COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen
[naam 1], te [woonplaats]
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 25/426
(gemachtigde: [naam 2])
en
(gemachtigde: mr. N. Adams)
Procesverloop in beroep
Het melkveebedrijf heeft tegen het besluit van 18 april 2025 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 17 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen en [naam 3], [naam 4], [naam 5], [naam 6] en [naam 7] aan de zijde van het samenwerkingsverband.
Inleiding
Het samenwerkingsverband heeft een subsidie aangevraagd op grond van de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021 (Regeling), titel 5.8, Samenwerking in veenweiden en overgangsgebieden N2000, paragraaf 5.8.3. Op grond van deze paragraaf kan de minister aan een samenwerkingsverband een subsidie verstrekken voor het verhogen van de grondwaterstand in veenweidegebieden, om zo de CO2-emissie uit percelen grasland te reduceren. De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen (tenderprocedure). Het subsidieplafond bedroeg € 37,5 miljoen en is met wijziging van de Regeling per 8 november 2024 (Stcrt. 2024, 32806) verhoogd naar € 55,4 miljoen.
Het samenwerkingsverband wil de subsidie gebruiken om op een deel van zijn percelen beheersmaatregelen te nemen die de grondwaterstand verhogen. Bij zijn aanvraag heeft het samenwerkingsverband onder meer berekeningen aangeleverd van de huidige gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar en de gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar na het uitvoeren van het project. Het samenwerkingsverband heeft deze berekeningen gemaakt aan de hand van de rekenregels van SOMERS (somersberekening). SOMERS staat voor Subsurface Organic Matter Emission Registration System, een procesmodel waarmee de CO2-uitstoot op perceelsniveau kan worden berekend onder verschillende klimatologische omstandigheden bij verschillend (water)beheer. De somersberekening van het samenwerkingsverband gaat uit van het verhogen van de grondwaterstand op 171 percelen van in totaal 266,1 hectare, wat een besparing op de CO2-emissie van 17,8 % oplevert. Verder heeft het samenwerkingsverband zijn percelen ingetekend op de digitale omgevingskaart die de minister beschikbaar heeft gesteld (VeenweideN2000-Viewer), en daarbij aangegeven op welke percelen hij beheersmaatregelen wil nemen.
Met het besluit van 6 januari 2025 heeft de minister de aanvraag van het samenwerkingsverband afgewezen onder verwijzing naar artikel 5.8.3.6, aanhef en onder c, van de Regeling, omdat het samenwerkingsverband met het project niet de vereiste besparing op de CO2-emissie van 10% realiseert. Dat blijkt uit de somersberekening die de minister naar aanleiding van de aanvraag zelf heeft laten uitvoeren door Royal HasKoningDHV. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van het samenwerkingsverband ongegrond verklaard. Het samenwerkingsverband is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
Beoordeling van het beroep
De minister heeft de subsidieaanvraag ten onrechte afgewezen. Het College is als volgt tot dit oordeel gekomen.
Zoals de Regeling in artikel 5.8.3.9, eerste lid, aanhef en onder c en d voorschrijft, bevat de aanvraag een berekening van de gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar in de oude en de nieuwe situatie, waarbij de rekenregels van SOMERS worden toegepast, en waarbij gebruik wordt gemaakt van de VeenweideN2000-Viewer. In de somersberekening, die het samenwerkingsverband bij de aanvraag heeft overgelegd, is de besparing op de CO2-emissie berekend door de CO2-emissie op de percelen met beheersmaatregelen na het uitvoeren van het project te vergelijken met de huidige CO2-emissie op diezelfde percelen. Uit die berekening volgt dat met het project een besparing van 17,8% op de CO2-emissie wordt gerealiseerd.
Volgens de somersberekening die de minister heeft laten uitvoeren door Royal HasKoningDHV, wordt een besparing op de CO2-emissie gerealiseerd van 8,8%. Royal HasKoningDHV lijkt tot die uitkomst te zijn gekomen door de CO2-emissie op de percelen met beheersmaatregelen na het uitvoeren van het project te vergelijken met de huidige CO2-emissie op alle percelen die het samenwerkingsverband bij de aanvraag in de VeenweideN2000-Viewer heeft ingetekend, dus ook de percelen zonder voorgenomen beheersmaatregelen.
Uit de aanvraag en de daarbij aangeleverde stukken blijkt voldoende duidelijk dat het samenwerkingsverband beheersmaatregelen wil gaan uitvoeren op 171 percelen van in totaal 266,1 hectare. Het College is van oordeel dat de percelen waarop het samenwerkingsverband geen beheersmaatregelen treft, niet dienen te worden meegenomen bij de berekening van de besparing op de CO2-emissie. Dat volgt uit de tekst van artikel 5.8.3.9, eerste lid onder a, waarin het gaat om (ingetekende) percelen waar het samenwerkingsverband activiteiten wil uitvoeren en artikel 5.8.3.9, eerste lid onder c en d waarbij de somersberekening op die percelen dient te worden toegepast. Anders dan de minister, vindt het College in de toelichting bij artikel 5.8.3.9 van de Regeling geen aanknopingspunten voor een andere uitleg. In de toelichting wordt, waar het gaat om de berekening op de besparing van de CO2-emissie, gesproken van ‘veenweidepercelen in het project’. Het College neemt aan dat daarmee alleen de percelen zijn bedoeld die meedoen in het project: de percelen in de VeenweideN2000-Viewer waar (voorgenomen) beheersmaatregelen zijn ingetekend.
Omdat de somersberekening van RoyalHasKoningDHV ook de ingetekende percelen in aanmerking neemt waarop geen beheersmaatregelen zijn ingetekend, en dus geen activiteiten worden uitgevoerd, heeft de minister zijn afwijzing ten onrechte op die somersberekening gebaseerd. De minister had de subsidieaanvraag moeten beoordelen op basis van de somersberekening en de andere stukken die het samenwerkingsverband bij de aanvraag heeft aangeleverd. Uit die stukken blijkt dat het samenwerkingsverband met de voorgenomen beheersmaatregelen de vereiste besparing op de CO2-emissie van 10% ruimschoots realiseert.
Slotsom
Het beroep is gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen. Het College beschikt over onvoldoende informatie om het geschil definitief te kunnen beslechten. De minister moet binnen acht weken een nieuw besluit op het bezwaar nemen, op basis van de somersberekening en de andere stukken die het samenwerkingsverband bij de aanvraag heeft aangeleverd. Volledigheidshalve wijst het College de minister op het bepaalde in artikel 4:25, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
Het College:
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, mr. W.J.A.M. van Brussel en mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
w.g. D. Brugman w.g. A.M. Slierendrecht
Bijlage
Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies 2021
Artikel 5.8.3.1., eerste lid
De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van projecten gericht op het in veenweidegebieden reduceren van CO2-emissie uit percelen door het verhogen van de grondwaterstand in percelen grasland op landbouwareaal en op niet-landbouwareaal, bij voorkeur zoveel mogelijk in één of meerdere peilvakken, al dan niet in combinatie met maatregelen gericht op het reduceren van ammoniakemissie door extensivering van melkveehouderijbedrijven.
Artikel 5.8.3.6, aanhef en onder c
Onverminderd artikel 2.11 beslist de Minister afwijzend op een aanvraag voor subsidieverlening indien:c. de te realiseren emissiereductie bij vergelijking van de berekening, bedoeld in artikel 5.8.3.9, eerste lid, onderdeel c, met de berekening, bedoeld in onderdeel d van dat artikel:
Artikel 5.8.3.9., eerste lid
Onverminderd artikel 2.9 bevat de aanvraag voor subsidieverlening ten minste de volgende gegevens:
a. een intekening door de aanvrager op de beschikbaar gestelde digitale omgevingskaart met daarin aangegeven de percelen waar het samenwerkingsverband de activiteiten wil uitvoeren;
een beschrijving van de beoogde activiteiten die door het samenwerkingsverband uitgevoerd worden en een begroting van de kosten van die activiteiten volgens de omschrijving in bijlage 3;
een berekening van de huidige gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar (referentie) op de percelen veengrond conform de rekenregels van SOMERS, zoals vermeld op de website van het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden en met gebruikmaking van de digitale kaart, bedoeld in onderdeel a;
een berekening van de gemiddelde CO2-emissie per hectare per jaar op de percelen veengrond na uitvoeren van het project, waarbij op de percelen veengrond met de beoogde activiteiten, bedoeld in de onderdelen 5a en 6a van bijlage 3, de rekenregels van SOMERS worden toegepast en gebruik gemaakt wordt van de digitale kaart, bedoeld in onderdeel a;
een toelichting op de haalbaarheid van het project met daarin verwerkt de uitkomsten van de afstemming ter zake met het desbetreffende waterschap;
een beschrijving van de mogelijke omgevingseffecten;
een verduidelijking van de keuze van het samenwerkingsverband welke percelen van welke bedrijven of welke gehele melkveehouderijbedrijven meedoen.