COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (appellante)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummers: 24/86
(gemachtigden: mr. B.M. Kleijs en mr. M. den Toon)
Procesverloop
Met het besluit van 10 augustus 2023 (primaire besluit inbeslagname) heeft de minister de invoer in Nederland van de kat en twee honden van appellante geweigerd en de dieren in quarantaine geplaatst, vanwege de overtreding van artikel 10 van Verordening (EU) nr. 576/2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren (Verordening 576/2013).
Met het besluit van 15 augustus 2023 (primaire besluit kosten) heeft de minister € 1.011,66 aan gemaakte kosten op appellante verhaald.
Met het besluit van 8 december 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit inbeslagname ongegrond verklaard. Met hetzelfde besluit is appellantes bezwaar tegen het kostenbesluit gegrond verklaard. Het besluit van 15 augustus 2023 is gedeeltelijk herroepen, in die zin dat de te verhalen kosten lager zijn vastgesteld, namelijk op een bedrag van € 967,33.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Appellante heeft een nader stuk ingezonden.
De zitting was op 8 december 2025. Aan de zitting hebben appellante en de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
Deze zaak gaat over de inbeslagname van de kat en de twee honden van appellante op 9 augustus 2023 op Schiphol. Appellante was op doorreis van Pakistan naar Burundi waarbij zij in Nederland een tussenstop maakte voor een kort verblijf van drie weken. Haar kat en twee honden reisden met haar mee. Op Schiphol aangekomen, werden de dieren in beslag genomen, omdat niet was voldaan aan de vereisten van invoer en/of doorvoer van deze dieren vanuit een derde land naar de Europese Unie. Een dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft vastgesteld dat de dieren niet beschikten over een naar behoren ingevuld identificatiedocument waardoor niet was voldaan aan de eisen met betrekking tot de rabiësvaccinatie en de titreringstest op rabiësantilichamen.
Op 10 augustus 2023 heeft de minister op grond van artikel 10, gelezen in samenhang met artikel 35 van Verordening 576/2013 de invoer geweigerd en de dieren in quarantaine geplaatst. De dieren konden worden vrijgegeven zodra de originelere diergezondheidscertificaten, getekend en geautoriseerd door de Pakistaanse overheid, waren ontvangen.
Op 15 augustus 2023 heeft de minister op grond van artikel 35, tweede lid, van Verordening 576/2013 de kosten van inbeslagname ter hoogte van € 1.011,66 op appellante verhaald. Deze kosten zien op het verblijf in quarantaine (€ 575,76) en op diergeneeskundige verzorging (€ 435,90). Nadat de juiste documenten waren ontvangen, zijn de dieren op 17 augustus 2023 vrijgegeven. De duur van de inbeslagname was negen dagen (9 - 17 augustus 2023).
Het bezwaarschrift van appellante tegen het primaire besluit inbeslagname is met het besluit van 8 december 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Met hetzelfde besluit is appellantes bezwaarschrift tegen het kostenbesluit gegrond verklaard. Het besluit van 15 augustus 2023 is gedeeltelijk herroepen, in die zin dat de te verhalen kosten lager zijn vastgesteld, namelijk op een bedrag van € 967,33.
Tegen dit besluit van 8 december 2023 richt zich het beroep van appellante.
Standpunten van partijen
Appellante meent dat haar dieren ten onrechte in beslag zijn genomen. In de eerste plaats is zij het oneens met het standpunt van de minister dat de lokale veterinaire autoriteit de gezondheidsdocumenten moest bekrachtigen. Vanwege de beperkte ruimte op het gezondheidscertificaat (4 blz.) had de dierenarts alleen de meest recente rabiësvaccinatie van januari 2023 ingevuld en niet ook de herhalingsvaccinaties uit het verleden. Appellante meent dat zij op Schiphol ten onrechte niet om uitleg is gevraagd of de mogelijkheid heeft gekregen om alle vaccinaties in de betreffende dierenpaspoorten aan te wijzen. Ook past de minister volgens appellante de regelgeving te rechtlijnig en streng toe. Zij wijst op het hoge aantal PV’s dat op Schiphol wordt uitgeschreven (in 2022: 600) en het dierenleed dat op deze manier ontstaat. Zij vordert tot slot de door haar betaalde kosten terug en een schadevergoeding. Appellante voert geen gronden aan tegen de hoogte van de in rekening gebrachte kosten.
De minister meent dat het besluit op goede gronden is genomen.
Beoordeling door het College
Wettelijk kader
3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Was de minister bevoegd om de dieren in quarantaine te plaatsen?
De minister heeft de dieren van appellante in quarantaine geplaatst, omdat het gezondheidscertificaat van de dieren niet naar behoren was ingevuld. Kern van het geschil tussen appellante en de minister is de vraag of het diergezondheidscertificaat alle data van de (herhalings)vaccinaties en hun geldigheidsduur diende te bevatten of alleen (zoals in het geval appellante) de meest recente rabiësvaccinatie van elk dier. Volgens appellante bleken die eerdere vaccinaties uit de dierenpaspoorten. Appellante meent dat de minister haar kat en haar twee honden daarom niet in quarantaine had mogen plaatsen. Het College oordeelt dat de minister wel bevoegd was om de dieren in quarantaine te plaatsen, omdat uit Verordening 576/2013 volgt dat het gezondheidscertificaat alle (herhalings)vaccinaties en hun geldigheidsduur dient te vermelden. Hierna legt het College uit hoe het tot dit oordeel komt.
Artikel 10 van Verordening 576/2013 staat onder (strikte) voorwaarden toe dat dieren vanuit een derde land worden ingevoerd in de Europese Unie. Dit artikel vereist dat het dier is gechipt, dat het een rabiësvaccinatie heeft gekregen en een titreringstest op rabiësantilichamen heeft ondergaan. De vaccinatie en titreringstest moeten voldoen aan de specifieke geldigheidsvoorschriften uit bijlagen III en IV van Verordening 576/2013. Ook moet het dier vergezeld gaan van een naar behoren ingevuld identificatiedocument. In het geval van appellante is dit het diergezondheidscertificaat als bedoeld in artikelen 25 en 26 van Verordening 576/2013. Artikel 26 van Verordening 576/2013 bepaalt dat dit certificaat moet worden afgegeven door een officiële dierenarts van het betreffende gebied, waarna het door de bevoegde autoriteit moet worden bekrachtigd. De afgevende dierenarts moet de betrokken rubrieken met de in artikel 25, lid 1, onder a) tot en met h), bedoelde informatie in het identificatiedocument naar behoren invullen, zo vervolgt artikel 26 van Verordening 576/2013. Wanneer bij controle blijkt dat een dier niet voldoet aan deze voorwaarden, dan heeft de bevoegde autoriteit in overleg met de officiële dierenarts en, indien nodig, met de eigenaar verschillende opties, waaronder het dier terug te sturen naar het land van verzending, het dier in quarantaine te plaatsen (onder officieel toezicht) dan wel om het dier af te maken. Dit volgt uit artikel 35 van Verordening 576/2013. In het geval van appellante is voor de tweede optie gekozen.
Het College moet dus eerst vaststellen of uit Verordening 576/2013 volgt dat de herhalingsvaccinaties in het diergezondheidscertificaat hadden moeten worden opgenomen. Als dat wordt vastgesteld, dan staat de overtreding vast, omdat appellante heeft erkend dat deze gegevens niet op het diergezondheidscertificaat stonden vermeld. Uit Verordening 576/2013 volgt dat dan ook vaststaat dat de minister in beginsel bevoegd was tot het in quarantaine plaatsen van appellantes dieren.
Tijdens de zitting heeft het College vastgesteld dat voor de dieren van appellante geen nieuwe (recente) titreringstest is afgenomen, maar dat de oorspronkelijke titreringstest geldig is, omdat de herhalingsvaccinaties telkens binnen de geldigheidsduur van de vorige vaccinaties zijn gezet. Op grond van Bijlage IV tweede lid, onder d, van Verordening 576/2013 hoeft een titreringstest niet te worden hernieuwd na een toereikend resultaat, mits het betreffende dier opnieuw wordt gevaccineerd binnen de geldigheidsduur van de vorige vaccinatie. Door het opnemen van de herhalingsvaccinaties in het diergezondheidscertificaat valideert de bevoegde autoriteit dat de titreringstestresultaten nog steeds geldig zijn en is dit ook controleerbaar voor de dierenarts van de NVWA. Verordening 577/2013 werkt nader uit aan welke eisen het diergezondheidscertificaat uit Verordening 576/2013 moet voldoen, waaronder het vereiste van het opnemen van de herhalingsvaccinaties. In Deel I van Bijlage IV bij Verordening 577/2013 (onder II.3) staat letterlijk genoemd wat de officiële dierenarts van de bevoegde autoriteit van (in dit geval) Pakistan moet verklaren met betrekking tot de rabiësvaccinatie en de titreringstest. Hij verklaart dat de rabiësvaccinatie van de dieren die in het diergezondheidscertificaat staan genoemd aan de geldigheidsvoorschriften voldoet en dat (ten behoeve van de titreringstest) eventuele latere herhalingsvaccinaties zijn uitgevoerd binnen de geldigheidsduur van de vorige vaccinatie. Daartoe worden, zo volgt uit voetnoot 6 hierbij, gewaarmerkte kopieën van de identificatie- en vaccinatiegegevens van de betrokken dieren aan het certificaat gehecht. Met de minister is het College daarom van oordeel dat in het geval van appellante de herhalingsvaccinaties op het diergezondheidscertificaat hadden moeten worden vermeld. Nu dit niet is gebeurd, was dit certificaat niet naar behoren ingevuld en was de minister bevoegd om appellantes dieren in quarantaine plaatsen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Was de plaatsing in quarantaine ook noodzakelijk?
Nu het College heeft geoordeeld dat de minister in beginsel bevoegd was tot het plaatsen van de dieren in quarantaine, is de vervolgvraag of die plaatsing ook noodzakelijk was. Appellante heeft immers aangevoerd dat de ontbrekende gegevens, zoals genoemd onder 4, wel degelijk aanwezig waren en dat zij die ook kon overleggen maar dat haar daarvoor niet de gelegenheid is geboden. Het College leest in deze stelling een beroep op het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel in de zin van artikel 41, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU Handvest). Volgens appellante past de minister de regels, kortom, te rechtlijnig en streng toe. Het College vat appellantes betoog dat de herhalingsvaccinaties uit de dierenpaspoorten bleken, daarom ook op als een beroep op het (Unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel. Dit houdt onder meer in dat de rechter moet toetsen of de genomen maatregelen noodzakelijk zijn om het daarmee te dienen doel te bereiken en er geen andere geschikte maatregelen konden worden gekozen die minder belastend waren voor de belanghebbende. Het College oordeelt dat de plaatsing in quarantaine noodzakelijk was. Hierna legt het College uit waarom.
Appellante heeft aangevoerd dat alle rabiësvaccinaties in de dierenpaspoorten stonden, maar dat haar niet de gelegenheid is geboden om die te laten zien. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat het beroep op het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet opgaat, omdat rechtstreeks uit Verordening 576/2013 en Verordening 577/2013 volgt dat de herhalingsvaccinaties uit het diergezondheidscertificaat moesten blijken. De dierenpaspoorten speelden daarbij geen rol. Het College is van oordeel dat de minister daarmee een juiste lezing heeft gegeven van de beide verordeningen. Voorts heeft het College op de zitting vastgesteld dat wel met appellante is overlegd over de te nemen maatregelen (de quarantaine). Appellante is in dat kader dus gehoord voorafgaand aan het voor haar nadelige besluit. Uit artikel 35 van Verordening 576/2013 volgt immers dat meerdere opties mogelijk zijn, waaronder ook het terugsturen van de dieren naar Pakistan. Het College is daarom met de minister van oordeel dat geen sprake is van schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel.
In het verlengde hiervan oordeelt het College dat evenmin sprake is van schending van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Verordening 576/2013 en Verordening 577/2013 schrijven naar het oordeel van het College dwingend voor aan welke vereisten het diergezondheidscertificaat moet voldoen. Daaruit blijkt dat de herhalingsvaccinaties in het diergezondheidscertificaat moeten zijn opgenomen. Beide verordeningen bieden geen ruimte om hiervan af te wijken en genoegen te nemen met dierenpaspoorten. Bedoeld is om te zorgen voor een uniform en toereikend niveau van veiligheid ten aanzien van de risico’s voor de volks- en de diergezondheid in verband met het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren. De minister heeft in het bestreden besluit ook toegelicht dat de noodzaak van opname van de herhalingsvaccinaties juist zit in het moeten laten bekrachtigen van deze certificaten door de veterinaire autoriteit van het land van vertrek. Dit is nodig omdat er veel gefraudeerd wordt met vaccinaties en documentatie. Zo worden volgens de minister bijvoorbeeld op regelmatige basis valse labuitslagen vastgesteld. Om die reden kan niet zonder meer worden vertrouwd op andere documenten en wordt om een door de veterinaire autoriteit bekrachtigd en door een officiële dierenarts ondertekend volledig en juist ingevuld gezondheidscertificaat gevraagd. Op de zitting heeft de minister ook gezegd zich niet te herkennen in het beeld dat de Europese regels te streng zouden worden toegepast. Appellante heeft erkend de stelling niet te kunnen onderbouwen bij gebrek aan gegevens. Die gegevens heeft appellante opgevraagd bij de NVWA. De minister meent dat de regels correct worden toegepast en heeft gewezen op het enorme gevaar van rabiës. Het is een zeer gevaarlijke, pijnlijke en dodelijke ziekte. Door een beet, krab of lik van een besmet dier kunnen andere dieren en mensen de ziekte krijgen. In het bestreden besluit heeft de minister toegelicht dat de ziekte, wanneer symptomen optreden bij dieren, in 100% van de gevallen een fatale afloop heeft. Ook voor de mens is een rabiësbesmetting, indien niet acuut medisch wordt ingegrepen, direct levensbedreigend. Het College ziet geen aanleiding om aan het standpunt van de minister te twijfelen. Naar het oordeel van het College heeft de minister in het geval van appellante daarom op juiste wijze uitvoering gegeven aan de Europese regels en gaat appellantes beroep op het evenredigheidsbeginsel niet op.
De beroepsgronden slagen niet.
Verzoek om schadevergoeding en bevoegdheid College
6 Nu het College heeft geoordeeld dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is, zal het College het verzoek om een schadevergoeding afwijzen.
Slotsom
7 Het beroep is ongegrond.
8 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van mr. B. van den Bergh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
w.g. C. de Kruif w.g. B. van den Bergh
Bijlage
Verordening 576/2013
Artikel 10, aanhef en eerste lid,
Voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten:
1. Gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten mogen niet uit een gebied of een derde land naar een lidstaat worden verplaatst, tenzij zij voldoen aan de volgende voorwaarden:
a. a) zij zijn gemerkt overeenkomstig artikel 17, lid 1;
b) zij hebben een vaccinatie tegen rabiës ontvangen die voldoet aan de geldigheidsvoorschriften van bijlage III;
c) zij hebben een titreringstest op rabiësantilichamen ondergaan die voldoet aan de geldigheidsvoorschriften van bijlage IV;
d) zij voldoen aan de preventieve gezondheidsmaatregelen voor andere ziekten of infecties dan rabiës die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 19, lid 1;
e) zij gaan vergezeld van een naar behoren ingevuld identificatiedocument dat is afgegeven overeenkomstig artikel 26.
Artikel 26
Afgifte en invulling van het identificatiedocument bedoeld in artikel 10. lid 1, onder e)
Het in artikel 10, lid 1, onder e), bedoelde identificatiedocument wordt afgegeven door een officiële dierenarts van het gebied of derde land van verzending op grond van bewijsstukken, of door een gemachtigde dierenarts, waarna het door de bevoegde autoriteit van het gebied of derde land van verzending wordt bekrachtigd, nadat de afgevende dierenarts:
a. a) zich ervan heeft vergewist dat het gezelschapsdier overeenkomstig artikel 17, lid 1, is gemerkt, en
b) naar behoren de betrokken rubrieken met de in artikel 25, lid 1, onder a) tot en met h), bedoelde informatie in het identificatiedocument heeft ingevuld, waarmee wordt gecertificeerd dat aan de voorwaarden van artikel 10, lid 1, onder a) en, indien van toepassing, onder b), c) en d), is voldaan.
Artikel 35
Maatregelen wanneer tijdens de in de artikelen 33 en 34 bedoelde controles blijkt dat niet aan de voorschriften wordt voldaan
1. Wanneer uit de in de artikelen 33 en 34 bedoelde controles blijkt dat een gezelschapsdier niet voldoet aan de voor waarden van hoofdstuk II of III, besluit de bevoegde autoriteit in overleg met de officiële dierenarts en, indien nodig, met de eigenaar of de gemachtigde persoon om:
a. a) het gezelschapsdier terug te sturen naar zijn land of gebied van verzending;
b) het gezelschapsdier onder officieel toezicht af te zonderen gedurende de tijd die nodig is om te voldoen aan de in hoofdstuk II of III vastgestelde voorwaarden, of
c) in laatste instantie, wanneer terugzending of afzondering niet uitvoerbaar is, het dier af te maken overeenkomstig de toe passelijke nationale voorschriften inzake de bescherming van gezelschapsdieren bij het doden.
2. Wanneer het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren naar de Unie door de bevoegde autoriteit wordt geweigerd, worden de gezelschapsdieren onder officiële controle af gezonderd in afwachting van:
a. a) hun terugkeer naar hun land of gebied van verzending, of
b) de vaststelling van een ander administratief besluit betreffende die gezelschapsdieren.
3. De in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen worden toegepast op kosten van de eigenaar, zonder mogelijke financiële compensatie voor de eigenaar of de gemachtigde persoon.
Bijlage III
Geldigheidsvoorschriften voor vaccinaties tegen rabiës
(...)
2. Een vaccinatie tegen rabiës moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
[...]
c) de vaccinatiedatum is door een gemachtigde of officiële dierenarts vermeld in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument;
[...]
e) de geldigheidsduur van de vaccinatie gaat in vanaf de vaststelling van de beschermende immuniteit, die niet minder dan 21 dagen na de voltooiing van het door de producent voor de primaire vaccinatie vereiste vaccinatieprotocol plaatsvindt, en loopt door tot het einde van de periode van beschermende immuniteit, als voorgeschreven in de technische specificatie van de in punt 1, onder b), bedoelde vergunning of de in punt 1, onder c), bedoelde goedkeuring of licentie voor het vaccin tegen rabiës in de lidstaat of het gebied of derde land waar het vaccin wordt toegediend;
De geldigheidsduur van de vaccinatie is door een gemachtigde of een officiële dierenarts vermeld in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument.
[...].
Verordening (EU) nr. 577/2013
Artikel 4
Gezondheidscertificaat voor het niet-commerciële verkeer naar de Unie van honden, katten of fretten.
Het diergezondheidscertificaat zoals bedoeld in artikel 25, lid 1, van Verordening (EU) nr. 576/2013 wordt:
a. a) opgesteld overeenkomstig het model dat is vastgesteld in deel 1 van bijlage IV bij deze verordening;
b) correct ingevuld en afgegeven overeenkomstig de toelichting in deel 2 van die bijlage;
c) aangevuld met de schriftelijke verklaring zoals bedoeld in artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) nr. 576/2013 die wordt opgesteld overeenkomstig het model dat is vastgesteld in afdeling A van deel 3 van die bijlage en die voldoet aan de aanvullende eisen die zijn beschreven in afdeling B van deel 3 van die bijlage.
Bijlage IV
Deel 1, onder II
Ik, ondergetekende, officieel dierenarts […] dierenarts gemachtigd door de bevoegde autoriteit […] van […]
[…]
Verklaring van rabiësvaccinatie en titratietest op rabiëslichamen:
[…]
II.3 De in vak I.28 beschreven dieren waren ten tijde van de rabiësvaccinatie ten minste twaalf weken oud en er zijn ten minste 21 dagen verstreken sinds de voltooiing van de primaire vaccinatie tegen rabiës […] en eventuele latere herhalingsvaccinaties zijn uitgevoerd binnen de geldigheidstermijn van de vorige vaccinatie6 […]
[…]
(6) Een gewaarmerkte kopie van de identificatie- en vaccinatiegegevens van de betrokken dieren wordt aan het certificaat gehecht.