COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen
Liander N.V., te Arnhem (Liander)
Autoriteit Consument en Markt (ACM)
met als derde partij
Stichting [naam 1] , te [vestigingsplaats] (stichting)
uitspraak
zaaknummers: 24/532
(gemachtigde: mr. R.W. de Vlam)
en
(gemachtigden: mr. G.J.P. Leuverink, mr. J.T.M. Groenendijk en mr. B.V.T. van Os)
(gemachtigde: mr. C.G. Verburg)
Procesverloop
Met het besluit van 6 mei 2024 (geschilbesluit) heeft de ACM beslist op de geschilaanvraag van de stichting.
Liander heeft tegen het geschilbesluit beroep ingesteld.
De ACM heeft een verweerschrift ingediend.
De stichting heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De ACM heeft bij brief van 27 oktober 2025 een nader stuk ingezonden.
De zitting was op 13 november 2025. Naast genoemde gemachtigden heeft voor Liander [naam 2] , en voor de stichting [naam 3] , aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
De stichting, een woningcoöperatie, heeft in verband met een project om twaalf woningen te bouwen, op 9 februari 2022 bij Liander een nettoets ingediend. Met de nettoets wordt beoordeeld of het projectplan past binnen de capaciteit van het huidige net van Liander. Het project gaat om de bouw van acht woningen aan de [straat 1] en vier woningen aan de [straat 2] in [woonplaats] . Volgens Liander blijkt uit de nettoets dat het net moet worden verzwaard met een nieuw te plaatsen transformatorstation. Op 24 maart 2022 heeft Liander een verzoek ingediend bij de gemeente [naam 4] om de beoogde omgeving te schouwen voor het plaatsen van het transformatorstation.
De stichting heeft op 22 december 2022 de offerte van Liander voor de twaalf kleinverbruiksaansluitingen voor het project geaccordeerd. Liander heeft op diezelfde datum de ontvangst van de geaccordeerde offerte bevestigd.
Op 8 februari 2023 zijn de gemeente [naam 4] en Liander tot een akkoord gekomen over de plaatsing van het nieuwe transformatorstation. De notariële akte is op 8 maart 2023 gepasseerd.
Op 19 juli 2023 zijn de vier woningen voorzien van aansluitingen op het elektriciteitsnet, met een tijdelijke terugleverbeperking. In maart 2024 is het nieuwe transformatorstation geplaatst. In de week van 25 tot en met 31 maart 2024 zijn de acht woningen aangesloten op het elektriciteitsnet.
De stichting heeft daarna een aanvraag tot geschilbeslechting bij de ACM ingediend. De ACM heeft de klacht van de stichting gegrond verklaard. De ACM heeft zich op het standpunt gesteld dat de aansluittermijn van 30 weken voor de vier woningen en van 66 weken voor de acht woningen onredelijk is. Volgens de ACM heeft Liander dus in strijd met artikel 23, vierde lid, van de Elektriciteitswet gehandeld.
Wettelijk kader
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van het College
Het College dient de vraag te beantwoorden of de ACM zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de termijn die Liander heeft gebruikt om de aansluitingen voor de, in totaal, twaalf woningen van de stichting te realiseren onredelijk is. Het College beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
De ACM heeft als aanvangsdatum van de aansluittermijn 22 december 2022 gehanteerd. Op die dag heeft de stichting namelijk de offerte van Liander geaccordeerd. Omdat de stichting en Liander deze aanvangsdatum niet hebben weersproken en ook anderszins niet blijkt van een andere datum, zal het College van deze datum uitgaan.
De ACM heeft als redelijke aansluittermijn voor kleinverbruikersaansluitingen waarvoor graafwerkzaamheden nodig zijn, een periode gehanteerd die in beginsel ligt tussen de 18 en 22 weken. Daarbij heeft de ACM gewezen op het onderzoek naar de realisatietermijnen van aansluitingen in de periode 2017 tot en met 2022, dat zij heeft gedaan in voorbereiding van het besluit van 8 juni 2023, Stcrt. 2023, nr. 16425, waarbij de Netcode elektriciteit is gewijzigd voor de aansluittermijnen voor kleinverbruikers. Liander is het niet eens met de door de ACM gehanteerde termijn van 18 tot 22 weken en betwist ook het daaraan ten grondslag liggende onderzoek.
Het College is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt. Het College heeft namelijk in zijn uitspraak van 17 september 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:642) geoordeeld dat de ACM zonder nader onderzoek naar de in die uitspraak weergegeven feiten, omstandigheden en belangen redelijkerwijs niet kon volstaan met het vaststellen van de aansluittermijnen van respectievelijk 12, 18 en 52 weken.
Dit betekent dat in dit geval de ACM zich ook niet zonder meer op het in 3.3 genoemde onderzoek kon baseren en dat zij het geschilbesluit daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft genomen.
De ACM heeft, naast de verwijzing naar de in beginsel gehanteerde termijn van 18 tot 22 weken, ook andere argumenten aangevoerd waarom de termijn voor het aansluiten van de woningen op het net niet redelijk zou zijn. Ten aanzien van de vier woningen heeft de ACM zich op het standpunt gesteld dat de periode tussen de startdatum en het daadwerkelijke begin met de werkzaamheden voor de aansluitingen, in dit geval 12 weken, voor rekening van Liander komt. Verder komt de periode die Liander nodig heeft gehad om te reageren op de oplossing voor de realisatie van vier aansluitingen, te weten drie weken, ook voor rekening van Liander. Dit betekent dat de aansluittermijn in ieder geval met 15 weken is toegenomen. Het nieuw te plaatsen transformatorstation kan geen rol spelen bij de beoordeling van de redelijke aansluittermijn. De aansluitingen zijn namelijk gerealiseerd zonder dit transformatorstation. Volgens de ACM is de aansluittermijn van 30 weken dan ook onredelijk.
Ten aanzien van de acht woningen heeft de ACM zich op het standpunt gesteld dat de vertraging in de periode van 22 december 2022 tot 8 maart 2023 niet aan Liander is te wijten omdat zij voor het bepalen van de locatie van het nieuwe transformatorstation afhankelijk was van de gemeente. De andere door Liander aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen echter niet de lange duur. De vertraging bij het plaatsen van het transformatorstation in verband met personeel(stekort) ligt in de risicosfeer van Liander omdat zij immers primair verantwoordelijk is voor de uitvoering van de wettelijke taak van realisatie van een aansluiting. Ook een tekort aan transportcapaciteit rechtvaardigt niet een langere termijn omdat Liander heeft nagelaten aan te tonen dat sprake is van congestie als bedoeld in artikel 9.6 van de Netcode Elektriciteit. Volgens de ACM is de aansluittermijn van 66 weken dan ook onredelijk. Liander heeft het standpunt van de ACM gemotiveerd betwist.
Het College ziet allereerst, anders dan de ACM, geen aanleiding om onderscheid te maken tussen de vier woningen aan de [straat 2] en de acht woningen aan de [straat 1] . Vast staat namelijk dat het aansluiten van de twaalf woningen op het netwerk van Liander, waarbij de aansluiting van één woning de capaciteit van het netwerk al zou overschrijden, niet kon worden gerealiseerd zonder verzwaring van dat net met een nieuw te plaatsen transformatorstation. De woningen aan de [straat 2] zijn weliswaar in eerste instantie tijdelijk aangesloten op het net door gebruik te maken van een niet meer gebruikte bouwaansluiting waaraan een terugleverbeperking was verbonden, maar dat was alleen al vanwege die beperking niet de aansluiting waarom de stichting had verzocht.
Ook heeft de ACM naar het oordeel van het College onvoldoende gemotiveerd waarom de periode die het heeft geduurd om het transformatorstation te plaatsen in dit geval aan Liander valt te verwijten. Hiertoe overweegt het College dat de ACM onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het Liander kan worden aangerekend dat zij geen onderzoek heeft gedaan naar congestiemanagement en ook geen rapport heeft overgelegd waaruit dat blijkt zoals is neergelegd in artikel 9.6 van de Netcode. Uit artikel 9.10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Netcode elektriciteit blijkt immers dat het laagspanningsnet voor het toepassen van congestiemanagement is uitgezonderd. Congestiemanagement ziet dus niet op kleinverbruikersaansluitingen waar het in dit geval om gaat. Dat dit volgens ACM wel de bedoeling is, waarbij zij verwijst naar een brief van 26 juli 2023, doet niet af aan het feit dat in de Netcode het laagspanningsnet voor het toepassen van congestiemanagement door netbeheerders expliciet is uitgezonderd. Het College is verder van oordeel dat de ACM ook overigens onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de tijd die het heeft geduurd om het transformatorstation daadwerkelijk te plaatsen aan Liander valt te verwijten. De ACM heeft gewezen op een geschilbesluit van 10 juni 2025 tussen een onderneming en een netbeheerder waarin de ACM zich op het standpunt heeft gesteld dat de redelijke aansluittermijn wordt opgeschort met de tijd die het redelijkerwijs kost om de benodigde netuitbreidingen te doen, zolang er onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is om de gevraagde aansluitingen te benutten. In dat geval was ook sprake van kleinverbruikersaansluitingen en netuitbreiding in verband met het gebrek aan transportcapaciteit. Daarnaast heeft de ACM in dat besluit acht geslagen op de regeling in de nieuwe Energiewet dat een netbeheerder het doen van een aanbod voor een aansluiting kan weigeren indien en voor zo lang er voor die aansluiting onvoldoende transportcapaciteit beschikbaar is. Zonder nadere motivering valt naar het oordeel van het College niet in te zien waarom de redelijke aansluittermijn voor Liander in dit geval niet is opgeschort. De omstandigheid dat Liander geen congestiemanagement heeft toegepast en de redelijke termijn daarom niet wordt opgeschort kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, Liander niet worden verweten.
Dit betekent dat de ACM het geschilbesluit ook in strijd met artikel 3:46 van de Awb heeft genomen.
4 Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1-3.9 is overwogen, moet de ACM opnieuw een besluit nemen naar aanleiding van de klacht van de stichting. In die procedure zal de stichting dat wat zij in de schriftelijke uiteenzetting naar voren heeft gebracht aan de orde kunnen stellen.
Slotsom
5 Het College zal het beroep gegrond verklaren. Het College veroordeelt de ACM in de door Liander gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
Het College:
- veroordeelt de ACM in de proceskosten van Liander tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, mr. J.H. de Wildt en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
B. Bastein w.g. P.M. Beishuizen
Bijlage
Elektriciteitswet 1998
Artikel 23, vierde lidEen aansluiting wordt door de netbeheerder gerealiseerd binnen een redelijke termijn. Deze redelijk termijn is in ieder geval verstreken wanneer de gevraagde aansluiting niet is gerealiseerd binnen 18 weken nadat het verzoek om een aansluiting bij de netbeheerder in ingediend, indien het verzoek betreft:
a. een aansluiting tot 10 MVA;
b. een aansluiting voor een productie-installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit of een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, tenzij de netbeheerder niet in redelijkheid kan worden verweten dat hij de aansluiting niet binnen de genoemde termijn heeft gerealiseerd.
Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 24 mei 2022 kenmerk ACM/UIT/577139 tot wijziging van de voorwaarden als bedoeld in artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998 betreffende regels rondom transportschaarste en congestiemanagement
Artikel 9.6
1. Indien bij een verzoek om het doen van een aanbod voor het uitvoeren van transport de
gevraagde transportcapaciteit de beschikbare transportcapaciteit als bedoeld in artikel 9.5,
vierde lid, overschrijdt, onderzoekt de netbeheerder de mogelijkheden om op korte termijn de
gevraagde transportcapaciteit en beschikbare transportcapaciteit met elkaar in overeenstemming te brengen. De netbeheerder onderzoekt daartoe:
a. de mogelijkheid om de gevraagde transportcapaciteit te verlagen;
b. de mogelijkheid om door middel van technische maatregelen anders dan netverzwaring de
beschikbare transportcapaciteit te vergroten;
c. de mogelijkheid overeenkomstig artikel 9.1, eerste lid, het optreden van fysieke congestie
op te lossen;
d. volgens de procedure van de artikelen 9.9 tot en met 9.11, de mogelijkheid om congestie
management overeenkomstig paragraaf 9.9 en 9.10 toe te passen;
e. in het geval van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet overeenkomstig
artikel 9.1, tweede en derde lid en artikel 9.19, het optreden van fysieke congestie op te
lossen.
Artikel 9.10, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder d en e1. In het onderzoek, als bedoeld in artikel 9.6, eerste lid, en artikel 9.7, eerste lid, onderzoekt de netbeheerder voor een gebied waarvoor de netbeheerder een vooraankondiging heeft
afgegeven, de mogelijkheden voor de toepassing van congestiemanagement overeenkomstig
paragraaf 9.9 en 9.10.
2. De volgende uitzonderingen gelden voor het toepassen van congestiemanagement, als
bedoeld in het eerste lid:
[…]
d. de netbeheerder hoeft geen congestiemanagement toe te passen voor de vraag naar transport waarvoor de benodigde transportcapaciteit groter is dan de technische grens van de aanwezige transportcapaciteit. […]
e. de technische grens als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d bedraagt 100% van de
aanwezige transportcapaciteit indien het beperkende netelement gelegen is in het
laagspanningsnet.