COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen
[naam] te [woonplaats]
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
Zaaknummer: 24/626
(gemachtigde: mr. Y. Wong)
en
(gemachtigden: mr. S.F. Hu en mr. M.J.H. van der Burgt)
Procesverloop
Met het besluit van 27 september 2023 (invorderingsbesluit) heeft de minister aan appellant medegedeeld dat niet volledig is voldaan aan de opgelegde last onder dwangsom en dat daarom verbeurde dwangsommen van € 3.000,- worden ingevorderd.
Met het besluit van 10 juni 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het invorderingsbesluit ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 19 februari 2026. Aan de zitting hebben appellant en zijn gemachtigde en de gemachtigden van de minister deelgenomen. Voor de minister waren ook [toezichthouder] en B.M. van der Velden aanwezig.
Overwegingen
Inleiding
Dit geschil gaat over de invordering van verbeurde dwangsommen vanwege het niet (volledig) voldoen aan een last onder dwangsom.
Op 16 mei 2023 bezocht een toezichthouder de woning van de vader van appellant naar aanleiding van een melding waarin zorgen werden geuit over de huisvesting van honden op het adres. De toezichthouder constateerde dat in de woonkamer en keuken van de woning en in de garage vijftien honden van het ras Pocket Bully werden gehouden op een wijze die in strijd was met de Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Bhd). (Sommige van) de honden hadden niet de beschikking over vers water en werden gehuisvest in te kleine, koude hondenhokken die vervuild waren met ontlasting en urine in een ruimte met onvoldoende ventilatie en onvoldoende prikkels. De toezichthouder heeft de bevindingen van haar inspectie neergelegd in een rapport van bevindingen van 19 mei 2023.
De minister heeft in het rapport van bevindingen aanleiding gezien om aan appellant bij besluit van 26 juni 2023 een last onder dwangsom op te leggen wegens overtredingen van de Wet dieren en het Bhd die opdraagt tot het beëindigen en beëindigd houden van de overtredingen. In de last onder dwangsom worden vijf maatregelen opgelegd:
“1. Zorg dat uw honden voldoende vers en schoon drinkwater hebben. Uw honden moeten goed bij dit water kunnen komen.
2. Zorg dat uw honden altijd een schone en droge huisvesting hebben. Verwijder onder andere de aanwezige ontlasting en/of urine en reinig de ruimtes goed.
3. Zorg dat de hokken van uw honden geschikt zijn voor de diersoort die u hierin houdt. Zo zorgt u ervoor dat uw dieren op de juiste wijze gehouden kunnen worden en zij aan hun soortspecifieke behoefte kunnen voldoen.
4. Zorg dat in de garage waar u uw honden houdt voldoende verse lucht binnenkomt. Alle ruimtes waarin dieren aanwezig zijn, moeten goed geventileerd zijn en de dieren moeten voldoende frisse lucht hebben.
5. Zorg dat u de bewegingsvrijheid van uw honden niet zodanig beperkt dat uw honden hierdoor onnodig lijden en/of letsel wordt toegebracht.”
In de last onder dwangsom staat dat maatregel 1 per direct moet worden genomen en maatregelen 2 tot en met 5 vóór 20 juli 2023. De maatregelen moeten ook in stand worden gehouden. Voor iedere niet (tijdig) uitgevoerde maatregel wordt een dwangsom van € 1.000,- verbeurd.
Op 23 augustus 2023 bezocht de toezichthouder het pand opnieuw voor een hercontrole. De bevindingen tijdens de hercontrole zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 5 september 2023. Het rapport van bevindingen is voor de minister aanleiding geweest het invorderingsbesluit te nemen. Volgens de minister blijkt uit het rapport van bevindingen dat drie van de vijf maatregelen niet zijn uitgevoerd. Door het niet (volledig) uitvoeren van de last zijn drie dwangsommen van € 1.000,- verbeurd (totaal € 3.000,-).
Standpunten van partijen
Appellant betoogt dat hij geen overtreder is. De honden zijn van zijn vader en alleen zijn vader verzorgde de honden in zijn eigen woning. Appellant woont ergens anders. Bovendien heeft hij een baan en daarom geen tijd om zich met de honden bezig te houden. Hij is ook geen eigenaar van de honden. Appellant wijst er op dat hij om deze redenen ook niet bij machte was om de maatregelen uit te voeren.
De minister stelt zich op het standpunt dat appellant overtreder is, omdat hij als houder van de honden kan worden aangemerkt. Volgens de minister was appellant nauw betrokken bij de zorg voor de honden samen met zijn vader. In het rapport van bevindingen staat dat appellant op de dag van de inspectie op 16 mei 2023 aanwezig was en de honden water gaf op instructie van de toezichthouder. Aan de toezichthouder zou appellant hebben medegedeeld dat hij die dag al vroeg aanwezig was om de hokken schoon te maken. Verder adverteert appellant op Marktplaats en Facebook om de honden te verkopen. Ook blijkt uit een buurtonderzoek dat appellant met zijn vader twee keer met een camper met benches vertrok en terugkwam met honden.
Beoordeling door het College
Het College stelt vast dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het dwangsombesluit. Dit betekent dat de rechtmatigheid van dit besluit en van de daarin aan appellant opgelegde maatregelen in beginsel vaststaat. Een belanghebbende kan in een procedure tegen een invorderingsbesluit in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn als evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. Een ander uitzonderlijk geval kan de onuitvoerbaarheid van een last betreffen. De opgelegde last blijkt dan om technische of juridische redenen evident niet uitvoerbaar te zijn (zie de uitspraak van het College van 9 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:454, onder 4.1).
Het College oordeelt dat in dit geval van een uitzonderlijk geval sprake is, omdat appellant evident geen overtreder is en omdat de last voor hem evident niet uitvoerbaar was. Het College licht dit oordeel hieronder toe.
Op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. De minister heeft aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd dat appellant bepalingen uit de Wet dieren en het Bhd heeft overtreden. Voor de vraag wie als overtreder moet worden aangemerkt op grond van de Wet dieren of het Bhd, is van belang wie de houder is van de dieren. Op grond van artikel 1 van de Wet dieren, wordt onder houder verstaan: eigenaar, houder of hoeder. Uit de uitspraak van het College van 1 september 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:261) volgt dat voor de vraag wie als houder van een dier kan worden aangemerkt niet doorslaggevend is wie de eigenaar van het dier is, maar wie het dier in feitelijke zin onder zich heeft.
Vaststaat dat de honden werden gehouden in de woning van de vader van appellant en dat appellant zelf ergens anders woont. Volgens de minister was appellant niettemin nauw betrokken bij de zorg voor de honden, zodat hij als overtreder kan worden aangemerkt. De minister wijst daartoe in de eerste plaats op het rapport van bevindingen over de inspectie op 16 mei 2023, waarin staat dat appellant zou hebben verklaard dat hij die dag al vroeg op was om de hokken schoon te maken. Ter zitting heeft appellant gesteld dat het niet mogelijk was dat hij ’s ochtends al aanwezig was, omdat hij toen op zijn werk was, en dat hij pas na zijn dienst bij zijn vader op bezoek kwam, toen de inspectie bezig was. De toezichthouder heeft op de zitting verklaard zich niet meer te kunnen herinneren wie de opmerking over het schoonmaken van de hokken maakte, maar heeft wel bevestigd dat appellant pas tijdens de inspectie arriveerde en niet al aanwezig was toen zij bij de woning arriveerde. Het College acht het in dat licht aannemelijk dat het niet appellant, maar zijn vader is geweest die heeft verklaard ’s ochtends vroeg op te zijn gestaan om de hokken schoon te maken. Omdat appellant en zijn vader dezelfde achternaam en eerste voorletter hebben, gaat het College ervan uit dat het rapport van bevindingen op dit punt een verschrijving bevat. Verder zou appellant de honden op verzoek van de toezichthouder water hebben gegeven, maar het College ziet niet in hoe deze omstandigheid bijdraagt aan het oordeel dat appellant houder zou zijn.
De minister heeft ook gewezen op de marktplaatsadvertenties die appellant zou hebben geplaatst. Op het overzicht van dit account staat echter een e-mailadres waarvan niet is gebleken dat dit het e-mailadres van appellant is. Het telefoonnummer dat bij het account hoort correspondeert niet met het telefoonnummer van appellant, maar wel met het telefoonnummer van zijn vader, dat bij het College bekend is. Daarnaast is het account aangemaakt in 2008, zodat het gelet op het geboortejaar van appellant, 2001, niet aannemelijk is dat dit zijn account is. Dat appellant het account zou beheren, heeft de minister gesteld noch aannemelijk gemaakt. Wat de Facebookadvertenties betreft heeft appellant ter zitting toegelicht dat hij op Facebook wel eens berichten van zijn vader deelde op zijn eigen tijdlijn, maar dat hij de advertenties niet zelf aanmaakte. De minister heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Uit de screenshots van Facebook bij het rapport van bevindingen van 19 mei 2023 kan niet worden afgeleid of appellant de advertenties zelf plaatste of alleen deelde.
Ook uit het buurtonderzoek kan niet worden afgeleid dat appellant betrokken was bij de zorg voor de honden. Appellant heeft ter zitting toegelicht dat hij wel eens meeging met zijn vader in de camper naar een hondenshow en dat hij de honden wel eens uitliet als hij op bezoek was bij zijn vader. Die omstandigheden zijn naar het oordeel van het College onvoldoende om aan te nemen dat appellant de honden feitelijk onder zich had. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit om meer dan incidentele activiteiten ging.
Pas op de zitting heeft de minister het subsidiaire standpunt ingenomen dat appellant eigenaar was van de honden. Daartoe heeft de minister erop gewezen dat appellant een aantal pups heeft geregistreerd onder een bepaald Uniek Bedrijfsnummer (UBN), maar de minister heeft dit standpunt niet nader onderbouwd. Voor zover de minister in dit verband wijst op het rapport van bevindingen van 19 mei 2023, stelt het College vast dat daarin in relatie tot de registratie van de pups en het UBN alleen de achternaam van appellant staat vermeld, zodat dit evengoed betrekking kan hebben op zijn vader.
Uit het voorgaande volgt dat appellant niet als houder in de zin van artikel 1 van de Wet dieren kan worden aangemerkt, zodat hij ook niet als overtreder van de aan de last ten grondslag gelegde bepalingen van de Wet dieren en het Bhd kan worden aangemerkt.
Omdat de honden werden gehouden in de woning van de vader van appellant, was het voor appellant daarnaast ook feitelijk en juridisch niet mogelijk om de maatregelen uit te voeren. Omdat appellant geen eigenaar, huurder of bewoner was van de woning had hij geen zeggenschap over of invloed op de wijze waarop de honden werden gehuisvest. De maatregelen moesten daarnaast ook in stand worden gehouden, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Het schoonhouden van de hokken, het ventileren van de ruimten en het verstrekken van water aan de honden, waartoe de maatregelen strekken, vergen echter voortdurende of herhaalde handelingen die appellant feitelijk niet kon uitvoeren in andermans woning. De last was daarom voor appellant evident onuitvoerbaar.
Omdat appellant evident geen overtreder is en de last voor hem evident onuitvoerbaar was, had de minister moeten afzien van de invordering bij appellant van de verbeurde dwangsommen. Het betoog slaagt.
De overige beroepsgronden hoeven niet meer te worden besproken.
Slotsom
Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de minister het bij appellant ingevorderde bedrag van € 3.000,- aan hem moet terugbetalen. Ook moet de minister het griffierecht aan appellant vergoeden.
Het College veroordeelt de minister daarnaast in de door appellant gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1) en in de door appellant in bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.332,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting; waarde per punt € 666,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
Het College:
- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 1.868,- en in de proceskosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 1.332,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. H.O. Kerkmeester en mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. C.A. Blankenstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. C.A. Blankenstein