ECLI:NL:CBB:2026:173

ECLI:NL:CBB:2026:173

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 24/781
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Lbv-plus. De voergang (aan de buitenzijde van de stal) is naar aanleiding van ECL:NL:CBB:2025:685 opnieuw beoordeeld. Voor de oppervlakte van de voergang achter een afscheiding van windbreekgaas komt de maatschap alsnog in aanmerking voor bijdrage waardeverlies en sloopkosten. Voor het deel van de voergang dat niet wordt afgebakend met windbreekgaas wordt teruggevallen op de buitenmuur van de stal. Dit is in overeenstemming met het systeem van de Lbv-plus en past binnen kader waarin de Europese Commissie op grond van staatssteunregels goedkeuring aan de regeling heeft gegeven.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen

maatschap [naam 1] , te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente]

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

uitspraak

zaaknummer: 24/781

(gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen)

en

(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman)

Procesverloop

Met het besluit van 1 mei 2024 heeft de minister de aanvraag van de maatschap om subsidie uit de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) gedeeltelijk toegewezen en aan de maatschap een subsidie verleend van maximaal € 1.492.481,88.

Met het besluit van 25 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de maatschap daartegen ongegrond verklaard.

De maatschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend en met de brieven van 11 en 25 maart 2026 antwoord gegeven op een vraag van het College.

De maatschap heeft een nader stuk ingediend.

De zitting was op 9 april 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen en [naam 2] en [naam 1] namens de maatschap.

Overwegingen

Inleiding

De maatschap exploiteerde een melkveehouderij. Op 20 november 2023 heeft de maatschap subsidie op grond van de Lbv-plus aangevraagd voor de onomkeerbare sluiting van haar veehouderijlocatie (artikel 4 van de Lbv-plus). Deze subsidie omvat een bijdrage in verband met het geheel of gedeeltelijk vervallen van het productierecht, een bijdrage in verband met het verlies van de waarde van de op de veehouderijlocatie gebruikte productiecapaciteit en een bijdrage in de sloopkosten (artikel 7 van de Lbv-plus).

De minister heeft deze subsidieaanvraag gedeeltelijk ingewilligd. Het maximale subsidiebedrag dat de minister heeft berekend, is lager dan het door de maatschap aangevraagde subsidiebedrag, omdat de minister de oppervlakte van de voergang aan de buitenzijde van jongveestal van 209,17 m2 niet heeft meegenomen in de berekening van het waardeverlies van deze stal en de sloopkosten. De minister is bij zijn subsidieberekening in het bestreden besluit uitgegaan van 640,83 m2 en de maatschap vindt dat hij moet uitgaan van 850 m2.

Beoordeling van het beroep

2 De hoogte van de Lbv-plussubsidie wordt onder meer bepaald door de omvang van het waardeverlies van de productiecapaciteit (artikel 7, aanhef en onder b, van de Lbv-plus). De waarde van de productiecapaciteit bedraagt de gecorrigeerde vervangingswaarde, die wordt bepaald door het aantal vierkante meters van het dierenverblijf (artikel 9, tweede lid, van de Lbv-plus). Het begrip dierenverblijf is in artikel 1 van de Lbv-plus gedefinieerd als ‘gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van ruimte voor uitloop’. In de toelichting bij dit artikel van de Lbv-plus (Stcrt. 2023 nr. 15029), staat dat bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van stallen is uitgegaan van een standaardstal (romp, afbouw en inrichting), zoals beschreven in de Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN) 2020-2021. Het betreft alleen het gebouw en een, al dan niet overdekte, uitloop is uitgezonderd. Verder is in paragraaf 6.3.1 van de toelichting van de Lbv-Plus (Stcrt. 2023 nr. 15029) toegelicht dat de oppervlakte van de romp van de stal wordt bepaald aan de hand van de buitenmaat van de stal.

3 Het College heeft in de uitspraak van 23 december 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:685) in een vergelijkbare zaak geoordeeld dat een met een ventilatiekleed afsluitbare voergang onderdeel uitmaakt van het dierenverblijf en dat het ventilatiekleed – dat met stormhaken aan de buitenkant van de betonnen voergang is vastgemaakt – als het is neergelaten als buitenmuur fungeert en daarmee als buitenmaat van de stal dient.

4 De minister heeft naar aanleiding van deze uitspraak opnieuw naar de voergang bij de jongveestal gekeken. Daarbij heeft hij geconstateerd dat de voergang in dit geval kan worden afgeschermd met een doek van windbreekgaas, maar dat deze afscheiding niet de gehele lengte van de voergang beslaat. Voor de oppervlakte van de voergang achter het windbreekgaas (82 m2) komt de maatschap alsnog in aanmerking voor een bijdrage waardeverlies productiecapaciteit en voor een bijdrage sloopkosten. Na een (ambtshalve) herberekening van de oppervlakte van de jongveestal (629,65 m2), komt de totale subsidiabele oppervlakte van deze stal volgens de minister uit op 711,65 m2.

De maatschap bestrijdt niet de door de minister gemaakte berekening van de oppervlakte van het met windbreekgaas afgebakende deel van de voergang. Volgens haar moet echter niet alleen het afgebakende deel van de voergang als onderdeel van het dierenverblijf worden aangemerkt. Zij wijst erop dat het niet met het windbreekgaas afgebakende deel tezamen met het afgebakende deel één en dezelfde voergang vormt. De volledige voergang is een noodzakelijk en essentieel onderdeel van de jongveestal. Deze opvatting vindt volgens de maatschap steun in artikel 3:4 van het Burgerlijk Wetboek. In die bepaling staat dat al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, bestanddeel is van die zaak.

De minister heeft op de zitting uiteengezet dat daar waar de voergang niet wordt afgebakend met windbreekgaas, moet worden teruggevallen op de buitenmuur van de stal. Dit sluit aan bij de systematiek van de Lbv-plus, die uitgaat van een standaardstal en waarbij de oppervlakte van de romp van de stal wordt bepaald aan de hand van de buitenmaat van de stal. Het analoog toepassen van artikel 3:4 van het Burgerlijk Wetboek gaat in tegen de uitgangspunten van deze regeling.

Het College volgt het standpunt van de minister. De door de maatschap voorgestane benadering, waarbij naar de functionaliteit wordt gekeken om te bepalen of het niet met windbreekgaas afgebakende gedeelte van de voergang (ook) onderdeel uitmaakt van het dierenverblijf, vindt geen steun in de systematiek van de Lbv-plus. Bovendien past het niet binnen het kader waarin de Europese Commissie op grond van de staatssteunregels goedkeuring heeft gegeven aan de regeling. Wat de maatschap verder nog heeft aangevoerd, waaronder over het evenredigheidsbeginsel, kan hieraan niet afdoen, omdat daar in het Europese staatssteunkader geen ruimte voor bestaat en behoeft daarom geen nadere bespreking.

Conclusie

6 Omdat, zoals uit het voorgaande volgt, de minister heeft erkend dat het bestreden besluit onrechtmatig is, zal het College het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het College kan het geschil niet finaal beslechten, omdat het niet over alle informatie beschikt die nodig is om het subsidiebedrag te bepalen dat aan de maatschap moet worden verleend. De minister zal daarom een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7 Het College veroordeelt de minister in de door de maatschap gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.976,80 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van 907,- en een wegingsfactor 1) en reiskosten. Het College gaat ervan uit dat de minister in het nieuwe besluit op bezwaar aan de maatschap een vergoeding toekent voor de door de maatschap in bezwaar gemaakte proceskosten voor het indienen van een bezwaarschrift en voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar.

Beslissing

Het College:

- veroordeelt de minister in de proceskosten van de maatschap tot een bedrag van € 1.976,80.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. R.W.L. Koopmans en mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

w.g. A. Venekamp w.g. C.E.C.M. van Roosmalen

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.E.C.M. van Roosmalen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?