COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 op de beroepen van:
[naam] , te [woonplaats] (chauffeur)
enhet college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college van b en w)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)
uitspraak
zaaknummers: 23/1650 en 24/255
(gemachtigde: mr. H. Temel)
(gemachtigde: mr. M. ten Doesschate)
en
Procesverloop
23/1650
Met het besluit van 13 april 2023 (invorderingsbesluit I) heeft het college van b en w de chauffeur meegedeeld dat hij niet heeft voldaan aan de last onder dwangsom van 24 november 2021 en dat het college van b en w daarom een verbeurde dwangsom van in totaal € 5.550,- invordert.
Met het besluit van 1 augustus 2023 (bestreden besluit I) heeft het college van b en w de bezwaren van de chauffeur tegen het invorderingsbesluit I ongegrond verklaard.
De chauffeur heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I.
Het college van b en w heeft een verweerschrift ingediend.
24/255
Met het besluit van 17 november 2023 (invorderingsbesluit II) heeft het college van b en w de chauffeur meegedeeld dat hij niet heeft voldaan aan de last onder dwangsom van 24 november 2021 en dat het college van b en w daarom een verbeurde dwangsom van in totaal € 5.550,- invordert.
Met het besluit van 27 februari 2024 (bestreden besluit II) heeft het college van b en w de bezwaren van de chauffeur tegen het invorderingsbesluit II ongegrond verklaard.
De chauffeur heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I.
Het college van b en w heeft een verweerschrift ingediend.
Beide zaken
De zitting was op 26 februari 2026. Aan de zitting hebben de chauffeur, diens gemachtigde en de gemachtigde van het college van b en w deelgenomen.
Het College heeft de Staat als partij aangemerkt in verband met het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Overwegingen
Inleiding
De Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening) vindt haar wettelijke grondslag in artikel 82b van de Wet personenvervoer 2000 (Wp 2000). Op grond van artikel 82c van de Wp 2000, in samenhang gelezen met artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is het college van b en w bevoegd tot handhaving van de in de Taxiverordening gestelde verplichtingen door oplegging van een last onder dwangsom.
Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening is het een chauffeur verboden om zonder taxivergunning van het college van b en w taxivervoer aan te bieden op de in bijlage I bij de Taxiverordening aangegeven delen van de openbare weg. Volgens die bijlage I gaat het daarbij onder meer om het gebied binnen de Ring A10 van Amsterdam.
Met het besluit van 24 november 2021 heeft het college van b en w aan de chauffeur een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2.3 van de Taxiverordening. Die last houdt in dat als de chauffeur vanaf 25 november 2021 taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt aanbiedt zonder vergunning, hij een dwangsom moet betalen van € 5.550,- per overtreding, met een maximum van € 27.750,-. Dit besluit staat in rechte vast.
23/1650
In een door toezichthouders van de gemeente Amsterdam respectievelijk op ambtseed en op ambtsbelofte opgemaakt rapport van bevindingen van 14 februari 2023 staat, voor zover hier van belang, het volgende.
“[…]Wij, toezichthouders, [namen en stamnummers toezichthouders] […] verklaar
het volgende:
Bevindingen
Wij, toezichthouders [stamnummers] bevonden ons op zaterdag 11 februari 2023 omstreeks 00:52 uur in uniform gekleed en met handhaving belast in een onopvallende dienstvoertuig op het Stationsplein 21 te Amsterdam.
Wij, toezichthouders, zagen daar een taxi, voorzien van het kenteken […], merk […] en kleur […].
Ik, toezichthouder, zag dat op de hiervoor genoemde locatie, datum en tijdstip de hieronder genoemde chauffeur heeft gehandeld in strijd met artikel 2.3, eerste lid van de Taxiverordening Amsterdam 2012 laatstelijk gewijzigd in 2018.
[…]
Wij, toezichthouders, zagen links naast ons op ongeveer 10 meter afstand dit bovengenoemde taxivoertuig aankomen rijden en stilstaan naast drie mannen. Wij, zagen dat er tussen de chauffeur van dit taxivoertuig en deze drie personen een gesprek ontstond. Wij, zagen omstreeks 00:56 uur dat deze drie mannen, verder in dit rapport te noemen NN1, NN2 en NN3 in dit taxivoertuig stapte die vervolgens langzaam wegreed.
Vanwaar wij stonden hadden wij goed zicht op dit taxivoertuig waardoor wij duidelijk konden zien dat dit taxivoertuig geen kenmerken voerde van een Toegelaten Taxi Organisatie, hierna genoemd TTO van de gemeente Amsterdam.
Wij, zagen namelijk dat het taxilicht op dit taxivoertuig vermelde "TAXI" in zwarte letters op en witte achtergrond, zonder verdere informatie.
[…]
Ik, toezichthouder [stamnummer toezichthouder 1] reed voor dit taxivoertuig uit en gaf de chauffeur een stopteken door middel van mijn matrixborden in mijn onopvallende dienstvoertuig waarop de chauffeur aan voldeed en na ongeveer 20 meter vanwaar NN1, NN2 en NN3 opstapte tot stilstaan kwam. Dit deed ik ter controle om inzage te krijgen hoe deze taxirit tussen de chauffeur en NN1, NN2 en NN3 tot stand was gekomen.
Wij, toezichthouders [stamnummers] liepen vervolgens naar dit stilstaande taxivoertuig toe.
Ik, toezichthouder stamnummer toezichthouder 1] vroeg aan de chauffeur van dit taxivoertuig of hij was besteld voor deze taxirit om dit tijdstip en op deze locatie en of hij mij dat kon aantonen door middel van een applicatie of telefoon Ik, hoorde de chauffeur tegen mij zeggen: “Nee, ik dacht dat dit mijn klanten waren voor een Bolt rit. Maar die zijn geannuleerd en ik kan dit niet meer aantonen”.
Ik, toezichthouder [stamnummer toezichthouder 2], liep omstreeks 00:57 uur naar het taxivoertuig toe en zag NN1, NN2 en NN3 in het taxivoertuig zitten. Ik, [stamnummer toezichthouder 2], vroeg aan NN1, NN2 en NN3 of zij Nederlands of Engels spraken.
Ik, [stamnummer toezichthouder 2], hoorde NN1 (man) zeggen: “Frans, little little Englisch”. Ik, [stamnummer toezichthouder 2], waagde een poging om in de Engelse taal te communiceren, echter was dit niet mogelijk want ze verstonden de taal niet goed.
Ik, [stamnummer toezichthouder 2], besloot hierop mijn google translateer te gebruiken om te kunnen communiceren met NN1, NN2 en NN3. Ik, [stamnummer toezichthouder 2], schreef in het Nederlands vertaalt naar Franstaal: “Hebben jullie deze taxi besteld”? Ik, [stamnummer toezichthouder 2], hoorde NN1, NN2 en NN3 alle 3 tegelijkertijd en meerdere keren zeggen: “No, no, no, no” Ik, stamnummer toezichthouder 2], schreef of zij over een Bolt of Uber App beschikte. Ik, [stamnummer toezichthouder 2], hoorde NN2 zeggen: “No”. Ik, [stamnummer toezichthouder 2], zag dat NN2 mij vervolgens Uber App liet zien, die tevens niet geactiveerd
was voor een rit. Ik, [stamnummer toezichthouder 2], zag dat NN2 mij vervolgens via google translateer vertaal van Frans naar Nederlands schreef: “Wij vroegen of hij ons naar een Hotel kon brengen, en hij zei ja”. […]
Hierop heb ik, toezichthouder, [stamnummer toezichthouder 1] omstreeks 00:58 uur deze chauffeur staande gehouden als betrokkene ter zake het aanbieden van taxivervoer zonder een geldige taxxxivergunning van de Gemeente Amsterdam. De chauffeur heeft mij niet aannemelijk aan kunnen tonen dat deze taxirit tussen hem en NN1, NN2 en NN3 een bestelde rit was via de applicatie of telefoon.
[…]”
Het college van b en w heeft op basis van het rapport van bevindingen vastgesteld dat de chauffeur op 11 februari 2023 taxivervoer op de opstapmarkt aanbood zonder de daartoe vereiste vergunning. Naar aanleiding hiervan heeft het college van b en w aan de chauffeur meegedeeld dat de aan hem opgelegde dwangsom is verbeurd tot een bedrag van € 5.550,- en dat hij dit bedrag moet betalen voor 1 april 2023.
Omdat de chauffeur niet binnen de gegeven termijn de dwangsom heeft betaald, heeft het college van b en w het verbeurde bedrag met het invorderingsbesluit I ingevorderd. Met het bestreden besluit I heeft het college van b en w, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar tegen invorderingsbesluit I ongegrond verklaard en dit invorderingsbesluit gehandhaafd.
24/255
In een door een toezichthouder van de gemeente Amsterdam opgemaakt rapport van bevindingen van 3 november 2023 staat, voor zover hier van belang, het volgende.
“[…]Op vrijdag 3 november 2023 omstreeks 03.05 uur, bevond ik, rapporteur, tevens belast met
toezichthoudende taak op zowel beroepsgoederen, als personenvervoer, mij in uniform gekleed en met surveillance belast, op de in het rapport van bevinding genoemde locatie.
Aldaar controleerde ik, rapporteur, het voertuig welke voorzien was van blauwe kentekenplaten voorzien van het kenteken […]
[…]
Naar aanleiding van mijn controle bevond ik, rapporteur, het volgende:
“Op vrijdag 3 november 2023 omstreeks 03.05 uur bevond ik, rapporteur, mij in uniform
gekleed en met surveillance belast, op de openbare weg, Koningsplein te Amsterdam, ter
hoogte van perceel 468.
Het is mij, rapporteur, ambtshalve bekend dat genoemde locatie, mede door het grote aanbod
van uitgangspubliek in de directe omgeving van de nachtclub, genaamd “Supperclub”, bekend
staat als illegale opstaplocatie op de Amsterdamse opstapmarkt.
Ik, rapporteur, zag dat de bestuurder met genoemd taxivoertuig, welke was voorzien van een
verlicht, blanco daklicht, met de tekst “taxi”, geparkeerd stond op het trottoir. ter hoogte van de nachtclub, genaamd “Supperclub”.
[…]
Ik, rapporteur, nam geen enkele vorm van laad, danwel losactiviteit waar. Bovendien zag ik,
buiten de bestuurder, in het geheel geen andere personen in of nabij genoemd taxivoertuig.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, zag ik, rapporteur, dat de bestuurder zich op
zodanige wijze presenteerde, dat hij als “beschikbare” taxi kon worden aangemerkt.
[…]Desgevraagd gaf de bestuurder mij, rapporteur, aan dat hij pauze aan het houden was.
Desgevraagd gaf de bestuurder aan dat hij zich niet op genoemde locatie ophield, ter
uitvoering van een vooraf bestelde rit.[…]”
Het college van b en w heeft op basis van het rapport van bevindingen vastgesteld dat de chauffeur op 3 november 2023 taxivervoer op de opstapmarkt aanbood zonder de daartoe vereiste vergunning. Naar aanleiding hiervan heeft het college van b en w aan de chauffeur meegedeeld dat de aan hem opgelegde dwangsom is verbeurd tot een bedrag van € 5.550,- en dat hij dit bedrag moet betalen voor 15 december 2023.
Omdat de chauffeur niet binnen de gegeven termijn de dwangsom heeft betaald, heeft het college van b en w het verbeurde bedrag met het invorderingsbesluit II ingevorderd. Met het bestreden besluit II heeft het college van b en w, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar tegen invorderingsbesluit II ongegrond verklaard en dit invorderingsbesluit gehandhaafd.
Standpunten van partijen
De chauffeur voert – samengevat weergegeven – het volgende aan.
Hij heeft op 11 februari 2023 geen taxidiensten aangeboden zonder geldige vergunning. Hij was op het Stationsplein aan het wachten op zijn Bolt-klanten. Vervolgens kwamen er mensen naar hem toe. Hij was in de veronderstelling dat dit zijn Bolt-klanten waren en hij vroeg of ze een taxi hadden besteld. De klanten antwoorden hierop met “Ja”. De chauffeur heeft in zijn verklaring ook aangegeven dat hij bezig was met een Bolt-klant en dat hij dat op dat moment niet kon laten zien via zijn telefoon. Pas na een half uur was de annulering zichtbaar in de app op zijn telefoon. Bolt moet die annulering verwerken; dit kan even duren variërend van een half uur tot een uur. Op 31 maart 2023 heeft de chauffeur zijn zienswijze dan ook ingediend en de situatie uiteengezet. Een belangrijk detail is dat de chauffeur via de app heeft aangetoond dat de rit op 11 februari 2023 om 00:59 uur is geannuleerd. Uit het rapport van bevindingen blijkt dan ook dat het tijdstip dat is vastgelegd 00:56 uur is. Hiermee heeft de chauffeur aannemelijk gemaakt dat hij stond te wachten op een Bolt-klant; als hij bezig was met het aanbieden van taxidiensten zonder vergunning dan zou er omstreeks het exacte tijdstip geen rit/annulering te zien zijn van Bolt. Daarnaast heeft de chauffeur via de helpdesk/klantenservice van Bolt de annulering opgevraagd, waaruit blijkt dat hij een rit had via de Bolt-app en dat deze is geannuleerd om 00:59 uur. Er is verwarring ontstaan doordat de klanten die hij meenam geen Nederlands spraken en ook geen, althans gebrekkig Engels. Dat er sprake is geweest van miscommunicatie kan dan ook niet voor zijn rekening en risico komen. Hij heeft aangetoond dat hij daar was voor een bestelde taxirit en dat is het uitgangspunt op basis van de rechtspraak. Verder is het tijdstip van uitreiking van het ter plaatse opgemaakte rapport van bevindingen niet correct vermeld. Het tijdstip is aangepast en de vraag is of de rest van het rapport wel correct is. Ook het kenteken was foutief ingevoerd en al met al kan de conclusie worden getrokken dat het rapport van bevindingen onbetrouwbaar is en niet als grondslag kan dienen voor het opleggen van een dwangsom.
Ook op 3 november 2023 heeft de chauffeur geen taxidiensten aangeboden zonder geldige vergunning. Hij had zijn klant afgezet en deze klant heeft ook een schriftelijke verklaring afgelegd die zijn verhaal ondersteund. Tijdens de hoorzitting is door het college van b en w aangegeven dat in het geval er sprake is van een telefonische bestelling dit ter plaatse aannemelijk dient te worden gemaakt. Een e-mail achteraf zou niet voldoende zijn. Volgens het college van b en w wordt in dit soort gevallen gebeld met de klant die telefonisch de rit heeft besteld en wordt diegene gebeld en op de luidspreker gezet, opdat de toezichthouder zelf kan vaststellen dat het daadwerkelijk gaat om een telefonisch bestelde rit. De chauffeur heeft deze mogelijkheid niet gekregen. Daarnaast is op basis van het rapport van bevindingen ook onduidelijk hoe lang hij daar stilstond. Volgens de chauffeur was hij daar nog geen minuut; hij had zijn klant afgezet en was op zoek naar het volgende adres waar hij moest zijn via Google Maps. Indien hij het adres al rijdend dient op te zoeken via Google Maps levert dit gevaarzetting op in het verkeer.
De chauffeur wijst verder op de kennisgevingen intrekking strafbeschikking sepot van de officier van justitie in beide zaken. In de zaak over invorderingsbesluit I en invorderingsbesluit II heeft de officier van justitie de chauffeur op respectievelijk 9 september 2024 en 7 mei 2025 meegedeeld dat hij heeft besloten hem niet meer te vervolgen en de aan hem opgelegde strafbeschikking in te trekken, omdat er naar het oordeel van de officier van justitie respectievelijk onvoldoende bewijs is en het feit waarvan de chauffeur wordt verdacht nu te oud is.
Door de invorderingsbesluiten wordt de chauffeur onevenredig hard geraakt. Het gaat om hoge bedragen en hij verdient per jaar ongeveer € 15.000,-. De afzonderlijke dwangsommen behelzen een derde van het jaarloon. Dit is voor hem niet te betalen; hij komt dan in de financiële problemen en kan zijn vaste lasten niet meer voldoen. Hierdoor kan hij zijn huurwoning verliezen, omdat hij de huur niet meer kan voldoen. In de bestreden besluiten heeft het college van b en w daar geen, althans onvoldoende rekening meegehouden.
3 Het college van b en w heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Beoordeling door het College
De beroepen tegen de bestreden besluiten
Het College is, in lijn met zijn uitspraak van 10 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:140) van oordeel dat, wanneer een taxichauffeur met een als taxi herkenbare auto stilstaat op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plaats in Amsterdam, zonder dat hij op dat moment bezig is met het ophalen (laden) of afzetten (lossen) van klanten die bij hem een taxirit hebben besteld, dat de conclusie rechtvaardigt dat hij daar taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt. Deze aanname kan door de taxichauffeur slechts worden weerlegd door aannemelijk te maken dat hij daar staat ter uitvoering van een bij hem bestelde taxirit dan wel dat hij daar staat als gevolg van overmacht, zoals bijvoorbeeld autopech. Indien de taxichauffeur stelt dat hij daar om andere redenen staat dan voor laden en lossen, bijvoorbeeld om op zijn telefoon te kijken of om op een oproep voor een taxirit te wachten, helpt dat hem niet, omdat dan ervan mag worden uitgegaan dat hij taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt, zoals dat er overigens voor omstanders en handhavers van de gemeente Amsterdam ook uitziet. De taxichauffeur die op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande laad- en losplaats staat, zonder bezig te zijn met een bestelde taxirit, riskeert dan ook niet alleen een boete voor verkeerd parkeren of stilstaan op een plaats waar dat niet mag, maar ook dat hem een last onder dwangsom wordt opgelegd of dat hij als gevolg van een opgelegde last een dwangsom verbeurt. Het College gaat er daarbij met het college van b en w van uit dat algemeen bekend is of mag worden verondersteld, zeker bij taxichauffeurs in Amsterdam, welke plaatsen bekend staan als illegale opstapplaatsen voor taxi’s. Dat zijn in ieder geval de weggedeeltes waar niet geparkeerd mag worden, zoals laad- en losplaatsen, in het hele centrum van Amsterdam en vierentwintig uur per dag, bijvoorbeeld in de buurt van het Centraal Station of hotels.
Verder is het vaste rechtspraak van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 december 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:736 onder 4.2)) dat een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
In wat de chauffeur aanvoert, ziet het College geen aanknopingspunt voor de conclusie dat de bevindingen van de toezichthouders in de onderscheidenlijke rapporten van bevindingen onjuist zijn en dat het college van b en w in zijn besluitvorming daarvan niet mocht uitgaan. Dat in het rapport van bevindingen van 14 februari 2023 onder het kopje ‘Gegevens betrokkene’ een ander kenteken staat vermeld dan het kenteken van het voertuig zoals vermeld onder het kopje ‘Bevindingen’ in dat rapport is daartoe onvoldoende. Het is immers volstrekt duidelijk om welk voertuig het hier gaat. Dat op de achterkant van het aan de chauffeur op 11 februari 2023 uitgereikte rapport van bevindingen staat vermeld dat het vermelde tijdstip 01.06 uur abusievelijk is ingevuld en dat het tijdstip 0.56 uur moet zijn, is daartoe eveneens onvoldoende. Zoals ook in het advies is uiteengezet, zijn de gebeurtenissen in het rapport van bevindingen, waaronder de staandehouding, duidelijk opgetekend en betreft de vermelding op de achterzijde niet meer dan een correctie.
Afgemeten aan het hiervoor onder 4.1 weergegeven beoordelingskader, is het College met het college van b en w van oordeel dat de chauffeur op 11 februari 2023 en 3 november 2023 zonder vergunning taxivervoer heeft aangebodenop de opstapmarkt. De chauffeur heeft zijn als taxi herkenbare auto op die data geparkeerd op locaties die bekend staan als illegale opstapplaatsen voor taxi’s. In wat de chauffeur aanvoert, is niet aannemelijk geworden dat hij daar stond ter uitvoering van een bij hem bestelde taxirit.
Wat betreft 11 februari 2023 stelt het College vast dat de chauffeur een bericht van Bolt heeft overgelegd waarin staat dat de chauffeur op 11 februari 2023 om 00.55 uur een aanvraag heeft ontvangen voor een rit, die 4 minuten later om 00.59 uur is geannuleerd. Zoals het college van b en w op de zitting terecht heeft opgemerkt, kan dit de chauffeur niet baten, al omdat uit het rapport van bevindingen volgt dat de toezichthouders de chauffeur met zijn voertuig al omstreeks 00.52 uur bij het Centraal Station hadden gezien en dus vóór de bestelling van de rit om 00.55 uur. Dat, zoals de gemachtigde van de chauffeur op de zitting heeft verklaard, de chauffeur mogelijk al ergens stond waar het wel mocht, slaagt niet, al omdat het college van b en w onweersproken heeft opgemerkt dat er in de buurt van het Stationsplein geen mogelijkheden zijn om te parkeren. Dat wat de chauffeur over de annulering van de rit en de ontstane verwarring over de klanten heeft aangevoerd, doet aan het voorgaande verder niet aan af.
Wat betreft 3 november 2023 heeft de chauffeur weliswaar gesteld dat hij net een klant had afgezet, maar die stelling heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Het rapport van bevindingen vermeldt dat de chauffeur desgevraagd aangaf dat hij zich niet op de locatie ophield ter uitvoering van een vooraf bestelde rit en het later aan hem uitgereikte rapport van bevindingen van 3 november 2023 vermeldt dat de chauffeur geen verklaring wilde afleggen. De chauffeur is aldus voldoende gelegenheid geboden aan te tonen dat hij net een klant had afgezet. Overigens heeft het college van b en w op de zitting verduidelijkt dat het niet de praktijk is dat klanten worden teruggebeld om te vragen naar een verklaring. Aan de door de chauffeur bij zienswijze overgelegde e-mailbericht van 16 november [naar het College begrijpt: 2023], waarin een persoon verklaart de chauffeur op 3 november [naar het College begrijpt: 2023] omstreeks 02.30 uur te hebben gebeld om hem naar de Supperclub te brengen en dat de chauffeur hem daar omstreeks 03.00 uur heeft afgezet, komt niet de waarde toe die de chauffeur daaraan gehecht wenst te zien. Die verklaring is pas later opgesteld, terwijl deze verklaring niet met concrete, verifieerbare gegevens, bijvoorbeeld met gegevens over de bestelde rit, is onderbouwd.
Aan het voorgaande doet niet af dat de officier van justitie de aan de chauffeur opgelegde strafbeschikkingen heeft ingetrokken.
Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:86)) brengt de in artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde onschuldpresumptie volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) mee dat het publieke organen en autoriteiten niet is toegestaan om na een strafrechtelijke vrijspraak in een bestuursrechtelijke procedure alsnog twijfels te uiten over de onschuld van een betrokkene ten aanzien van het feit waarvoor hij is vrijgesproken. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:958, onder 2.4.3), volgt dat de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM zich in voorkomend geval kan uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure indien de geschilpunten in de bestuursrechtelijke procedure voortvloeien uit of samenhangen met de strafrechtelijke procedure, ook indien een strafrechtelijke procedure, zoals in het geval van de chauffeur, niet is voortgezet in verband met een sepot.
In het algemeen geldt in het strafrecht dat wat ten laste wordt gelegd wettig en overtuigend moet worden bewezen, terwijl in het bestuursrecht minder strenge bewijsregels gelden (zie de uitspraken van het College van 10 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:158) en van de Centrale Raad van Beroep van 2 januari 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:4)). Uit het sepot van 9 september 2024 is niet op te maken wat de redenen voor de officier van justitie zijn geweest om over te gaan tot sepot wegens gebrek aan bewijs. In zoverre roept het bestuursrechtelijke oordeel dat de chauffeur op 11 februari 2023 taxivervoer heeft aangeboden geen twijfels op over de juistheid van de gronden van het sepot. Voor de conclusie dat een chauffeur taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt in Amsterdam is in het bestuursrecht, zoals hiervoor onder 4.1 weergegeven, voldoende dat hij met een als taxi herkenbare auto stilstaat op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plaats in Amsterdam, zonder dat hij op dat moment bezig is met het ophalen of afzetten van klanten die bij hem een taxirit hebben besteld, waaraan enige mate van twijfel, anders dan in het strafrecht, niet in de weg hoeft te staan (zie de uitspraak van het College van 10 maart 2020, hiervoor aangehaald). Uit het sepot van 7 mei 2025 volgt dat de officier van justitie is overgegaan tot sepot, omdat het feit waarvan de chauffeur wordt verdacht nu te oud is. Dat betekent echter niet dat de officier van justitie het feit niet bewezen en strafbaar acht. In zoverre roept het bestuursrechtelijke oordeel dat de chauffeur op 3 november 2023 taxivervoer heeft aangeboden geen twijfels op over de juistheid van de gronden van het sepot.
Uit het voorgaande volgt dat de chauffeur de opgelegde last onder dwangsom op 11 februari 2023 en 3 november 2023 heeft overtreden en dwangsommen heeft verbeurd. Bij een besluit over het invorderen van een verbeurde dwangsom weegt het belang van de invordering zwaar. Als dat anders zou zijn, zou het opleggen van een dwangsom niet bijdragen aan een effectieve handhaving. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Bijzondere omstandigheden zijn in deze zaken niet gesteld of gebleken. Het college van b en w heeft gebruik mogen maken van zijn bevoegdheid om de dwangsommen in te vorderen. Bij het feitelijk incasseren van de dwangsommen kan rekening worden gehouden met de draagkracht van degene die moet betalen, bijvoorbeeld met een betalingsregeling.
5 De beroepen zijn ongegrond. Het college van b en w hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
De chauffeur heeft op zitting – kort gezegd – verklaard dat de procedure erg lang duurt en dat hij daardoor stress ervaart. Het College vat dit op als een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
In zaken als hier aan de orde geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, tenzij er sprake is van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Uitgangspunt voor de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
De redelijke termijn vangt aan met de ontvangst van het bezwaarschrift door het college van b en w. In zaak 23/1650 heeft het college van b en w het bezwaarschrift op 10 mei 2023 ontvangen en in zaak 24/255 op 4 december 2023.
In dit geval is sprake van twee zaken van één belanghebbende die betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (twee invorderingsbesluiten). Het is niet aannemelijk dat de chauffeur extra spanning en frustratie heeft ondervonden vanwege de lange duur van de procedure in meer dan één zaak. In de beroepsfase zijn de twee zaken gezamenlijk behandeld. In gevallen als deze wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd. Omdat in de procedures niet tegelijkertijd bezwaar is gemaakt, dient ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel, namelijk 10 mei 2023 in zaak 23/1650. Hiervan uitgaande stelt het College vast dat ten tijde van deze uitspraak op 21 april 2026 de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar met ruim elf maanden is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven de overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten, is geen sprake. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat de chauffeur recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000,-.
7 Het College zal de Staat veroordelen tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 1.000,- aan de chauffeur.
8 Het College veroordeelt de Staat in de kosten die de chauffeur in verband met zijn verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn redelijkerwijze heeft moeten maken. Deze proceskosten worden vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5).
Beslissing
Het College:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van de chauffeur tot een bedrag van € 467,-
- veroordeelt de Staat tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 1.000,- aan de chauffeur.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
w.g. A. Venekamp w.g. J.R. Willemstein