COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen
Dutch Dairy Genetics BV, te Hengelo (vennootschap),
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
uitspraak
zaaknummer: 24/828
(gemachtigde: mr. J. van Groningen)
en
(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman).
Procesverloop
Met het besluit van 19 april 2024 heeft de minister de aanvraag van de vennootschap om een subsidie voor haar locatie te [plaats] uit de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) afgewezen.
Met het besluit van 19 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de vennootschap ongegrond verklaard.
De vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 12 maart 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de vennootschap en de minister deelgenomen.
Overwegingen
Aanleiding voor deze procedure
1. De vennootschap is eigenaar van een melkrundveehouderijlocatie in [plaats] . Zij had deze locatie tot en met oktober 2022 verpacht aan [naam] BV die daar melkvee hield. Vervolgens is [naam] BV met haar koeien en de bijbehorende productierechten vertrokken naar een andere locatie. Omdat de provincie had aangegeven dat zij de veehouderijlocatie graag beëindigd wilde hebben, heeft de vennootschap niet meteen een nieuwe pachter gezocht en stonden de stallen leeg tot en met januari 2024. Vanaf februari 2024 verhuurt zij de locatie aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, die er in beslag genomen melkrundvee huisvest. Op 20 november 2023 heeft de vennootschap een subsidie op grond van de Lbv-plus aangevraagd.
2 De minister heeft de subsidieaanvraag afgewezen, omdat de productiecapaciteit op de veehouderijlocatie niet onafgebroken op bedrijfseconomisch gangbare wijze heeft plaatsgevonden gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de indiening van de aanvraag (de vijfjaarseis; artikel 6, eerste lid, van de Lbv-plus), en omdat de vennootschap niet degene is die de veehouderij drijft (artikel 4, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, van de Lbv-plus).
Standpunten van partijen
3 De vennootschap is het niet eens met de afwijzing. Zij stelt dat haar handelen altijd gericht was op het voortduren van de exploitatie van de veehouderijlocatie. Het is een normale gang van zaken dat het na een pachtbeëindiging enige tijd duurt totdat de veehouderijlocatie weer door een nieuwe pachter in gebruik kan worden genomen. De minister is in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan op het betoog dat er niet meteen een nieuwe pachter is gezocht en dat op verzoek van de provincie niet besloten is om zelf melkvee te gaan houden. De vennootschap stelt dat zij als middellijk veehouder in de zin van de Lbv-plus moet worden aangemerkt. Door de locatie te verhuren kon er namelijk vee worden gehouden. Dat de vennootschap zelf geen vee heeft gehouden en niet over productierechten beschikt, is niet relevant. Het bedrijf van de vennootschap behoort tot de piekbelasters waarvoor die regeling is bedoeld. Zonder de subsidie zal het bedrijf niet stoppen en zal geen stikstofreductie plaatsvinden. Tot slot doet de vennootschap een beroep op het evenredigheidsbeginsel; de nadelige gevolgen van het besluit zijn onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
4 De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zijn stellingen zullen, voor zover nodig, hierna bij de beoordeling worden besproken.
Beoordeling van het beroep
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de vennootschap voldoet aan de vereisten die volgen uit artikel 4, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, van de Lbv-plus. De Lbv-plus luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Artikel 1 Begripsomschrijvingen[…]
veehouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderij drijft;
veehouderij: onderneming voor het houden van landbouwhuisdieren;
[…]
§ 2 Criteria voor subsidieverstrekking
Artikel 4 Grondslag
1. De minister kan een veehouder die een veehouderij met productierecht of een vleeskalverhouderij drijft, op aanvraag subsidie verstrekken voor de onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie indien de stikstofvracht die deze locatie veroorzaakt, ten minste 2.500 mol stikstof per jaar bedraagt. […]
Artikel 6 Afwijzingsgronden
1. De aanvraag van de veehouder wordt afgewezen indien de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderij met productierecht of een vleeskalverhouderij drijft en voor zover de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is.
[…]”
In de toelichting bij de Lbv-plus (Stcrt. 2023 nr. 15029, p. 25 en p. 44) staat over respectievelijk de vijfjaarseis en veehouder en veehouderij het volgende:
“[…] Uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de aanvraag (op bedrijfseconomisch gangbare wijze) onafgebroken is gebruikt, komt voor subsidie in aanmerking. Dit hangt samen met het Europese staatssteunkader voor het sluiten van productiecapaciteit, de Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (2022/C 485/01; hierna: de Richtsnoeren). Hierin is als vereiste opgenomen dat uitsluitend staatssteun kan worden verleend voor productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting onafgebroken is gebruikt. Omdat ten tijde van de aanvraag onbekend is wanneer de sluiting daadwerkelijk plaatsvindt, kan niet worden uitgegaan van de datum van de feitelijke sluiting, maar moet worden uitgegaan van de datum van aanvraag om te kunnen vaststellen of wordt voldaan aan het hiervoor bedoelde vijfjaarsvereiste.
De vereisten van het feitelijk houden van dieren en van het onafgebroken gebruik gedurende vijf jaar betekenen niet dat er steeds dieren in een stal (hebben) moeten staan. Als een stal in het kader van de reguliere bedrijfsvoering tijdelijk leeg staat respectievelijk heeft gestaan, betekent dat niet dat de stal niet wordt respectievelijk is gebruikt. Er is dan nog steeds sprake van gebruik op bedrijfseconomisch gangbare wijze. Te denken valt aan leegstand tussen het afvoeren van een ronde vleesvarkens, -kuikens of -kalveren en de komst van een nieuwe ronde, of aan tijdelijke leegstand als gevolg van een dierziekte. Kortdurende leegstand van een stal hoeft dus geen reden voor afwijzing van de subsidie aanvraag te zijn, zolang de leegstand het gevolg is van omstandigheden die passen in het normale bedrijfsproces.
[…]
Als veehouder is gedefinieerd degene die een veehouderij drijft, hetzij een natuurlijke persoon (eenmanszaak), hetzij een rechtspersoon (vennootschap), hetzij een samenwerkingsverband (een maatschap, een vennootschap onder firma of een coöperatie). Ingevolge de regeling dienen subsidieaanvragen te worden gedaan door de veehouder, dus de ondernemer dan wel de onderneming, dat wil zeggen degenen die bevoegd zijn namens de onderneming te handelen.
In de praktijk komt het voor dat een veehouder voor zijn bedrijf een stal gebruikt die eigendom is van een ander. Die eigenaar drijft dan niet de veehouderij en beschikt ook niet over een zogenaamd uniek bedrijfsnummer (UBN). Hij is ook niet te beschouwen als exploitant in de zin van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 (‘diergezondheidswetgeving’). Een dergelijke exploitant (‘iedere natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor dieren of producten’) is op grond van de verordening en ook de Regeling houders van dieren verplicht om het bevoegd gezag (RVO) gegevens te verstrekken over zijn bedrijfsvestiging en over de daar gehouden dieren. De bedrijfsvestiging wordt geregistreerd met het UBN. Degene aan wiens naam het UBN is gekoppeld, kan dus bij twijfelgevallen als veehouder worden aangemerkt.”
In de Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (2022/C 485/01) is onder meer het volgende opgenomen:
“426. Uitsluitend ondernemingen die daadwerkelijk hebben geproduceerd, en uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting van de capaciteit onafgebroken is gebruikt, komen voor steun in aanmerking. In gevallen waarin de productiecapaciteit al definitief is gesloten of waarin een dergelijke sluiting onvermijdelijk lijkt, is er geen sprake van een (toereikende) minimumbijdrage van de begunstigde en mag geen steun worden verleend.”
De vijfjaareis houdt in dat, zoals de minister ook heeft betoogd, uitsluitend ondernemingen die daadwerkelijk hebben geproduceerd, en uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar voor de sluiting van de capaciteit onafgebroken is gebruikt, in aanmerking komen voor steun. Kortdurende leegstand van een stal hoeft geen reden voor afwijzing van de subsidieaanvraag te zijn, zolang de leegstand het gevolg is van omstandigheden die passen in het normale bedrijfsproces (vergelijk in dit verband ook de uitspraken van het College van 18 juli 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:366), 22 maart 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:125) en 19 augustus 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:425)).
Vaststaat dat de stallen van de veehouderijlocatie op het moment van de aanvraag ruim een jaar leeg stonden. Dit betekent dat de productiecapaciteit niet onafgebroken is gebruikt in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag. Weliswaar volgt uit de toelichting bij de Lbv-plus dat bij tijdelijke leegstand van de stallen in het kader van de reguliere bedrijfsvoering nog steeds wordt voldaan aan het vereiste van onafgebroken gebruik van de productiecapaciteit, maar daarvan is hier geen sprake. De vennootschap heeft bij het bekend worden van het vertrek van de pachter namelijk geen nieuwe pachter gezocht, maar heeft de stallen geruime tijd leeg laten staan omdat zij - zoals zij in beroep heeft aangevoerd - instemde met de wens van de provincie om de veehouderijlocatie niet meer langdurig te (laten) gebruiken. De gevolgen van die instemming moeten voor rekening en risico van de vennootschap blijven.
Daarbij komt dat de vennootschap, zoals de minister ook terecht heeft aangevoerd, op zichzelf genomen niet kan worden aangemerkt als een veehouder in de zin van de artikelen 4, eerste lid, en 6, eerste lid, van de Lbv-plus. De vennootschap heeft zelf namelijk sinds 2019 geen vee gehouden en beschikt ook niet over productierechten.
Evenredigheidsbeginsel
6 Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Het College overweegt hierover het volgende. Het door de overheid verstrekken van steun aan bedrijven wordt in beginsel aangemerkt als (verboden) staatssteun. De minister heeft de Lbv-plus met daarin de vijfjaarseis aan de Europese Commissie voorgelegd. De Commissie heeft geoordeeld dat de Lbv-plus in overeenstemming is met de staatssteunkaders die gelden in de interne markt. De bepaling in de Lbv-plus over de vijfjaarseis kan dan ook niet onverbindend worden verklaard of buiten toepassing worden gelaten zonder in strijd te komen met het Europese staatssteunkader. Dit kader kan niet opzij gezet worden door een beroep op het evenredigheidsbeginsel en staat daarom vast (zie de uitspraken van het College van 22 oktober 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:736), 29 juli 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:392) en 19 augustus 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:425)). Dat de vennootschap van mening is dat zij tot de piekbelasters behoort waarvoor de Lbv-plus is bedoeld en zij zonder de subsidie niet zal stoppen met de exploitatie van de veehouderijlocatie zodat er dan ook geen stikstofreductie zal plaatsvinden, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de minister niet met voorbijgaan aan de geldende regels subsidie kan verlenen.
7 De conclusie is dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen.
Slotsom
8 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, mr. A. Venekamp en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
w.g. M.P. Glerum w.g. J.M.M. Bancken