COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen
V.O.F. [naam] te [woonplaats] (vennootschap)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 24/826
(gemachtigde: ing. G. Kon)
en
(gemachtigden: mr. L. Anvelink en J. van Horsen)
Procesverloop
Met het besluit van 21 mei 2024 heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 beslist op de aanvraag van de vennootschap voor de basispremie, extra betaling eerste 40 hectare, extra betaling jonge landbouwers en de eco-regeling.
Met het besluit van 14 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de vennootschap ongegrond verklaard.
De vennootschap heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De vennootschap heeft nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 26 maart 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Overwegingen
1. De minister heeft in het kader van de eco-regeling voor de eco-activiteit “Grasland met kruiden’ op de percelen 2, 24, 32, 38, 44, 59, 65 en 66 (percelen) geen waarde toegekend, omdat sprake is van samenloop met dezelfde handeling in het kader van Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb-activiteit) op die percelen.
2 De vennootschap is het daar niet mee eens. Volgens haar is niet op de gehele oppervlakte van de percelen een ANLb-pakket gelegen dat dezelfde handeling betreft als de eco-activiteit “Grasland met kruiden”. De vennootschap vindt dat de minister op de betreffende acht percelen, voor het deel waar geen sprake is van samenloop van eco-activiteiten met ANLb-activiteiten, wel een waarde voor ‘Grasland met kruiden’ had moeten toekennen. De minister had de percelen daarvoor moeten splitsen. De vennootschap zou dan voor een hogere subsidie (op het niveau van het tarief ‘zilver’) in aanmerking zijn gekomen en moet daarom nog een extra bedrag van € 1.696,36 ontvangen. De vennootschap doet in dit verband ook een beroep op rechtsgelijkheid. Volgens haar is de minister soms wél coulant in het kader van de eco-regeling. Wanneer bijvoorbeeld voor een perceel de subsidie voor eco-activiteit ‘Langjarig grasland’ wordt aangevraagd, terwijl de grond voor de helft tijdelijk grasland is, dan worden voor de helft van het perceel dat als blijvend grasland wordt gebruikt punten en waarde in het kader van de eco-regeling toegekend. En als bijvoorbeeld de eco-activiteiten ‘Precisiegewasbescherming’ en ‘Groene braak’ gedeeltelijk op een bufferstrook worden opgegeven, wat niet is toegestaan, dan wordt de bufferstrook afgehaald van de oppervlakte van het perceel dat voor subsidie in het kader van de eco-regeling in aanmerking komt. Volgens de vennootschap gaat de minister in deze gevallen wel over tot het splitsen van percelen en zou hij dat ook in deze zaak moeten doen. Tot slot had de vennootschap door de minister gewaarschuwd willen worden dat zij zelf tot splitsing zou kunnen overgaan.
3 Uit artikel 1 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 volgt dat onder perceel landbouwgrond moet worden verstaan: een aaneengesloten stuk landbouwareaal, waaronder begrepen aangrenzende landschapselementen die ter beschikking van de landbouwer staan, dat door één landbouwer is aangegeven. In artikel 26 van deze regeling is de uitbetaling van verschillende eco-activiteiten op het perceel geregeld. In het derde lid is bepaald dat als naast een aanvraag om uitbetaling voor het uitvoeren van een eco-activiteit voor dezelfde handeling op hetzelfde perceel ook een aanvraag wordt gedaan om uitbetaling in het kader van de subsidieregelingen ANLb, voor de eco-activiteit geen waarde wordt toegekend.
4 Uit artikel 26, derde lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 volgt dat de minister op het niveau van een perceel moet beoordelen of aan de vereisten van de eco-regeling wordt voldaan. De vennootschap heeft de percelen zelf opgegeven. Op deze percelen wordt de eco-activiteit kruidenrijk grasland uitgevoerd, maar ook de ANLb-activiteit botanisch grasland – randen 2 meter. Niet in geschil is dat deze twee activiteiten dezelfde handeling betreffen en dat dus sprake is van samenloop. Voor de ANLb-activiteit ontvangt de vennootschap uitbetaling via het ANLb. Omdat sprake is van deze samenloop heeft de minister voor deze percelen terecht wel punten toegekend voor de eco-activiteit, maar geen waarde (gelet op artikel 26, derde lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023) (vergelijk de uitspraak van het College van 20 mei 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:309)).
5 Het College ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de minister de percelen uit eigen beweging had moeten splitsen om vervolgens op de delen zonder overlap alsnog de waarde voor de eco-activiteit toe te kennen of dat hij de vennootschap daarop had moeten wijzen. De minister heeft op de zitting gewezen op de mogelijkheid dat de vennootschap een perceel zelf had kunnen splitsen. De definitie van het begrip perceel landbouwgrond in de Uitvoeringsregeling GLB 2023 verzet zich daar niet tegen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel begrijpt het College aldus dat de vennootschap stelt dat de minister in andere zaken de aangevraagde percelen wel uit eigen beweging splitst en in haar zaak niet. Het College stelt vast dat in de zaak van de vennootschap sprake is van een perceel waarbij voor dezelfde handeling ook betaling wordt gevraagd op grond van een andere subsidieregeling, de ANLb. De Uitvoeringsregeling GLB 2023 bepaalt, zoals hiervoor al overwogen, in artikel 26, derde lid, dan dat voor de eco-activiteit geen waarde wordt toegekend. In de andere zaken is geen sprake van overlap met een andere subsidieregeling, maar gaat het alleen om aangevraagde percelen met daarop eco-activititeiten binnen de Uitvoeringsregeling GLB 2023, waarbij op een deel van die percelen geen eco-activiteit wordt (of mag worden) uitgevoerd en dat deel daarom niet voor subsidie in aanmerking komt. Om die reden is al geen sprake van gelijke gevallen.
Conclusie
6 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. M.P. Glerum en mr. P. Glazener, in aanwezigheid van mr. F.J.J. van West de Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
w.g. A. Venekamp w.g. F.J.J. van West de Veer