ECLI:NL:CBB:2026:164

ECLI:NL:CBB:2026:164

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 17-04-2026
Zaaknummer 24/1033
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK). Subsidie overgemaakt op bankrekening (voormalig) vennoot. De minister heeft het onverschuldigd betaalde voorschot terecht teruggevorderd van de vennootschap. Terugvordering is niet in strijd met evenredigheidsbeginsel. Het handelen van (voormalig) vennoten komt voor rekening van de vennootschap. Beroep ongegrond.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[naam 1] V.O.F., te [vestigingsplaats] (de vennootschap)

de minister van Economische Zaken en Klimaat

uitspraak

zaaknummer: 24/1033

(gemachtigde: mr. H.R. ten Broeke)

en

(gemachtigden: mr. Y. Groen en mr. drs. P.J. Kooiman)

Procesverloop

Met het besluit van 18 juni 2024 heeft de minister de subsidie die aan de vennootschap was verleend op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) vastgesteld op € 397,66 en het betaalde voorschot tot een bedrag van € 7.520,54 van de vennootschap teruggevorderd.

Met het besluit van 30 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de vennootschap ongegrond verklaard.

De vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 20 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de vennootschap en de gemachtigden van partijen.

Overwegingen

Inleiding

De vennootschap bestond tot 1 juli 2023 uit [naam 2] en [naam 3] . Per die datum is [naam 4] uitgetreden.

Op 31 mei 2023 heeft een intermediair voor de vennootschap met een online formulier op grond van de TEK subsidie aangevraagd voor een tegemoetkoming in de energiekosten. In dit formulier is het rekeningnummer van de intermediair vermeld als rekeningnummer waarop de vennootschap de subsidie wenst te ontvangen. Bij de aanvraag zijn stukken gevoegd, waaronder een jaarrekening van de vennootschap over het jaar 2022 en een foto van een bankpas van [naam 4] met een ABN AMRO-rekening eindigend op 704. In het aanvraagformulier zijn de vragen ‘Ik ben bevoegd en/of ik ben gemachtigd om namens deze onderneming deze aanvraag in te dienen’ en ‘Ik ga akkoord met digitale afhandeling van en communicatie rondom deze aanvraag’ met ‘Ja’ beantwoord.

Op 21 en 28 juni 2023 heeft de minister verzocht om aanvullende informatie, waaronder het rekeningnummer van de vennootschap. Op 26 en 28 juni 2023 heeft de intermediair op het verzoek van de minister gereageerd en het (hiervoor vermelde) rekeningnummer van [naam 4] doorgegeven als de bankrekening waarop de vennootschap de subsidie wenst te ontvangen (hierna: de opgegeven bankrekening).

Met het besluit van 14 juli 2023 heeft de minister een subsidie aan de vennootschap verleend tot een bedrag van maximaal € 22.623,4[3]. De minister heeft een voorschot van 35% van dit bedrag – wat neerkomt op € 7.918,20 – overgemaakt naar de opgegeven bankrekening.

Op 28 mei 2024 heeft de intermediair met een online formulier voor de vennootschap een verzoek om vaststelling van de subsidie ingediend. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de minister met het besluit van 18 juni 2024 de subsidie vastgesteld op € 397,66 en het onverschuldigd betaalde voorschot tot een bedrag van € 7.520,54 van de vennootschap teruggevorderd.

Met het bestreden besluit heeft de minister het besluit van 18 juni 2024 gehandhaafd. De minister heeft toegelicht dat de intermediair bevoegd was om namens de vennootschap de subsidie aan te vragen en het vaststellingsverzoek te doen. Omdat de subsidie is verleend aan de vennootschap, kan het onverschuldigd betaalde bedrag ook van haar worden teruggevorderd. Dat de subsidie niet op de bankrekening van de vennootschap of de huidige vennoten terecht is gekomen, is niet aan de minister toe te rekenen. Het handelen van de voormalig medevennoot is voor rekening van de vennootschap.

De vennootschap heeft vervolgens een verzoek gedaan om terug te komen van het besluit van 14 juli 2023. Met het besluit van 5 november 2024 heeft de minister dit verzoek afgewezen omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Volgens de minister is de subsidieaanvraag ingediend door de intermediair die rechtsgeldig is gemachtigd door de voormalig vennoot [naam 4] . Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

Standpunten van partijen

De vennootschap heeft aangevoerd dat er geen grondslag is om het voorschot van haar terug te vorderen, omdat zij de subsidie niet heeft ontvangen. Betaalde voorschotten kunnen alleen worden teruggevorderd van de daadwerkelijke subsidie-ontvanger. Dit volgt uit de rechtspraak van het College (de uitspraak van 13 mei 2015, ECLI:NL:CBB:2015:146) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Verder heeft de vennootschap betoogd dat de minister niet zonder meer had mogen uitgaan van de juistheid van de aangeleverde gegevens. De minister had op het moment van de subsidieverlening moeten weten dat de indiener van de aanvraag geen vennoot (meer) was van de vennootschap. De subsidie is op 14 juli 2023 verleend, terwijl [naam 4] al op 1 juli 2023 is uitgetreden als vennoot. In het besluit van 5 november 2024 heeft de minister erkend dat hij hiervan op de hoogte was. In dit besluit staat namelijk dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Verder wist de minister dat de opgegeven bankrekening niet toebehoorde aan de vennootschap. Dit blijkt uit de in bezwaar overgelegde schermafbeelding van ‘Mijn RvO’, waarin staat dat het rekeningnummer niet op naam staat van de vennootschap en de naam in de KvK wordt gecontroleerd. Die controle heeft echter niet plaatsgevonden. Omdat de minister op de hoogte was van het uittreden van [naam 4] als vennoot en wist dat de opgegeven bankrekening niet toebehoorde aan de vennootschap, had hij de aanvraag moeten weigeren, dan wel nader onderzoek moeten doen. Verder heeft de minister er ten onrechte voor gekozen de communicatie uitsluitend via de online omgeving van ‘Mijn RvO’ te laten verlopen. Dit systeem is namelijk frauduleus gebleken en dat erkent de minister ook.

Voor zover de minister de subsidie van de vennootschap mocht terugvorderen, is de terugvordering volgens de vennootschap in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Duidelijk is dat de subsidie niet terecht is gekomen bij degene voor wie de subsidie is bedoeld en dat de subsidie niet is gebruikt voor het doel waarvoor die is verleend. Verder heeft de minister de bevoegdheid het voorschot rechtstreeks terug te vorderen bij [naam 4] .

3 De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Wettelijk kader

4 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door het College

5 Tussen partijen is niet in geschil dat de minister de subsidie juist heeft vastgesteld op een bedrag van € 397,66. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of de minister terecht het onverschuldigd betaalde voorschot tot een bedrag van € 7.520,54 van de vennootschap heeft teruggevorderd. Het College beantwoordt die vraag bevestigend en licht dit hierna toe.

Bevoegdheid tot terugvordering van de vennootschap

De vennootschap is de aanvrager van de subsidie. De intermediair heeft de subsidie namelijk voor de vennootschap aangevraagd en was hiertoe gemachtigd door [naam 4] , die op het moment van de aanvraag vennoot was. Anders dan de vennootschap heeft betoogd, heeft de minister niet erkend dat het aanvraagsysteem fraudegevoelig is, terwijl het College daarvoor ook anderszins geen aanwijzingen heeft. De vennootschap wordt verder niet gevolgd in haar standpunt dat de minister ten onrechte ervoor heeft gekozen uitsluitend via de (online) omgeving van ‘MijnRvO’ te communiceren. In het aanvraagformulier is namelijk uitdrukkelijk toestemming gegeven voor digitale communicatie over de aanvraag.

De vennootschap is ook de ontvanger van het voorschot. Na de subsidieverlening heeft de minister het voorschot overgemaakt naar de in de aanvraag opgegeven bankrekening. Omdat de vennootschap niet verplicht is om een bankrekening op eigen naam door te geven, geldt de betaling op die bankrekening als een betaling aan de vennootschap. Anders dan de vennootschap heeft betoogd, waren er geen signalen dat de opgegeven bankrekening niet juist was. Daarbij is van belang dat de minister op de zitting heeft verklaard dat hij beschikte over het rekeningnummer van [naam 4] (die op het moment van de aanvraag vennoot was) en een foto van zijn bankpas, zodat hij geen reden had om te twijfelen aan de juistheid van de opgegeven bankrekening. Verder is niet gebleken dat de minister voorafgaand aan de betaling van het voorschot wist dat [naam 4] was uitgetreden als vennoot. Dit blijkt in ieder geval niet uit het besluit van 5 november 2024. Wat de vennootschap heeft aangevoerd over de melding op ‘MijnRvO’ leidt niet tot een ander oordeel. Uit de in bezwaar overgelegde schermafbeelding kan slechts worden afgeleid dat de bankrekening van [naam 4] op enig moment in de (online) omgeving van ‘MijnRvO’ is ingevuld. Dat de melding over het bankrekeningnummer betrekking heeft op de vennootschap is zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, onduidelijk.

Omdat het voorschot dat de vennootschap heeft ontvangen, hoger is dan het bedrag waar de vennootschap recht op heeft, kan de minister het onverschuldigd betaalde deel van het voorschot terugvorderen. Dit volgt uit artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het betoog van de vennootschap onder verwijzing naar rechtspraak van het College en de Afdeling dat betaalde voorschotten alleen kunnen worden teruggevorderd van de daadwerkelijke subsidie-ontvanger, miskent dat de vennootschap zelf de ontvanger is van het voorschot en dat dus van haar kan worden teruggevorderd. De verwijzing van de vennootschap naar de uitspraak van het College van 13 mei 2015 kan haar niet baten, omdat de zaak die tot die uitspraak heeft geleid niet op één lijn kan worden gesteld met deze zaak. In die uitspraak ging het om een betaling van subsidie aan een penvoerder, waarbij het College – kort gezegd – oordeelde dat van de penvoerder niet meer dan zijn deel van het totaal aan onverschuldigd betaalde subsidie kan worden teruggevorderd. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde.

Evenredigheid van de terugvordering

De terugvordering op grond van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb berust op een discretionaire bevoegdheid waarbij een afweging van de betrokken belangen dient te worden gemaakt. Op grond van het evenredigheidsbeginsel, dat is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb mogen de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Om dit te kunnen beoordelen moet de vraag worden beantwoord of het bestreden besluit geschikt en noodzakelijk is om het doel te bereiken en of dat besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is.

In dit geval is het terugvorderen van het onverschuldigd betaalde voorschot een geschikt en noodzakelijk middel om ervoor te zorgen dat de vennootschap niet meer subsidie ontvangt dan waar zij recht op heeft. Het bestreden besluit is ook evenwichtig. Het College begrijpt dat het voor de vennootschap oneerlijk voelt dat zij een bedrag moet terugbetalen dat een voormalig vennoot zou hebben achtergehouden, maar dat maakt de terugvordering niet onevenwichtig. Daarbij is van belang dat het handelen van (voormalig) vennoten voor rekening komt van de vennootschap. Dat zij wegens kosten afziet van een civiele procedure om betaling van het voorschot door [naam 4] te vorderen, betekent niet dat terugvordering door de minister onevenwichtig is. De vennootschap heeft nog gewezen op de ernstige financiële gevolgen van de terugvordering, maar een concrete onderbouwing van die financiële situatie van de vennootschap ontbreekt, terwijl de minister met de vennootschap een betalingsregeling heeft getroffen.

Slotsom

8 Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de vaststelling van de subsidie en de terugvordering van het onverschuldigd betaalde voorschot in stand blijven. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. A. Venekamp en mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M.C. Verviers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.

w.g. M. van Duuren w.g. M.C. Verviers

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:4, tweede lid

2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Artikel 4:31

1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.

2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Artikel 4:46, eerste lid

1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

Artikel 4:95, vierde lid

4. Betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen geldsom. Onverschuldigd betaalde voorschotten kunnen worden teruggevorderd.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.C. Verviers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?