ECLI:NL:CBB:2026:16

ECLI:NL:CBB:2026:16, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20-01-2026, 22/1659

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 20-01-2026
Datum publicatie 20-01-2026
Zaaknummer 22/1659
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Wet dieren. Kostenverhaal spoedbestuursdwang. In rekening gebrachte kosten zijn redelijk en terecht. Beroep ongegrond.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats 1]

(gemachtigde: mr. W.G.N.M. van Caam )

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

uitspraak

zaaknummer: 22/1659

(gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal)

en

met als derde partij

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)

Procesverloop

Met het besluit van 10 maart 2022 heeft de minister de kosten van spoedbestuursdwang (primair besluit) ter hoogte van € 527,38 op [naam 1] verhaald.

Met het besluit van 25 juli 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen ingestelde bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard.

[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister en [naam 1] hebben nadere stukken ingediend.

De zitting was op 20 november 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van [naam 1] en de gemachtigde van de minister. Namens de minister is ook

[naam 2] , toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) verschenen.

[naam 1] heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het College de Staat als partij aangemerkt.

Overwegingen

Inleiding

Op 3 februari 2021 hebben twee toezichthouders van de NVWA een inspectie uitgevoerd bij [naam 1] . Tijdens de inspectie is geconstateerd dat [naam 1] ten aanzien van enkele varkens de voorschriften van de Wet dieren had overtreden. Omdat [naam 1] niet ter plaatse verscheen en telefonisch niet beschikbaar was, is vanwege de spoedeisendheid van de situatie spoedbestuursdwang toegepast. Daartoe is op 3 februari 2021 contact opgenomen met een praktiserend dierenarts die ter plaatse is gekomen. De bevindingen van de toezichthouder zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 10 februari 2021. Met het besluit van

16 februari 2021 heeft de minister de beslissing tot toepassing van spoedbestuursdwang op schrift gesteld. Tegen dit besluit heeft [naam 1] geen bezwaar of beroep ingesteld waardoor het besluit onherroepelijk is.

Bij brief van 21 mei 2021 is [naam 1] door de minister geïnformeerd over het voornemen om de kosten van spoedbestuursdwang te verhalen. [naam 1] is uitgenodigd om een zienswijze in te dienen. Van die mogelijkheid heeft [naam 1] geen gebruik gemaakt. Met het besluit van 10 maart 2022 heeft de minister de dierenartskosten ter hoogte van € 527,38 op [naam 1] verhaald. Tegen dit besluit heeft [naam 1] bezwaar gemaakt.

Met het besluit van 25 juli 2022 heeft de minister het bezwaarschrift van [naam 1] ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is het beroep van [naam 1] gericht.

Standpunten van partijen

[naam 1] is het niet eens met de hoogte van de kosten die op hem worden verhaald. De factuur van de dierenarts vermeldt verschillende kostenposten. Zo blijkt eruit dat het bezoek ter plaatse 49 minuten in beslag nam (van 14:53-14:42 uur), terwijl in totaal 145 minuten zijn gefactureerd. Daarnaast bevat de factuur een aparte post voor de visite, een kilometervergoeding en een reistijdvergoeding. Volgens [naam 1] wordt de gespendeerde tijd daardoor dubbel berekend: als reistijd en als werktijd. Het is niet redelijk om reistijd als gewerkte tijd te rekenen. Ook had de minister de reistijd en de daarmee gemoeide reiskosten moeten beperken. Door een dierenarts uit [woonplaats 2] te laten komen, is hieraan niet voldaan. De minister heeft op die manier de belangen van [naam 1] niet of onvoldoende meegewogen.

De minister meent dat het besluit op goede gronden is genomen. De in rekening gebrachte kosten zijn redelijk en terecht.

Beoordeling door het College

Wettelijk kader

3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Zijn de verhaalde dierenartskosten redelijk en juist?

Het College oordeelt dat de door de minister verhaalde kosten niet onredelijk zijn. Hieronder legt het College uit hoe het tot dit oordeel komt.

Artikel 5:25, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de toepassing van bestuursdwang gebeurt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

Ten aanzien van de keuze van de dierenarts overweegt het College als volgt. Volgens de minister is bij de keuze voor een dierenarts het belang van [naam 1] wel degelijk meegewogen, maar woog het belang van de zieke varkens zwaarder. Op de zitting heeft de toezichthouder verklaard dat altijd eerst aan de eigenaar/houder van de dieren wordt gevraagd of de eigen dierenarts ingeschakeld kan worden. Pas als hij of zij dat niet wil, wordt een dierenarts in de omgeving ingeschakeld. Dat is hier ook geprobeerd, maar [naam 1] was niet bereikbaar. Op de zitting heeft de toezichthouder toegelicht dat wel degelijk een dierenartsenpraktijk in de directe nabijheid is gebeld. Deze praktijk beschikte echter niet over een in varkens gespecialiseerde dierenarts. Wel had de praktijk een samenwerkingsverband met een praktijk in [woonplaats 2] . Daar was een in varkens gespecialiseerde dierenarts werkzaam. Deze dierenarts was bereid dezelfde middag (binnen een uur) naar de varkens te komen kijken. Op de zitting heeft de toezichthouder verklaard dat hij op dat moment het belang van de varkens voorrang heeft gegeven. Er is voor gekozen om niet meer tijd te verdoen met het bellen van andere dierenartsen in de omgeving, maar te gaan voor de zekerheid dat er binnen een uur een dierenarts ter plaatse kon zijn om het lijden van de varkens te beperken. Naar het oordeel van het College is daarmee een juiste afweging gemaakt. Vaststaat dat sprake was van spoed: een van de varkens was zeer ernstig ziek. Het dier is door de dierenarts, toen die eenmaal ter plaatse was, geëuthanaseerd. Dat sprake was van spoed kan overigens niet meer worden betwist omdat [naam 1] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de spoedbestuursdwang. Op de zitting heeft de minister er tot slot op gewezen dat er wel verschillende dierenartsen in de omgeving van [naam 1] zijn gevestigd, maar dat dit niet betekent dat het in varkens gespecialiseerde dierenartsen zijn. De eigen dierenarts van [naam 1] zit ook niet in de buurt, maar in [woonplaats 3] ( [provincie] ). Vanwege de nodige spoed is het College van oordeel dat het inschakelen van een dierenarts uit [woonplaats 2] , niet onredelijk was. Naar het oordeel van het College is het belang van [naam 1] bij die keuze ook wel degelijk meegewogen, maar mocht de minister voorrang geven aan het belang van de zieke varkens.

Ten aanzien van de hoogte van de kosten overweegt het College als volgt. De minister heeft met een factuur inzichtelijk gemaakt welke kosten in verband met de spoedbestuursdwang zijn gemaakt. De in rekening gebrachte tijd heeft betrekking op reistijd, tijd ter plaatse en de tijd gemoeid met het opstellen van het verslag. Ook een kilometervergoeding en visite-kosten staan op de factuur uitgesplitst. De kilometervergoeding, de tijd ter plaatse en de tijd gemoeid met het verslag worden door [naam 1] als zodanig niet betwist. Het gaat om de samenloop tussen reistijd en gewerkte tijd. Naar het oordeel van het College heeft het oordeel in 4.3 dat het niet onredelijk is dat de minister een in varkens gespecialiseerde dierenarts uit [woonplaats 2] heeft ingeschakeld, gevolgen voor de redelijkheid van de in rekening gebrachte kosten. De minister heeft op de zitting toegelicht dat deze dierenarts vanwege de spoedeisende situatie bij [naam 1] zijn andere werkzaamheden die middag niet kon verrichten. Het berekenen van de reistijd als gewerkte tijd, komt het College daarom in dit geval niet onredelijk voor. In die tijd kon de dierenarts immers geen andere visites afleggen. Naar het oordeel van het College zijn de met de spoedbestuursdwang gemoeide kosten dan ook niet onredelijk.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

5 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Verzoek tot schadevergoeding vanwege overschrijding redelijke termijn

[naam 1] heeft een verzoek om immateriële schadevergoeding ingediend vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarover overweegt het College als volgt.

Bij de beoordeling van de redelijke termijn dient de duur van de procedure als geheel in aanmerking te worden genomen. In zaken zoals deze geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, tenzij er sprake is van factoren die aanleiding geven een langere behandelingsduur gerechtvaardigd te achten. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het (pro-forma) bezwaarschrift tegen het kostenverhaalsbesluit door het bestuursorgaan. De minister heeft het bezwaarschrift van [naam 1] op 21 april 2022 ontvangen. Op 25 juli 2022 (dus binnen zes maanden) is op het bezwaarschrift beslist. Met de uitspraak van vandaag eindigt de redelijke termijn. De redelijke termijn is met een jaar en negen maanden overschreden. In niet-punitieve zaken, zoals de onderhavige, geldt als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De afronding vindt plaats over de totale fasen gezamenlijk, niet per fase. Dit betekent dat [naam 1] recht heeft op een schadevergoeding van € 2.000,-. De behandeling van het beroep heeft meer dan anderhalf jaar geduurd en is volledig aan het College toe te rekenen.

Slotsom

De beroepsgrond van [naam 1] slaagt niet.

De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt meer dan anderhalf jaar. Om die reden zal het College de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 2.000,- aan [naam 1] .

Nu de overschrijding van de redelijke termijn in zijn geheel is toe te rekenen aan de rechterlijke fase, zal het College de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen in de door [naam 1] in beroep hiervoor gemaakte proceskosten. Het College stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,- (één punt voor het indienen van het verzoek bij het College, met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

Het College:

– verklaart het beroep ongegrond;

– veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan [naam 1] van € 2.000,- aan schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn;

– veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan [naam 1] .

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van A.C.M. Lijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.

w.g. C. de Kruif w.g. A.C.M. Lijten

Bijlage

Wet dieren

Artikel 8.5

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:25, eerste, tweede en zesde lid

1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2. De last vermeldt in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht.

[…]

6. Het bestuursorgaan stelt de hoogte van de verschuldigde kosten vast binnen vijf jaar nadat de bestuursdwang is toegepast.

Artikel 5:31

1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.

2. Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?