COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college van b en w)
uitspraak
zaaknummer: 23/1867
en
(gemachtigde: mr. M. ten Doesschate)
Procesverloop
Met het besluit van 18 juli 2023 heeft het college van b en w aan [naam] een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van de Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening).
Met het besluit van 20 september 2023 (het bestreden besluit) heeft het college van b en w het bezwaar van [naam] daartegen ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het college van b en w heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 12 maart 2026. Aan de zitting heeft deelgenomen de gemachtigde van het college van b en w.
Overwegingen
Aanleiding voor de procedure
[naam] is werkzaam als taxichauffeur. Hij heeft geen vergunning voor het verrichten van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt (Taxxxivergunning).
Op 16 maart 2023 hebben toezichthouders van de gemeente Amsterdam gezien dat [naam] met zijn taxi stilstond op De Ruijterkade ter hoogte van een TTO-standplaats. De taxi had de kenmerken van een TTO-taxi, met een daklicht, een Taxxxiraamkaart en een TTO-informatiekaart. De toezichthouders hebben [naam] om 11.58 uur staande gehouden op verdenking van het aanbieden van taxivervoer op de opstapmarkt zonder Taxxxivergunning. [naam] heeft bij de staandehouding verklaard dat hij geen taxivervoer op de opstapmarkt aanbiedt. De toezichthouders hebben een rapport van bevindingen opgemaakt en op ambtsbelofte ondertekend.
Naar aanleiding van het rapport van bevindingen heeft het college van b en w met een brief van 28 maart 2023 aan [naam] meegedeeld dat het voornemens is om een last onder dwangsom op te leggen. [naam] is vervolgens in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze in te dienen. Dit heeft hij op 3 april 2023 gedaan en daarbij onder andere verklaard dat hij een klant heeft opgehaald bij Hotel 717 voor een rit naar het Centraal Station. Nadat hij de klant had afgezet, is hij staande gehouden door de toezichthouder. Op dat moment kwam hij erachter dat het TTO-daklicht nog op de taxi aanstond. Het gaat om een menselijke fout. Hij had op die ochtend verdrietig nieuws gekregen en was er niet met zijn gedachten bij toen hij in de taxi stapte en wegreed.
2 Het college van b en w heeft met het besluit van 18 juli 2023 aan [naam] een last onder dwangsom opgelegd van € 5.500,- voor iedere keer dat hij opnieuw taxivervoer op de opstapmarkt in Amsterdam aanbiedt zonder Taxxxivergunning met een maximum van € 27.550,-.
Standpunt van partijen
[naam] betwist dat hij op 16 maart 2023 in Amsterdam taxivervoer heeft aangeboden op de opstapmarkt. Hij deelt al jarenlang een taxi met zijn broer, die een TTO-vergunning heeft. Hij houdt zich bezig met het dispatchen van taxi’s en rijdt daarbij zelf ook als taxichauffeur, waarbij hij via een eigen werkapplicatie ritten aan zowel andere chauffeurs als aan zichzelf toewijst. Op 16 maart 2023 heeft zijn broer eerst met de taxi gereden. Daarna heeft [naam] bij het ophalen van zijn klant bij Hotel 717 vergeten het TTO-daklicht uit te schakelen en de TTO-raam- en informatiekaarten van zijn broer te verwijderen. Om te bewijzen dat geen sprake was van het (onbevoegd) aanbieden van taxivervoer, heeft hij een screenshot van zijn werkapplicatie (AAS) overgelegd waarop is te zien dat om 11.13 uur een taxi is besteld door Hotel 717 en dat het ging om een rit naar het Centraal Station. Hij heeft in dit verband ook een logboek overgelegd waaruit de bestelde rit blijkt en een e-mail van Hotel 717 die dit bevestigt. Het tijdsverloop tussen het ophalen van de klant (11.32 uur) en staandehouding (11.53 uur) maakt het volgens hem aannemelijk dat hij vanwege de korte afstand (van 5,1 km) bezig was met het uitvoeren van een bestelde rit. Dat de duur van de rit (vijftig minuten) en de aankomsttijd (12.23 uur) op het screenshot verschilt van het tijdstip van staandehouding, komt doordat bij het bepalen van de ritduur in de werkapplicatie rekening wordt gehouden met files en andere vertragingen. Ook heeft hij verklaard dat dit verschil komt doordat in het logboek de tijd die was gemoeid met de staandehouding is geregistreerd.
Het college van b en w heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Beoordeling door het College
De Taxiverordening vindt haar wettelijke grondslag in artikel 82b van de Wet personenvervoer 2000 (Wp 2000). Op grond van artikel 82c van de Wp 2000, in samenhang gelezen met artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is het college van b en w bevoegd tot handhaving van de in de Taxiverordening gestelde verplichtingen door oplegging van een last onder dwangsom.
Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening is het verboden om zonder geldige Taxxxivergunning op de in bijlage 1 van de Taxiverordening aangegeven delen van de openbare weg taxivervoer aan te bieden, waaronder het gebied binnen de ring A10 van Amsterdam. Daaronder valt ook de in dit geding aan de orde zijnde locatie, De Ruijterkade nabij het Centraal Station.
In deze zaak is de vraag aan de orde of [naam] op 16 maart 2023 artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening heeft overtreden en of het college van b en w dus bevoegd was tot het opleggen van de last onder dwangsom. Daartoe overweegt het College als volgt.
Een bestuursorgaan mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport van bevindingen, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
Onder verwijzing naar de rechtspraak van het College, waaronder de uitspraak van 15 augustus 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:414, onder 7.3) overweegt het College dat indien een taxichauffeur zonder geldige Taxxxivergunning met een als taxi herkenbare auto stilstaat op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plaats, zonder dat hij op dat moment bezig is met het ophalen (laden) of afzetten (lossen) van klanten die bij hem een taxirit hebben besteld, dat de conclusie rechtvaardigt dat hij daar taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt. Deze aanname kan door de taxichauffeur slechts worden weerlegd door aannemelijk te maken dat hij daar staat ter uitvoering van een bij hem bestelde taxirit of als gevolg van overmacht. De taxichauffeur die op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plaats staat, zonder bezig te zijn met een bestelde taxirit, riskeert dan ook niet alleen een boete voor verkeerd parkeren of stilstaan op een plaats waar dat niet mag, maar ook dat hem een last onder dwangsom wordt opgelegd. Het College gaat er daarbij van uit dat algemeen bekend is of bekend mag worden verondersteld, zeker bij taxichauffeurs in Amsterdam, welke plaatsen bekend staan als illegale opstapplaatsen voor taxi’s.
Tussen partijen is niet in geschil en ook het College gaat ervan uit dat [naam] zich op 16 maart 2023 op een locatie bevond die bekend staat als een illegale opstapplaats, dat hij daar met een als taxi herkenbare auto stond en dat hij geen geldige Taxxxivergunning op zijn naam heeft.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [naam] aannemelijk heeft gemaakt dat hij daar stond ter uitvoering van een vooraf bestelde taxirit. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend. [naam] heeft bij de staandehouding niet gesteld dat hij was besteld via zijn eigen werkapplicatie (AAS) en heeft op dat moment ook geen bewijs daarvan overgelegd. Eerst bij de zienswijze heeft hij een screenshot overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat hij was besteld op 16 maart 2023. In het screenshot staan echter tegenstrijdigheden met wat in het rapport van bevindingen is vermeld. [naam] heeft in bezwaar en beroep geen eenduidige verklaringen gegeven waarom de werkelijke aankomsttijd op het screenshot afwijkt van het moment waarop hij zijn klant zou hebben afgezet bij het Centraal Station, vlak voor de staandehouding. Ook de in beroep overgelegde verklaring van Hotel 717 is onvoldoende om de waarnemingen van de toezichthouders te ontkrachten. Deze verklaring is zeven maanden later opgesteld en roept vragen op over de objectiviteit daarvan, mede gezien de specifieke kennis die het hotel over deze taxirit zou hebben. [naam] is niet op de zitting verschenen en heeft hierover geen uitleg kunnen geven. Daarom kan aan deze verklaring niet de door [naam] gewenste waarde worden gehecht.
Hieruit volgt dat [naam] op 16 maart 2023 taxivervoer heeft aangeboden op de opstapmarkt zonder Taxivergunning en daarmee artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening heeft overtreden. Het college van b en w was daarom bevoegd om de last onder dwangsom op te leggen om herhaling van deze overtreding te voorkomen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van b en w niet van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, is het College niet gebleken.
Slotsom
6 Het beroep is ongegrond. Het college van b en w hoeft geen proceskosten te betalen.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
w.g. A. van Gijzen w.g. C.E.C.M. van Roosmalen
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 5:32
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
2. Voor een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.
3. Indien de last onder dwangsom strekt ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens een regeling die is genoemd in hoofdstuk 2, 3 of 4 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak of in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht, wordt de last onder dwangsom voor de toepassing van de twee laatstgenoemde regelingen aangemerkt als een besluit, genomen op grond van de eerstbedoelde regeling.
Wet Personenvervoer 2000 (WP 2000)
Artikel 75
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt met het verrichten van taxivervoer gelijkgesteld het aanbieden van dat vervoer, tenzij dit aanbieden geschiedt door tussenpersonen die bemiddelen in dat vervoer bij wijze van dienstverlening of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder «de vervoerder die taxivervoer verricht» verstaan: degene die taxivervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto.
Artikel 82
1. Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen regels worden gesteld die in het belang zijn van de kwaliteit van op de gemeentelijke openbare weg aangeboden taxivervoer.
2. De in het eerste lid bedoelde regels strekken tot aanvulling van de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen en hebben geen betrekking op andere onderwerpen dan die van de artikelen 82a en 82b.
Artikel 82b
1. Onverminderd artikel 82a kan bij of krachtens gemeentelijke verordening worden bepaald dat het gebruik van de bij die verordening te bepalen gemeentelijke openbare weg of delen daarvan, voor wat betreft het aldaar aanbieden van taxivervoer, uitsluitend is voorbehouden aan vervoerders en bestuurders van auto’s die taxivervoer verrichten die overeenkomstig de bij en krachtens dit artikel gestelde regels deel uitmaken van een organisatorisch verband.
[…]
Artikel 82c
In afwijking van artikel 93 is het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving krachtens deze paragraaf gestelde verplichtingen.
Taxiverordening Amsterdam 2012 (Taxiverordening)
Artikel 2.3
1. Het is een chauffeur verboden om zonder Taxxxivergunning van het college op de
in bijlage I aangegeven delen van de openbare weg taxivervoer aan te bieden.
2. Het is een organisatorisch verband van onder andere chauffeurs en vervoerders,
verboden om zonder een TTO-vergunning van het college aangeslotenen op de in
bijlage I aangegeven delen van de openbare weg taxivervoer aan te laten bieden.
Bijlage I
Op onderstaande delen van de openbare weg is het verboden zonder vergunning van het college taxivervoer aan te bieden:
a. het gebied binnen de ring A10 van Amsterdam inclusief de ring A10, hierna te noemen gebied A;
b. het gebied buiten de ring A10 van Amsterdam inclusief Amsterdam Noord, hierna te noemen gebied B.