COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen
Stichting [naam 1], te [vestigingsplaats] (stichting)
Autoriteit Consument en Markt (ACM)
uitspraak
zaaknummer: 24/552
(gemachtigde: mr. C.G. Verburg)
en
(gemachtigden: mr. G.J.P Leuverink, mr. J.T.M. Groenendijk en mr. B.V.T. van Os)
met als derde partij
Liander N.V., te Arnhem (Liander)
(gemachtigde: mr. R.W. de Vlam)
Procesverloop
Met het besluit van 6 mei 2024 (geschilbesluit) heeft de ACM besloten op de geschilaanvraag van de stichting.
De stichting heeft tegen het geschilbesluit beroep ingesteld.
De ACM heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 13 november 2025. Naast genoemde gemachtigden heeft voor Liander [naam 2] , en voor de stichting [naam 3] , aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
De stichting, een woningcoöperatie, heeft in verband met een project om twaalf woningen te realiseren, bij Liander een nettoets ingediend. Met de nettoets wordt beoordeeld of het projectplan past binnen de capaciteit van het huidige net van Liander. Het project gaat om de bouw van acht woningen aan de [straat 1] en vier woningen aan de [straat 2] in [woonplaats] . Volgens Liander blijkt uit de nettoets dat het net moet worden verzwaard met een nieuw te plaatsen transformatorstation. Uiteindelijk zijn op 19 juli 2023 de vier woningen voorzien van vier aansluitingen op het elektriciteitsnet, met een tijdelijke terugleverbeperking. In week 13 van 2024 (25 tot en met 31 maart 2024) zijn de acht woningen aangesloten op het elektriciteitsnet.
De stichting heeft daarna een aanvraag tot geschilbeslechting bij de ACM ingediend. De ACM heeft de klacht van de stichting gegrond verklaard. De ACM heeft zich op het standpunt gesteld dat de gerealiseerde aansluittermijn van 30 weken voor de vier woningen en van 66 weken voor de acht woningen onredelijk is. Volgens de ACM heeft Liander dus in strijd met artikel 23, vierde lid, van de Elektriciteitswet gehandeld.
Oordeel van het College
Het College stelt vast dat de stichting beroep heeft ingesteld tegen het geschilbesluit waarbij haar klacht gegrond is verklaard. De stichting heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijn van 18 weken die is genoemd in artikel 23, vierde lid, van de Elektriciteitswet nog steeds van kracht is. In zoverre is het besluit van de ACM onjuist, volgens de stichting.
Omdat de klacht van de stichting door de ACM gegrond is verklaard, roept het beroep van de stichting de vraag op welk (proces)belang zij met het instellen van het beroep heeft.
Volgens de rechtspraak van het College is alleen sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de belanghebbende met het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk met het aanwenden van dat rechtsmiddel kan worden bereikt en dat het realiseren van dat resultaat voor deze belanghebbende een feitelijke betekenis kan hebben en niet alleen een hypothetische (zie onder meer de uitspraken van het College van 31 maart 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:110) en van 22 augustus 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:276).
Het College is van oordeel dat de stichting geen procesbelang heeft. Uit de gronden van beroep blijkt dat de stichting het niet eens is met een deel van de motivering van het geschilbesluit, te weten de overwegingen van de ACM die zien op het al dan niet gelden van de termijn van 18 weken. Ook al zouden deze beroepsgronden slagen, dan zou het rechtsgevolg van het besluit van de ACM er niet anders van worden, want ook dan is de klacht gegrond. Een oordeel over de motivering van het geschilbesluit – en in het bijzonder de geldigheid van de termijn van 18 weken – is in dit geval dan ook alleen van principiële aard. Een rechtsmiddel is er niet voor bedoeld om kwesties van louter principiële aard te beslechten.
Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De ACM hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, mr. J.H. de Wildt en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
B. Bastein w.g. P.M. Beishuizen