COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] (onderneming)
de minister van Economische Zaken en Klimaat
uitspraak
zaaknummer: 24/986
en
(gemachtigden: mr. drs. P.J. Kooiman en dr. W.A.M. Borst)
Procesverloop
Met het besluit van 12 juni 2024 heeft de minister het verzoek van de onderneming tot wijziging van de einddatum van het project ‘ [naam 1] – MesoPher’ afgewezen. Voor dit project is subsidie verleend op grond van titel 3.9 Innovatiekredieten van de Regeling nationale EZ-subsidies (nu: Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies).
Met het besluit van 18 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 20 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming en de gemachtigden van de minister.
Overwegingen
Inleiding
De onderneming, een biotechnologiebedrijf, heeft op 1 januari 2017 een aanvraag ingediend voor innovatiekrediet voor het project ‘ [naam 1] – MesoPher’. Uit het projectplan blijkt dat er binnen het project wordt gewerkt aan een klinische studie naar de werkzaamheid en veiligheid van MesoPher celtherapie in mesothelioom. Met het besluit van 4 mei 2017 heeft de minister voor het project een innovatiekrediet aan de onderneming verleend van maximaal € 6.196.558,-. Daarin was bepaald dat de looptijd van het project was van 1 januari 2017 tot en met 31 maart 2020. Alleen kosten die gemaakt worden in deze periode komen voor krediet in aanmerking.
De minister heeft de projectperiode op verzoek van de onderneming verlengd tot 30 juni 2020 en daarna tot 31 maart 2021. Op 1 februari 2021 heeft de onderneming opnieuw verzocht om verlenging van de projectperiode. Zij heeft daarbij een gewijzigd projectplan ingediend, waarin staat dat het laatste onderdeel van het project (‘period 4: study report ready’) gepland staat voor de periode van eind december 2022 tot en met maart 2023. Met het besluit van 2 april 2021 heeft de minister het gewijzigde projectplan goedgekeurd en de nieuwe einddatum van het project vastgesteld op 31 maart 2023. Nadat de onderneming in september 2022 melding had gemaakt van teleurstellende resultaten van het project, heeft zij op 30 november 2022 op verzoek van de minister een gewijzigde begroting ingediend. Deze gewijzigde begroting is op 19 december 2022 goedgekeurd. De einddatum van het project is daarin ongewijzigd gebleven.
Op 29 februari 2024 heeft de onderneming de vaststellingsrapportage voor het project ingediend, waarbij zij 30 november 2023 heeft vermeld als einddatum van het project. De minister heeft de vermelding van die datum in de rapportage opgevat als een verzoek tot verlenging van de projectperiode. Met het besluit van 12 juni 2024 heeft de minister dit verzoek afgewezen.
Met het bestreden besluit heeft de minister dit besluit gehandhaafd. De minister heeft toegelicht dat voor verlenging van de projectperiode vooraf om ontheffing moet worden verzocht. Aangezien de onderneming pas met de vaststellingsrapportage van 29 februari 2024 kenbaar heeft gemaakt de einddatum van het project te willen wijzigen, is dit verzoek niet voorafgaand aan de verlengingsperiode gedaan. Hiermee is niet voldaan aan de voorwaarde voor ontheffing op grond van artikel 37, derde lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies (nu: Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies) (Kaderbesluit).
Standpunten van partijen
2 Volgens de onderneming is de oplevering van het ‘study report’ vanaf de start van het project genoemd als het vanzelfsprekende en noodzakelijke einde van de klinische studie. Op 31 maart 2023 werden de resultaten van de klinische studie nog geanalyseerd en was het dus niet mogelijk het ‘study report’ op te leveren. Verder heeft de minister tijdens het project steeds, voorafgaand aan een aankomende deadline, een attenderingsmail gestuurd. Voor de datum van 31 maart 2023 heeft hij dit niet gedaan. De onderneming heeft op 19 december 2022 contact gehad met de minister en daarna pas weer via e-mail op 5 december 2023, waarbij de minister haar heeft verzocht de vaststellingsrapportage op te sturen. Als de onderneming had geweten dat de einddatum 31 maart 2023 was en niet de datum van oplevering van het ‘study report’, dan had zij vooraf om uitstel gevraagd. Er zijn nu over een langere periode (namelijk t/m 30 november 2023) kosten gemaakt. Die kosten hangen geheel samen met de afronding van het klinische eindrapport. Door de afwijzing van de wijziging van de einddatum van het project kunnen die kosten niet ten laste worden gebracht van het innovatiekrediet. De financiële consequenties daarvan voor [naam 1] zijn niet te rechtvaardigen.
3 De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Beoordeling door het College
4 Het College oordeelt dat de minister het verzoek van de onderneming om de einddatum van het project te wijzigen, terecht heeft afgewezen. Hieronder licht het College toe hoe het tot dit oordeel is gekomen en wat de gevolgen daarvan zijn.
5 De subsidie is aan de onderneming verleend op basis van een projectplan. In beginsel moet de onderneming het project volgens het projectplan uitvoeren. Dat is bepaald in artikel 37, eerste lid, van het Kaderbesluit. Voor het vertragen of het essentieel wijzigen van het project moet vooraf om ontheffing worden verzocht. Alleen als daarvoor ontheffing is verleend mag het plan gewijzigd worden uitgevoerd. Dat is bepaald in artikel 37, derde lid, van het Kaderbesluit.
6 In het oorspronkelijke projectplan was de einddatum van het project bepaald op 31 maart 2020, maar de minister heeft de einddatum verlengd tot (uiteindelijk) 31 maart 2021. Vervolgens heeft de minister het door de onderneming ingediende, gewijzigde projectplan goedgekeurd en de einddatum van het project vastgesteld op 31 maart 2023. Het College begrijpt dat de oplevering van het ‘study report’ voor de onderneming wellicht voelde als het logische einde van het project, maar zij heeft de minister niet verzocht om een (nieuwe) verlenging van de projectperiode toen duidelijk was dat zij de datum 31 maart 2023 niet zou halen. Pas met de vaststellingsrapportage van 29 februari 2024 heeft de onderneming 30 november 2023 vermeld als einddatum van het project. Daarmee heeft de onderneming dus niet voorafgaand aan de beoogde wijziging verzocht om verlenging van de projectperiode.
7 In wat de onderneming in beroep heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor het oordeel dat de minister al dan niet impliciet, zoals na het contact met de onderneming op 19 december 2022 en op 5 december 2023, akkoord is gegaan met verlenging van de projectperiode. Voor zover de onderneming heeft betoogd dat de minister in zijn communicatie de indruk heeft gewekt dat de einddatum 30 november 2023 was, moet worden geoordeeld dat hiervoor in het dossier geen aanknopingspunten zijn te vinden. Dit heeft de onderneming op de zitting ook erkend. De minister heeft daarom gelet op artikel 37, derde lid, van het Kaderbesluit, terecht geen ontheffing verleend voor de wijziging van de einddatum van het project. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om de einddatum van het project te wijzigen, in stand blijft.
8 De onderneming heeft nog gewezen op de financiële gevolgen van de afwijzing. Voor zover dit besluit financiële gevolgen heeft, kan de onderneming die aan de orde stellen bij de vaststelling en (eventuele) terugvordering van het innovatiekrediet. De vaststelling en terugvordering van het krediet liggen in deze procedure niet ter beoordeling voor.
Slotsom
9 Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. A. Venekamp en mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M.C. Verviers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
w.g. M. van Duuren w.g. M.C. Verviers