COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 op het hoger beroep van:
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
[naam] , te [vestigingsplaats] (onderneming)
en
uitspraak
zaaknummer: 24/595
(gemachtigde: mr. D.W. Gerritsen)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2024, kenmerk ROT 23/7097, in het geding tussen
(gemachtigde: mr. M.P. Harten)
de minister
Procesverloop in hoger beroep
De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:5201).
De onderneming heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
De zitting was op 26 maart 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank. Het College volstaat met het volgende.
De minister heeft met een besluit van 22 juni 2023 (boetebesluit) een bestuurlijke boete aan de onderneming opgelegd vanwege het niet of onvoldoende instellen van het rookverbod in een ruimte, gebouw of inrichting waar een werknemer zijn werkzaamheden verricht of pleegt te verrichten. Volgens de minister heeft de onderneming daarmee een overtreding begaan van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw). De minister heeft het boetebesluit gebaseerd op een rapport van bevindingen van 26 mei 2023, opgemaakt door twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Uit dat rapport blijkt dat de toezichthouders op 3 maart 2023 omstreeks 10:15 uur een inspectie hebben uitgevoerd aan de [adres 1] te [vestigingsplaats] .
Met het besluit van 12 september 2023 (bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat in het rapport van bevindingen ten onrechte is opgenomen dat de inspectie heeft plaatsgevonden op het adres [adres 1] en dat daar een overtreding is geconstateerd. De minister stelt dat uit navraag bij de betrokken toezichthouder(s) is gebleken dat de inspectie heeft plaatsgevonden op de [adres 2] , maar dat als gevolg van een onjuiste KvK-registratie per abuis het adres [adres 1] in het rapport van bevindingen is opgenomen. De rechtbank oordeelt dat niet is voldaan aan de vereisten die artikel 5:48 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt en dat het boetebesluit een zorgvuldigheidsgebrek vertoont. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat aannemelijk is dat de onderneming niet is benadeeld door deze onzorgvuldigheid, omdat voor iedereen duidelijk moet zijn geweest waar de controle heeft plaatsgevonden. Er is sprake van een kennelijke verschrijving door de toezichthouder. De rechtbank heeft daarom het zorgvuldigheidsgebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
De rechtbank oordeelt vervolgens dat de onderneming inderdaad het rookverbod van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Trw heeft overtreden en dat de minister bevoegd was om daarvoor een boete op te leggen. Het beroep is daarom ongegrond. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb heeft de rechtbank bepaald dat de minister het betaalde griffierecht aan de onderneming moet vergoeden en de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de onderneming.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, omdat hij zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. De minister meent dat de rechtbank ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb en daarom ook ten onrechte heeft bepaald dat de minister het betaalde griffierecht moet vergoeden en de staatsecretaris ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
De minister voert aan dat voor zowel de rechtbank, de minister, als de onderneming duidelijk is waar de inspectie heeft plaatsgevonden. De wijze waarop de omissie ten aanzien van het inspectieadres in de bezwaarfase aan de orde is geweest getuigt juist van een zorgvuldige behandeling, zeker nu de onderneming in de bezwaarfase de gelegenheid heeft gehad hierop te reageren. De vaststelling dat er sprake is van een kennelijke verschrijving, had moeten leiden tot de conclusie dat er geen sprake is van een gebrek. De rechtbank gaat er in de uitspraak volledig aan voorbij dat niet het boetebesluit, maar de beslissing op bezwaar ter toetsing voorlag. Als er al sprake was van een zorgvuldigheidsgebrek, dan is dat met de beslissing op bezwaar hersteld.
4 De onderneming stelt in haar reactie dat er geen sprake is van een kennelijke verschrijving, maar van een grove onzorgvuldigheid doordat de minister een volstrekt onjuist rapport aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Tijdens de zitting bij de rechtbank is bovendien gebleken dat het rapport van bevindingen meerdere onjuistheden bevat. Het zorgvuldigheidsgebrek is dan ook niet met de beslissing op bezwaar al hersteld.
Het College stelt vast dat de rechtbank in 5.1.4 van haar uitspraak heeft geconcludeerd dat het boetebesluit een zorgvuldigheidsgebrek vertoont, doordat in het rapport van bevindingen een adres is opgenomen waar de controle niet heeft plaatsgevonden. De minister voert in hoger beroep terecht aan dat bij de rechtbank niet het boetebesluit, maar het bestreden besluit ter toetsing voorlag. De rechtbank is eraan voorbijgegaan dat de minister zelf in bezwaar al had geconstateerd dat er een onjuist adres in het rapport stond. Dit is tijdens de hoorzitting aan de orde geweest en vervolgens is in het bestreden besluit ook toegelicht hoe deze fout in het rapport en boetebesluit terecht is gekomen. Voor zover er sprake was van een zorgvuldigheidsgebrek, is dat dan ook met het bestreden besluit hersteld. Van een gebrek in het bestreden besluit is geen sprake. Omdat de onderneming geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het College niet ingaan op haar stelling dat het rapport van bevindingen nog meer onjuistheden bevat.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb. De minister hoeft daarom niet het door de onderneming in beroep betaalde griffierecht aan haar te vergoeden en is ten onrechte veroordeeld tot betaling van de proceskosten in beroep van de onderneming. Het hoger beroep slaagt en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat de minister het griffierecht aan de onderneming moet vergoeden en de minister is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de onderneming. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
w.g. H.S.J. Albers w.g. A.A. Dijk