeur tegen het invorderingsbesluit III ongegrond verklaard.
De chauffeur heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II.
Het college van b en w heeft een verweerschrift ingediend.
24/831
Met het besluit van 13 februari 2024 (invorderingsbesluit IV) heeft het college van b en w de chauffeur meegedeeld dat hij niet heeft voldaan aan de last onder dwangsom van
28 februari 2019 en dat het college van b en w daarom een verbeurde dwangsom van in totaal € 5.550,- invordert.
Met het besluit van 15 augustus 2024 (bestreden besluit III) heeft het college van b en w het bezwaar van de chauffeur tegen invorderingsbesluit IV ongegrond verklaard.
De chauffeur heeft tegen het bestreden besluit III beroep ingesteld.
Het college van b en w heeft een verweerschrift ingediend.
Alle zaken
De zitting was op 26 februari 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
De Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening) vindt haar wettelijke grondslag in artikel 82b van de Wet personenvervoer 2000 (Wp 2000). Op grond van artikel 82c van de Wp 2000, in samenhang gelezen met artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is het college van b en w bevoegd tot handhaving van de in de Taxiverordening gestelde verplichtingen door oplegging van een last onder dwangsom.
Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening is het een chauffeur verboden om zonder taxivergunning van het college van b en w taxivervoer aan te bieden op de in bijlage I bij de Taxiverordening aangegeven delen van de openbare weg. Volgens die bijlage I gaat het daarbij onder meer om het gebied binnen de Ring A10 van Amsterdam.
Met het besluit van 28 februari 2019 heeft het college van b en w aan de chauffeur een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2.3 van de Taxiverordening. Die last houdt in dat als de chauffeur vanaf 1 maart 2019 taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt aanbiedt zonder vergunning, hij een dwangsom moet betalen van € 5.550,- per overtreding, met een maximum van € 27.750,-. Dit besluit staat in rechte vast.
Met het besluit van 9 juni 2020 heeft het college van b en w de chauffeur meegedeeld dat hij niet heeft voldaan aan de last onder dwangsom van 28 februari 2019 en dat het college van b en w daarom een verbeurde dwangsom van in totaal € 5.550,- invordert. Hiertegen heeft de chauffeur bezwaar gemaakt. Met het besluit van 18 september 2020 heeft het college van b en w dat bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft de chauffeur beroep ingesteld. Met de uitspraak van 12 oktober 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:932) heeft het College dat beroep ongegrond verklaard.
23/1781
In een door toezichthouders van de gemeente Amsterdam op ambtsbelofte opgemaakt rapport van bevindingen van 15 december 2022 staat, voor zover hier van belang, het volgende.
“[…]Ik [naam toezichthouder 1] […] en ik [naam toezichthouder 2] […].
Bevindingen
Wij, verbalisanten, bevonden ons op zaterdag 10 december 2022, omstreeks 23:58 uur, in uniform gekleed, op de openbare weg, Stationsplein ter hoogte van perceel 47A te Amsterdam.
Wij, verbalisanten, zagen daar een taxi, voorzien van het kenteken […], merk […] en kleur […]. Het taxivoertuig voerde geen kenmerken van een Toegelaten Taxi Organisatie, hierna genoemd TTO van de gemeente Amsterdam.
[…]
Wij, verbalisanten, stonden met onze dienstvoertuig op de Prins Hendrikkade ter hoogte perceel 33A. Wij hadden zicht op het Stationsplein. Wij zagen op het Stationsplein ter hoogte van perceel 47A het genoemde taxivoertuig stilstaan op de rijbaan. Wij zagen geen ontheffing in het voertuig. Wij zagen dat een manspersoon aankwam lopen naar het taxivoertuig. Wij konden niet zien en horen of er gesproken werd tussen de manspersoon en de bestuurder. Wij zagen dat de manspersoon in het taxivoertuig instapte. De manspersoon stapte achterin achter de passagiersstoel. Wij zagen dat het genoemde voertuig begon te rijden in de richting van de Prins Hendrikkade ter hoogte van perceel 20 a. Wij verbalisanten, reden voor het taxivoertuig en hadden volgteken aangezet om de bestuurder staande te houden. […]
Ik, eerste verbalisant, liep naar de bestuurder en vroeg of de bestuurder besteld was. De bestuurder gaf aan dat hij niet besteld was.
Ik, tweede verbalisant, liep naar de manspersoon die achterin zat en vroeg of de manspersoon de bestuurder bestel had. De manspersoon verklaarde: “Ik wou een taxi nemen en vroeg hem om of hij mij naar huis wilt brengen, de taxichauffeur zei: Oke”.[…]”
1.5.2 Het college van b en w heeft op basis van het rapport van bevindingen vastgesteld dat de chauffeur op 10 december 2022 taxivervoer op de opstapmarkt aanbood zonder de daartoe vereiste vergunning. Naar aanleiding hiervan heeft het college van b en w aan de chauffeur meegedeeld dat de aan hem opgelegde dwangsom is verbeurd tot een bedrag van € 5.550,- en dat hij dit bedrag moet betalen voor 21 januari 2023.
1.5.3 Omdat de chauffeur niet binnen de gegeven termijn de dwangsom heeft betaald, heeft het college van b en w het verbeurde bedrag met het invorderingsbesluit I ingevorderd.
1.6.1 In een door toezichthouders van de gemeente Amsterdam op ambtsbelofte opgemaakt rapport van bevindingen van 20 december 2022 staat, voor zover hier van belang, het volgende.
“[…]Ik [naam toezichthouder 1] […] en ik [naam toezichthouder 2] […] verklaren het volgende.
Bevindingen
Wij, toezichthouders […], bevonden ons, op zaterdag 17 december 2022, omstreeks 21.59 uur, in uniform gekleed op de openbare weg, op het Stationsplein ter hoogte van perceelnummer 49.
Wij, toezichthouders, zagen daar een taxi, voorzien van het kenteken […], merk […] en kleur
[…]. Het taxivoertuig voerde geen kenmerken van een Toegelaten Taxi Organisatie, hierna genoemd TTO van de gemeente Amsterdam. Op het dak van het taxivoertuig zag ik, een daklicht met het woord "TAXI".
Wij, toezichthouders, zagen voor ons het genoemde taxivoertuig geparkeerd staan op het Stationsplein ter hoogte van perceel nummer 21 op het trottoir. […] Wij, toezichthouders, zagen duidelijk dat de doorgang voor dit taxivoertuig vrij was en dat hij door niets of door niemand werd belemmerd en of gehinderd werd om zijn weg aldaar te vervolgen. […]
Ik, toezichthouder, [naam toezichthouder 2] liep omstreeks 22:04 uur naar de chauffeur van dit taxivoertuig toe en vroeg hem waarom hij hier stilstond op het trottoir en niet elders in een parkeerplek. Ik hoorde de chauffeur tegen mij zeggen: "Ik was bezig met mijn telefoon". Ik deelde de chauffeur mede dat het niet was toegestaan om op deze plek stil te staan omdat hij in overtreding was. Ik vroeg aan de chauffeur of hij was besteld voor een taxirit om dit tijdstip en op deze locatie en of hij mij dat kon aantonen. Ik hoorde de chauffeur tegen mij zeggen: "Nee ik ben niet besteld".
Ik, toezichthouder, [naam toezichthouder 1] vroeg aan deze chauffeur of ik op het beeldscherm van zijn boardcomputer mocht kijken en hierop zag ik in dit taxivoertuig als laatste vermelding staan: "20:50 uur klant zoeken".
[…]
Het college van b en w heeft op basis van het rapport van bevindingen vastgesteld dat de chauffeur op 17 december 2022 taxivervoer op de opstapmarkt aanbood zonder de daartoe vereiste vergunning. Naar aanleiding hiervan heeft het college van b en w aan de chauffeur meegedeeld dat de aan hem opgelegde dwangsom is verbeurd tot een bedrag van € 5.550,- en dat hij dit bedrag moet betalen voor 28 januari 2023.
Omdat de chauffeur niet binnen de gegeven termijn de dwangsom heeft betaald, heeft het college van b en w het verbeurde bedrag met het invorderingsbesluit II ingevorderd.
Met het bestreden besluit I heeft het college van b en w, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, de bezwaren tegen de invorderingsbesluiten I en II ongegrond verklaard en deze invorderingsbesluiten gehandhaafd.
24/344
In een door een toezichthouder van de gemeente Amsterdam op ambtsbelofte opgemaakt rapport van bevindingen van 26 oktober 2023 staat, voor zover hier van belang, het volgende.
“[…]Ik [naam toezichthouder] […] verklaar het volgende.
Bevindingen
Ik, [naam toezichthouder] bevond mij op zaterdag 21 oktober 2023, omstreeks 01.50 uur,
in uniform gekleed op de openbare weg, Stationsplein ter hoogte van perceelnummer 49. […]
Ik, toezichthouder, zag daar een taxi, voorzien van het kenteken […], merk […] en kleur
[…]. Het taxivoertuig voerde geen kenmerken van een Toegelaten Taxi Organisatie, hierna genoemd TTO van de gemeente Amsterdam. Ik, zag op het taxivoertuig een daklicht met de tekst “TAXI". Het taxivoertuig voerde tevens blauwe kentekenplaten.
[…]
Ik, zag dat de betrokkene zijn voertuig keerde om vervolgens het voertuig op het trottoir te zetten op het Stationsplein ter hoogte van perceelnummer 47 A.
Ik, heb de chauffeur waargenomen om omstreeks 01.54 uur, tot en met 02.01 uur heb ik, geen activiteiten waargenomen in en rond het taxivoertuig. Tevens zag ik, geen klanten in of uit het taxivoertuig stappen. Ik, heb de genoemde chauffeur derhalve 7 minuten waargenomen.
Omstreeks 02.01 uur reed ik, op mijn opvallende dienstmotor in de richting van de chauffeur en vroeg hem: “wat is de reden dat u hier staat”. Ik, zag en hoorde de chauffeur zeggen: “weet ik eigenlijk ook niet.”. Ik, vroeg vervolgens aan de chauffeur of hij een bestelde rit had. Ik, zag en hoorde de chauffeur zeggen “nee ik ben nog vrij”.
[…] Chauffeur heeft niet aannemelijk kunnen maken dat er sprake was van taxivervoer op de bel- of contractmarkt, dan wel dat hij zich op de voornoemde locatie bevond met een ander doel dan het aanbieden van taxivervoer.
Ik, hoorde de chauffeur zeggen “ik heb auto pech”. Op het dashboard van het taxivoertuig zag ik, geen motorlampje branden daarnaast reed de betrokkene zonde enig probleem na de staandehouding weg van de vernoemde locatie. […]”
Het college van b en w heeft op basis van het rapport van bevindingen vastgesteld dat de chauffeur op 21 oktober 2023 taxivervoer op de opstapmarkt aanbood zonder de daartoe vereiste vergunning. Naar aanleiding hiervan heeft het college van b en w aan de chauffeur meegedeeld dat de aan hem opgelegde dwangsom is verbeurd tot een bedrag van € 5.550,- en dat hij dit bedrag moet betalen voor 1 december 2023.
Omdat de chauffeur niet binnen de gegeven termijn de dwangsom heeft betaald, heeft het college van b en w het verbeurde bedrag met het invorderingsbesluit III ingevorderd. Met het bestreden besluit II heeft het college van b en w, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar tegen invorderingsbesluit III ongegrond verklaard en dit invorderingsbesluit gehandhaafd.
24/831
In een door een toezichthouder van de gemeente Amsterdam opgemaakt rapport van bevindingen van 3 februari 2024 staat, voor zover hier van belang, het volgende.
“[…]Naar aanleiding van mijn controle bevond ik, rapporteur, het volgende:
“Op zaterdag 3 februari 2024 omstreeks 05.30 uur bevond ik, rapporteur, mij in uniform gekleed en met surveillance belast, op de openbare weg, Vijzelstraat te Amsterdam, ter hoogte van de Reguliersdwarsstraat.
[…]
Ik, rapporteur, zag dat de bestuurder van genoemd taxivoertuig zijn taxivoertuig liet stilstaan
op een laad en losplaats, welke was aangeduid middels bord E7. Ik nam geen laad, danwel
losactiviteit waar.
[…]
Ik, rapporteur, sprak de betrokkene aan. Ik vroeg de betrokkene wat de reden was, dat hij zich
ophield op genoemde locatie. De betrokkene gaf aan dat hij net vijf minuten op genoemde
locatie geparkeerd stond. Ik zag namelijk dat de bestuurder zich met een taxivoertuig, welke
was voorzien van een blanco daklicht, voorzien van de tekst “taxi”, geparkeerd stond op het
Koningsplein. Ik nam geen laad, danwel losactiviteit waar. De bestuurder kon mij niet aantonen dat hij zich aldaar ophield ter uitvoering van een vooraf bestelde rit.
Desgevraagd gaf de betrokkene mij, rapporteur, aan dat hij zich niet ophield teneinde een
vooraf bestelde rit uit te voeren. Desgevraagd kon de betrokkene niet aantonen dat hij zich op
genoemde locatie ophield ter uitvoering van een vooraf bestelde rit.
[…]”
Het college van b en w heeft op basis van het rapport van bevindingen vastgesteld dat de chauffeur op 3 februari 2024 taxivervoer op de opstapmarkt aanbood zonder de daartoe vereiste vergunning. Naar aanleiding hiervan heeft het college van b en w aan de chauffeur meegedeeld dat de aan hem opgelegde dwangsom is verbeurd tot een bedrag van € 5.550,- en dat hij dit bedrag moet betalen voor 15 maart 2024.
Omdat de chauffeur niet binnen de gegeven termijn de dwangsom heeft betaald, heeft het college van b en w het verbeurde bedrag met het invorderingsbesluit IV ingevorderd. Met het bestreden besluit III heeft het college van b en w, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar tegen invorderingsbesluit IV ongegrond verklaard en dit invorderingsbesluit gehandhaafd.
Standpunten van partijen
2 De chauffeur voert – samengevat weergegeven – het volgende aan. De motivering in de bestreden besluiten is onvoldoende om die besluiten te dragen. De invorderingsbesluiten berusten op een onzorgvuldig onderzoek en zijn gebrekkig gemotiveerd. Anders dan waarvan het college van b en w uitgaat, heeft de chauffeur niet als doel gehad om taxivervoer aan te
bieden. Het college van b en w heeft niet het bewijs geleverd dat sprake was van het aanbieden van taxivervoer. Zo was de taximeter niet in werking en is er geen overeenkomst van opdracht gesloten met de klant. De chauffeur heeft aannemelijk gemaakt dat hij ter plaatse met een ander doel dan het aanbieden van taxivervoer aanwezig was. Verder heeft het college van b en w ten onrechte de dwangsommen niet ingetrokken op grond van de persoonlijke financiële situatie van de chauffeur. Uit niets blijkt dat hij inkomsten zou genereren als taxichauffeur, terwijl uit een door de kantonrechter gewezen vonnis in een huurzaak van de chauffeur blijkt dat er een fors bedrag aan achterstallige huurpenningen
is bij gekomen. Deze moeten worden opgeteld bij de al bestaande schuldenberg van de chauffeur.
3 Het college van b en w heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Beoordeling door het College
Het College is, in lijn met zijn uitspraak van 10 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:140), van oordeel dat wanneer een taxichauffeur met een als taxi herkenbare auto stilstaat op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plaats in Amsterdam, zonder dat hij op dat moment bezig is met het ophalen (laden) of afzetten (lossen) van klanten die bij hem een taxirit hebben besteld, dat de conclusie rechtvaardigt dat hij daar taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt. Deze aanname kan door de taxichauffeur slechts worden weerlegd door aannemelijk te maken dat hij daar staat ter uitvoering van een bij hem bestelde taxirit dan wel dat hij daar staat als gevolg van overmacht, zoals bijvoorbeeld autopech. Indien de taxichauffeur stelt dat hij daar om andere redenen staat dan voor laden en lossen, bijvoorbeeld om op zijn telefoon te kijken of om op een oproep voor een taxirit te wachten, helpt dat hem niet, omdat dan ervan mag worden uitgegaan dat hij taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt, zoals dat er overigens voor omstanders en handhavers van de gemeente Amsterdam ook uitziet. De taxichauffeur die op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande laad- en losplaats staat, zonder bezig te zijn met een bestelde taxirit, riskeert dan ook niet alleen een boete voor verkeerd parkeren of stilstaan op een plaats waar dat niet mag, maar ook dat hem een last onder dwangsom wordt opgelegd of dat hij als gevolg van een opgelegde last een dwangsom verbeurt. Het College gaat er daarbij met het college van b en w van uit dat algemeen bekend is of mag worden verondersteld, zeker bij taxichauffeurs in Amsterdam, welke plaatsen bekend staan als illegale opstapplaatsen voor taxi’s. Dat zijn in ieder geval de weggedeeltes waar niet geparkeerd mag worden, zoals laad- en losplaatsen, in het hele centrum van Amsterdam en vierentwintig uur per dag, bijvoorbeeld in de buurt van het Centraal Station of hotels.
Verder is het vaste rechtspraak van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 december 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:736 onder 4.2)) dat een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
In wat de chauffeur aanvoert, ziet het College geen aanknopingspunt voor de conclusie dat de bevindingen van de toezichthouders in de onderscheidenlijke rapporten van bevindingen onjuist zijn en dat het college van b en w in zijn besluitvorming daarvan niet mocht uitgaan.
Afgemeten aan het hiervoor onder 4.1 weergegeven beoordelingskader, is het College met het college van b en w van oordeel dat de chauffeur op 10 december 2022, 17 december 2022, 21 oktober 2023 en 3 februari 2024 zonder vergunning taxivervoer heeft aangebodenop de opstapmarkt. De chauffeur heeft zijn als taxi herkenbare auto op die data geparkeerd op locaties die bekend staan als illegale opstapplaatsen voor taxi’s. In wat de chauffeur aanvoert, is niet aannemelijk geworden dat hij daar stond ter uitvoering van een bij hem bestelde taxirit dan wel dat hij daar stond als gevolg van overmacht, zoals bijvoorbeeld autopech.
Dit betekent dat de chauffeur de opgelegde last onder dwangsom op 10 december 2022, 17 december 2022, 21 oktober 2023 en 3 februari 2024 heeft overtreden en dwangsommen heeft verbeurd. Bij een besluit over het invorderen van een verbeurde dwangsom weegt het belang van de invordering zwaar. Als dat anders zou zijn, zou het opleggen van een dwangsom niet bijdragen aan een effectieve handhaving. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Bijzondere omstandigheden zijn in deze zaak niet gesteld of gebleken. Het college van b en w heeft gebruik mogen maken van zijn bevoegdheid om de dwangsommen in te vorderen. Bij het feitelijk incasseren van de dwangsommen kan rekening worden gehouden met de draagkracht van degene die moet betalen, bijvoorbeeld met een betalingsregeling.
5 De beroepen zijn ongegrond. Het college van b en w hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
w.g. A. Venekamp w.g. J.R. Willemstein