ECLI:NL:CBB:2026:194

ECLI:NL:CBB:2026:194

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 26/184
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Last onder bestuursdwang van 19 juni 2025, controle op 2 maart 2026. Verzoekers hebben geen argumenten naar voren gebracht tegen de last onder bestuursdwang. Zij beperken zich tot het betoog dat het meevoeren van de schapen op 2 maart 2026 niet gerechtvaardigd was, gelet op de toestand van de dieren op dat moment. Een bestuursorgaan mag in beginsel, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, uitgaan van de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of -belofte opgesteld rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van die bevindingen te twijfelen. Ook als het rapport van bevindingen – zoals in dit geval – niet op ambtseed of -belofte is opgesteld, mag het bestuursorgaan zich daarop in beginsel baseren. In wat verzoekers naar voren brengen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de in het rapport van bevindingen beschreven feiten. De beschrijving van deze feiten is zeer uitgebreid en is ampel toegelicht. Verder heeft de dag na het meevoeren van de schapen op het opslagadres een lichamelijk onderzoek plaatsgevonden door de dierenarts van de opslaghouder. De bevindingen van deze laatste dierenarts onderschrijven de bevindingen van de toezichthouders grotendeels. De door verzoekers ingebrachte verklaringen van twee dierenartsen zijn opgesteld op basis van alleen beeldmateriaal dat hun door verzoekers ter beschikking is gesteld. Eén dierenarts geeft in haar verklaring zelf aan dat voor een goede conditiebeoordeling de spier- en vetbedekking van de rug handmatig dient te worden beoordeeld. De op de zitting aanwezige toezichthoudende dierenarts van de NVWA heeft ook benadrukt dat voor een goede beoordeling, zowel wat betreft de conditiescore als de toestand van de klauwen van de schapen, lichamelijk onderzoek moet worden gedaan. De dierenartsen die de verklaringen hebben opgesteld waren niet op de zitting aanwezig om hun bevindingen te verduidelijken. Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter uitgaan van de in het rapport van bevindingen en de bijgevoegde veterinaire verklaring neergelegde feiten. Volgens de toezichthouders – waaronder de toezichthoudend dierenarts – die bij het meevoeren aanwezig waren, rechtvaardigden die feiten dat de dieren op 2 maart 2026 zijn meegevoerd. Gelet op de bevindingen en wat is beschreven over de commotie die het gevolg was van het gedrag van verzoekers, waarmee het werk van de toezichthouders ernstig is belemmerd, acht de voorzieningenrechter de beslissing van de minister om alle 85 schapen mee te voeren in plaats van alleen de schapen waarvan kon worden zekergesteld dat hun lichamelijke toestand daartoe noodzaakte, op zichzelf te billijken. Tegelijkertijd is daarmee het risico genomen dat schapen werden meegevoerd waarvan hun lichamelijke toestand niet zodanig was dat kon worden geconcludeerd dat de last van 19 juni 2025 niet was nageleefd. De voorzieningenrechter kan echter ook nu niet vaststellen of er schapen zijn waarvoor dit het geval was. Ook de latere bevindingen in de opvang, waar alle schapen individueel zijn onderzocht, bieden daarvoor onvoldoende basis. Gelet op het vorenstaande en op de stand van de procedure op dit moment, waarin naar het zich laat aanzien vrijgave van de schapen niet meer lang op zich zal laten wachten, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding het verzoek geheel of gedeeltelijk toe te wijzen. Wel gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de minister zich in het kader van een eventueel nog te nemen kostenbesluit nader zal uitlaten over de vraag of er schapen zijn meegevoerd waarvan de lichamelijke toestand het meevoeren niet vereiste en zo ja om welke schapen het gaat. Dit kan van belang zijn bij de beoordeling of er kosten redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de overtreder behoren te komen.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

[naam 1] en [naam 2] , te [woonplaats] , verzoekers

minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

uitspraak

zaaknummer: 26/184

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

en

(gemachtigde: mr. E.M. Scheffer)

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2025 met referentie BBB/TET/TET/U-25/04502 en zaaknummer 202501089 heeft de minister een last onder bestuursdwang opgelegd aan verzoekers wegens verschillende overtredingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren.

Verzoekers hebben tegen deze last bezwaar gemaakt.

De minister heeft op 2 maart 2026 op grond van de last van 19 juni 2025 bestuursdwang toegepast door 85 schapen mee te voeren en in bewaring te nemen. Bij brief van 12 maart 2026 heeft de minister hiervan mededeling gedaan aan verzoekers.

Op 20 maart 2026 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2026. Daar waren verzoeker [naam 1] , en de gemachtigde van de minister aanwezig. Voor de minister waren ook toezichthoudend dierenarts [naam 3] en toezichthouder [naam 4] aanwezig. Verzoekster [naam 2] is niet verschenen.

Overwegingen

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het verzoek is ingediend onder verwijzing naar een bezwaarschrift van 15 maart 2026 dat is gericht tegen de brief van 12 maart 2026 van de minister. In die brief is medegedeeld dat op 2 maart 2026 is vastgesteld dat verzoekers drie overtredingen uit de last van 19 juni 2025 opnieuw hebben begaan en dat daarom de schapen in bewaring zijn genomen. Op de zitting is toegelicht dat het de bedoeling was om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen hangende het eerder ingediende bezwaarschrift tegen de last onder bestuursdwang van 19 juni 2025. Dit betekent dat sprake is van connexiteit tussen het verzoek en het bezwaarschrift tegen de last onder bestuursdwang van 19 juni 2025. De voorzieningenrechter is daarom bevoegd te beslissen op dit verzoek.

2 Met het verzoek willen verzoekers bereiken dat de schapen die in beslag zijn genomen weer bij hen terugkomen. Verder worden de kosten van het meevoeren en het in bewaring houden van de schapen, die steeds hoger worden naarmate de opvang langer duurt, bij verzoekers in rekening worden gebracht, terwijl zij stellen dit niet kunnen betalen. Onder deze omstandigheden is sprake van voldoende spoedeisendheid om het verzoek verder te beoordelen.

In de brief van 12 maart 2026 heeft de minister te kennen gegeven dat op 2 maart 2026 is vastgesteld dat verzoekers drie overtredingen uit de last van 19 juni 2025 opnieuw hebben begaan, zodat zij wat betreft die overtredingen de last niet hebben uitgevoerd. Het gaat om overtredingen 3, 5 en 6. Bij overtreding 3 is vermeld dat de schapen van verzoekers geen toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer toegediend krijgen die past bij het ontwikkelingsstadium van de schapen. Dit is een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Besluit houders van dieren. Bij overtreding 5 is vermeld dat verzoekers de schapen die gewond lijken, niet onmiddellijk op passende wijze worden verzorgd. Dit is een overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Besluit houders van dieren. Bij overtreding 6 is vermeld verzoekers de nodig verzorging hebben onthouden door de schapen niet te laten behandelen voor te lange klauwen. Dit is een overtreding van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren.

De voorzieningenrechter zal hierna vrij uitgebreid weergeven wat er in de stukken is vermeld over de gang van zaken op 2 maart 2026 en over de toestand waarin de schapen zijn aangetroffen. Daarbij zal gebruik worden gemaakt van stukken die de minister heeft overgelegd en stukken die door verzoekers zijn ingebracht.

In het rapport van bevindingen van 18 maart 2026 is vermeld dat toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op 2 maart 2026 om ongeveer 10.45 uur een inspectie hebben verricht op het bedrijf van verzoekers. Uit het rapport blijkt verder dat in een hok aan de rechterkant van stal 2, vijf schapen/rammen gehuisvest staan. De toezichthouders hebben gezien dat de vachten, met name de achterhand, van de schapen besmeurd waren met natte en oude mestresten. Zij zagen verder dat de schapen onvoldoende ontwikkeld waren. Dit zagen zij aan de uiterlijke kenmerken. Zij zagen onder andere dat de koppen groot waren ten opzichte van de lijven van de schapen en dat de schapen klein waren ten opzichte van de leeftijd. Hierdoor wisten zij dat de schapen over een langere periode niet over een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en leeftijd geschikt voer gehad hadden. Dit werd bevestigd door de toezichthoudend dierenarts. De dierenarts vermoedde dat de vijf schapen een wormbesmetting hadden. De toezichthouders hoorden de dierenarts zeggen dat de vijf schapen derhalve ziek waren en niet onmiddellijk op passende wijze verzorgd werden en de nodige verzorging onthouden was. Ook zagen de toezichthouders dat de schapen geen voer ter beschikking hadden bij aanvang van de controle. Zij zagen dat verzoeker direct bij aanvang van de controle alle schapen kuilgras/ruwvoer ging geven. De toezichthouders zagen dat de schapen gulzig begonnen te eten. Zij zagen dat de schapen honger hadden. Volgens de toezichthouders kregen de schapen geen toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en leeftijd geschikt voer toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier. Zij zagen dat de vijf schapen niet onmiddellijk op passende wijze verzorgd werden. Voor deze dieren was sprake overtreding 3 en overtreding 5 van de last onder bestuursdwang.

In genoemd rapport is verder vermeld dat in perceel 1 twee kreupele schapen liepen. De toezichthouders zagen van één schaap dat het de linker achterpoot niet belastte als het schaap liep. Zij zagen dat het schaap alle moeite deed om de linker achterpoot niet te belasten tijdens het lopen. Zij zagen duidelijk dat het schaap veel pijn had tijdens het lopen. Van een ander schaap dat kreupel liep, zagen de toezichthouders dat het de rechterachterpoot minder belastte tijdens het lopen. Zij zagen dat het schaap pijn had tijdens het lopen. De dierenarts zei dat de twee schapen dus ziek/gewond waren en niet onmiddellijk op passende wijze verzorgd werden en de nodige verzorging onthouden was. De toezichthouders zagen dat de twee kreupele schapen niet onmiddellijk op passende wijze verzorgd werden. Voor deze dieren was dus sprake van overtreding 5 van de last onder bestuursdwang.

In genoemd rapport is verder opgenomen dat in perceel 2 drie schapen ernstig kreupel liepen. De toezichthouders zagen dat één schaap, zijnde een ram/dek ram, beide voorpoten met zeer veel moeite belastte als het wilde lopen. Zij zagen duidelijk dat het schaap veel pijn had tijdens het lopen. Van een afstand zagen zij dat de klauwen/hoeven van de voorpoten erg lang waren. Vermoedelijk was dit een oorzaak dat het schaap kreupel liep. Zij zagen dat de hoeven/klauwen niet tijdig behandeld waren. Verder zagen zij dat twee schapen de rechtervoorpoten zo min mogelijk belastten tijden het lopen. Zij zagen dat de schapen veel pijn hadden tijdens het lopen. De dierenarts zei dat de drie schapen dus ziek/gewond waren en niet onmiddellijk op passende wijze verzorgd werden en de nodige verzorging onthouden waren. De toezichthouders zagen dat de drie kreupele schapen niet onmiddellijk op passende wijze verzorgd werden. Voor deze dieren was dus sprake van overtreding 5 en overtreding 6 van de last onder bestuursdwang. In wei 2 zagen de toezichthouders verder dat er één schaap apart lag. Het lag verscholen onder een boom langs de zijkant van het perceel. Toen de toezichthouders het schaap benaderden stond het moeizaam op. Zij zagen dat het schaap ernstig vermagerd was. Zij zagen ingevallen flanken en uitstekende heupbeenderen en ruggengraat aftekenen door de wol. Zij zagen duidelijk dat het schaap ziek was en diergeneeskundige zorg nodig had. Dat werd bevestigd door de dierenarts. Voor dit dier was dus sprake van overtreding 5 van de last onder bestuursdwang.

In genoemd rapport is verder vermeld dat, nadat de toezichthouders alle dieren hadden gecontroleerd, zij het bedrijf om ongeveer 12.30 uur hebben verlaten om de controleresultaten te bespreken met het Team Bestuurlijke Maatregelen van de NVWA. Daarna hebben de toezichthouders de opdracht gekregen om de kreupele schapen, het zieke schaap en de vijf schapen die in stal 2 gehuisvest waren mee te voeren en op te slaan. De toezichthouders waren vervolgens rond 15.00 uur weer op het bedrijf van verzoeker. Eén van de toezichthouders heeft verzoeker medegedeeld dat zij de opdracht hadden de kreupele schapen, het zieke schaap en de vijf schapen die in stal 2 gehuisvest waren mee te voeren en op te slaan.

Verder is in genoemd rapport vermeld dat verzoeker hierop heel boos reageerde en heeft gezegd dat er geen hoogdrachtige schapen meegenomen mogen worden en dat ze helemaal gek zijn geworden. Vervolgens zagen de toezichthouders dat de veetransporteur het erf op kwam rijden en dat verzoeker steeds bozer en verbaler werd richting een toezichthouder en de toezichthoudend dierenarts. Volgens de toezichthouder kon een normaal gesprek niet meer met verzoeker worden gevoerd. Op een gegeven moment heeft deze toezichthouder tegen verzoeker gezegd dat hij niet meer met hem in gesprek ging, omdat een normaal gesprek voeren niet meer mogelijk was. Vervolgens is gestart met het laden van de schapen. Eerst zijn de schapen uit perceel 1 verzameld in een gemaakte vangkooi om de kreupele schapen en het zieke schaap eruit te kunnen selecteren. Dit kon alleen door alle schapen bij elkaar te verzamelen omdat het kuddedieren betreffen die bij elkaar blijven en het perceel te groot was om individuele dieren eruit te selecteren. Op het moment dat de schapen uit perceel 1 in de vangkooi verzameld hadden werd verzoeker steeds bozer en was hij steeds meer aan het schreeuwen. Verzoeker heeft tegen zijn zoon gezegd dat hij iets uit de schuur moest gaan halen. De toezichthouders zagen dat de zoon terugkwam met een kniptang om de hoeven te bekappen. Vervolgens pakte verzoeker een schaap en begon het te bekappen. Op het moment dat hij met het schaap bezig was riep hij onder andere tegen de dierenarts dat hoogdrachtige ooien niet moeten worden bekapt, dat dat veel te veel stress geeft, dat het daarom nog niet is gebeurd en hem geen keuze wordt gelaten en hij het nu moet doen. Vervolgens hebben de politieagenten verzoeker meerdere malen gezegd dat hij moest stoppen met het bekappen zodat zij ons werk konden doen en dat hij de controle aan het belemmeren was. De toezichthouders zagen dat verzoeker hier niet naar luisterde en doorging met bekappen van het schaap. Vervolgens is er door de politieagenten fysiek ingegrepen zodat de toezichthouders de werkzaamheden konden voortzetten. De politieagenten hebben verzoeker medegedeeld dat hij weg moest gaan omdat hij anders aangehouden zou worden wegens het beletten en belemmeren van de controle. Vervolgens is verzoeker naar het woonhuis gegaan. Daarna hebben de toezichthouders de schapen uit perceel 2 naar de vangkooi gedreven. Vervolgens zag één van de toezichthouders dat verzoeker perceel 2 in kwam lopen en allerlei dingen naar hen riep wat de toezichthouder niet kon verstaan. Verzoeker stond in het perceel op een plek waar de schapen langs zouden moeten lopen richting de vangkooi. De toezichthouder zag dat dit problemen zou geven, omdat de schapen op deze manier niet naar de vangkooi konden worden gedreven. De toezichthouder heeft naar de politie geroepen om verzoeker uit het perceel te halen, zodat zij ongehinderd verder konden met het vangen van de schapen. Vervolgens hebben zij de schapen naar de vangkooi gedreven. Op het moment dat zij met het koppel schapen langs de tuin van woonhuis liepen, zag de toezichthouder verzoeker langs de omheining van het perceel staan. De toezichthouder hoorde hem van alles naar hen roepen en de toezichthouder zag dat verzoeker stond te filmen met zijn telefoon. Nadat alle schapen uit perceel 1 en perceel 2 gevangen waren konden de toezichthouders en de dierenarts de schapen beter beoordelen. De dierenarts meldde dat er meerdere schapen te lange klauwen en een slechte body condition score (BCS) hadden. Deze omissies hadden de toezichthouders tijdens de controle in de ochtend niet geconstateerd, omdat zij niet dicht bij de schapen konden komen. De dierarts meldde dat het onmogelijk was om de kreupele dieren uit de koppel te selecteren, omdat het erg onrustig was. Intussen waren verzoekers en hun zoon weer naar de toezichthouders toegekomen en waren begonnen met schreeuwen en filmen door de kapotte ramen van stal 2. De toezichthouders zagen dat de schapen hierdoor nog onrustiger werden. Verzoeker schreeuwde naar de dierenarts dat hij een slechte dierenarts was en dat verzoeker hem voor de tuchtraad zou slepen. Verzoekers bleven maar schreeuwen richting de toezichthouders en de medewerkers van de transporteur. Op een gegeven moment deelde de dierenarts de toezichthouder mee dat hij op deze manier niet kon werken en dat het onmogelijk was om de schapen met gebreken uit de koppel te selecteren. Deze toezichthouder heeft vervolgens opnieuw contact opgenomen met het Team Bestuurlijke Maatregelen om de situatie op het bedrijf uit te leggen. Enkele minuten later werd de toezichthouder teruggebeld en kreeg hij de opdracht om alle schapen uit perceel 1 en perceel 2 mee te voeren en op te slaan zodat de schapen in alle rust konden worden beoordeeld.

Bij het rapport van bevindingen is de veterinaire verklaring van de toezichthoudend dierenarts gevoegd. In deze veterinaire verklaring is vermeld dat de dierenarts op 2 maart 2026 om ongeveer 10.45 uur onder meer schapen van verzoeker heeft beoordeeld. Volgens de verklaring zag hij rechtsachter in stal 2 vijf schapen staan die waren achtergebleven in hun ontwikkeling. De schapen hadden een relatief grote kop en bleken ouder dan ze op basis van hun relatief kleine lijven leken. De achterhanden van deze vijf rammen waren besmeurd met verse en ingedroogde mest. De dierenarts voelde dat vier rammen een BCS van 1.0 hadden en één ram had een BCS van 1.25. Deze rammen hadden niet de beschikking over voer. Toen de veehouder ze had voorzien van ruwvoer gingen deze schapen gulzig eten. Omstreeks 15.00 uur zag de dierenarts dat dit ruwvoer al op was. Hij heeft geconcludeerd dat deze schapen erg hongerig waren. In weide 1 zag hij dertien schapen lopen. Hij zag één schaap linksachter stokkreupel (op drie poten) lopen. Hij zag een tweede schaap rechtsachter kreupel lopen. Hij concludeerde dat deze schapen onmiddellijk verzorging nodig hadden. Hij zag in weide 2 bij elkaar 67 schapen lopen. Hij zag op enige afstand dat een ram linksvoor stokkreupel liep. Hij zag een tweede schaap rechtsvoor stokkreupel lopen. Hij zag in deze koppel meerdere dieren min of meer kreupel lopen. Hij concludeerde dat deze schapen onmiddellijk verzorging nodig hadden. Hij zag in het achterste perceel, ter hoogte van het huis van de buren gedurende de gehele inspectie een schaap blijven liggen. Hij zag dat het schaap moeizaam overeind kwam en wankel wegliep. Hij zag dat de flanken zeer ernstig ingevallen waren. Hij kon zelfs door de wol heen zien dat dit schaap erg mager was. Hij concludeerde dat dit schaap ziek was en dat dit schaap onmiddellijk verzorging nodig had. Uit de veterinaire verklaring blijkt verder dat de schapen in het begin van de middag bijeen waren gedreven in een geïmproviseerd hok buiten voor de kop van stal 2. Hij wilde daar de kreupele dieren uitselecteren en een indruk krijgen van de BCS. Hij constateerde al vrij snel dat het uitselecteren van de kreupele schapen in dit vanghok niet mogelijk was en dat de koppel erg mager was en dat er ernstig vermagerde dieren tussen liepen. Hij wilde de schapen aan een nadere inspectie onderwerpen. Gedurende dit proces was verzoeker voortdurend aanwezig en bleef hij de dierenarts beschimpen en voor alles en nog wat uitmaken. Hij moest met zijn poten van de schapen af blijven en was totaal niet ter zake deskundig. Op enig moment betrad verzoeker het hok en begon hij onder protest en opmerkingen makende, een schaap te bekappen. Verzoeker was niet alleen meer agressief, intimiderend en beledigend, hij ging het werk van de dierenarts nu ook daadwerkelijk belemmeren. Naar aanleiding van deze situatie zag de dierenarts de aanwezige politie een interventie plegen en verzoeker naar de grond werken en gebieden de vangkooi te verlaten. Op dat moment kwam de dierenarts tot de conclusie dat hij in alle rust voor hemzelf en zijn collega’s en ook voor de schapen genoodzaakt was om alle schapen mee te voeren en bij de opslaghouder verder te beoordelen. Daar was hij er ook zeker van dat deze koppel de optimale verzorging zou krijgen.

De volgende dag op 3 maart heeft hij de schapen bij de opslaghouder beoordeeld. Daarbij heeft hij vermeld dat hij uit ervaring als dierenarts en met de kennis van mijn opleiding tot dierenarts weet dat schapen die drachtig zijn hard gevoerd moeten worden en in de winter bijgevoerd dienen te worden. Het is bij Texelaars gewenst om ze naar het einde van de dracht in een zeer goede conditie te krijgen. Een BCS van 3.5 of hoger is bij de betere schapenfokkers vlak voor het einde van de dracht de norm. Volgens de veterinaire verklaring hadden van de 85 schapen: 35 schapen een BCS van <2.0 (heel erg mager tot erg mager), 23 schapen een BCS van 2.0 (mager) 26 schapen een BCS >2.0 tot 2.5 (nog niet de gewenste conditiescore), één schaap was dood gegaan in de voorgaande nacht, dus het zieke schaap wat zij in de weide hadden zien liggen. De dierenarts heeft geconcludeerd dat 58 schapen van broodmager of heel erg mager tot mager waren, BCS 1.0 tot en met 2.0. Zeker drachtige schapen moeten een hogere BCS hebben in dit stadium van de dracht. Hij telde verder zeventien schapen met een of meerdere slechte klauwen die bekapt dienden te worden en zes kreupele schapen, die ook behandeling vereisten. Hij telde één schaap zonder tanden, met een BCS van 1.5. Hij telde voorts twee zieke schapen die onmiddellijk met een pijnstiller, ontstekingsremmer en koortsverlager en een antibioticum werden behandeld door de dierenarts bij de opslaghouder. Hij telde vijf rammen die diarree hadden en door de dierenarts van de opslaghouderverdacht werden van een wormbesmetting en direct door hem werden behandeld tegen een maag- darmwormbesmetting. Alles beschouwend kwam hij tot 64 schapen met een te lage BCS van 2.0 of lager en/of een andere aandoening. Er waren zestien schapen met een BCS van 2.25 en vier schapen met een BCS van 2.5. De dierenarts beoordeelt dat nog steeds als een zeer lage BCS, zeker voor drachtige schapen.

In de veterinaire verklaring is verder vermeld dat de dierenarts het noodzakelijk achtte om de dieren mee te voeren en op te slaan. De schapen waren op het bedrijf onder de omstandigheden in het geïmproviseerde vanghok, in de aanwezigheid van verzoekers niet goed te beoordelen. Hij zag en voelde veel schapen met ernstige vermagering, kreupelheden,

slechte klauwen en een aantal ernstig kreupele en ook zieke en/of verzwakte dieren, die onmiddellijk veterinaire zorg nodig hadden. Hij had er geen enkel vertrouwen in dat verzoeker dit probleem zelf ging oplossen. Verzoeker gaf daarbij desgevraagd aan dat hij geen dieren onder behandeling had, terwijl dat wel noodzakelijk was. Sterker nog hij bestreed het oordeel van de dierenarts als zijnde volkomen ondeskundig, hij had er geen enkel verstand

van, de dierenarts was hartstikke gek en er was niks mis met de schapen van verzoeker, de dierenarts moest met zijn poten van de schapen afblijven. De dierenarts zag voor de schapen geen verbeteringen als ze op het bedrijf zouden achterblijven. In het verleden heeft verzoeker meerdere malen laten blijken niet zelf aan de minimale verzorging te kunnen voldoen. De dierenarts was van mening dat verzoeker door zijn houding en gedrag telkens weer

liet blijken dat hij niet in staat was vee op een verantwoorde manier te verzorgen en te houden. Het was een herhaling van eerder geconstateerde omissies. Meevoeren was voor de dierenarts nu de enige optie om aan het belang van de gezondheid en het welzijn te kunnen voldoen. Achteraf, bij de opslaghouder, bleek dit oordeel volgens de toezichthoudend dierenarts volkomen terecht te zijn geweest, omdat de dierenarts van de opslaghouder zijn bevindingen vrijwel helemaal onderschreef.

Verzoekers hebben bovenstaande bevindingen betwist. Zij hebben twee verklaringen ingediend: één verklaring, van 2 april 2026, van dierenarts [naam 5] ( [naam 5] ), “Deskundigenverklaring betreffende [naam 1] / [naam 2] ” en één verklaring van 2 april 2026 van dierenarts [naam 6] ( [naam 6] ), Europees specialist Kleine Herkauwers, “Verklaring veterinaire beoordeling op basis van videobeelden”. Volgens verzoekers hebben beide dierenartsen hetzelfde, van hen afkomstige beeldmateriaal bekeken en blijkt uit deze verklaringen dat geen sprake was van overtredingen 3, 5 en 6. De dieren zijn dus volgens hen ten onrechte meegenomen.

In de verklaring van [naam 5] is, voor zover relevant, vermeld dat hij een video van 13 minuten en 35 seconden heeft bekeken van het laden van een koppel schapen. In de verklaring staat hierover dat hij schapen ziet met reine vachten en dat deze vachten aangesloten zijn. De staarten zijn schoon wat duidt op een goede werking van het verteringssysteem. De ruggen en voorhanden zijn breed en de dijenvulling is duidelijk zichtbaar. De buiken van de ooien zijn gevuld, zowel in de breedte als in de diepte. Dit wijst erop dat de conditie van de dieren goed tot zeer goed is, passend bij (hoog)drachtige dieren.

Verder is in de verklaring neergelegd dat hij een video van 4 minuten en 47 seconden heeft bekeken waarin een kudde schapen uit een weiland wordt opgehaald. In de verklaring staat dat het zeker om zo’n 50 dieren gaat. De locomotie van deze schapen is gescoord volgens het protocol van Angell en de AWIN. Het uitvoeren van een locomotiescore bij hoogdrachtige ooien is wat uitdagender dan bij niet drachtige schapen. Tijdens de dracht kunnen ooien tot wel 20% van het lichaamsgewicht toenemen door de groei van de vruchten en het vruchtwater. Dit kan leiden tot een wat verkorte, ietwat stijf ogende pas waarbij de kop lichte schokkerige bewegingen vertoond, zeker wanneer de ondergrond wat ongelijkmatig is (zoals in het algemeen het geval is wanneer de dieren in een weide lopen). Belangrijk is om te beoordelen of het gewicht gelijkmatig verdeeld worden over alle vier de poten en er een regelmatig ritme te zien is in de stappen die gezet worden. Bij schapen wordt gescoord van 0 (geen waarneembare kreupelheid) tot 3 (ernstig kreupel). Score 2 (gematigde kreupel) en score 3 is niet waargenomen op beide video’s. Er kan niet anders worden geconcludeerd dat er op of omstreeks 2 maart 2026 geen klinische relevante problemen waren met de locomotie van deze schapen die een inbeslagname zou rechtvaardigen.

In de verklaring van [naam 6] is vermeld dat de video van 4 minuten en 47 seconden die zij heeft gezien, een koppel schapen toont dat wordt verplaatst vanaf een weideperceel. Die verplaatsing verloopt ogenschijnlijk rustig. De dieren reageren op een voederemmer en lijken gewend te zijn aan menselijk contact. Het koppel is actief en loopt vlot mee: er blijven geen dieren achter. Rond 3 minuten en 30 seconden komt er een schaap in beeld dat duidelijke kreupelheid vertoont. Deze kreupelheid is op basis van de beelden niet nader te specificeren. De schapen zijn hoogdrachtig en verkeren visueel in een overwegend goede conditie. Enkele dieren lijkt mogelijk een ruime conditie te hebben. Echter, voor een goede conditiebeoordeling dient de spier- en vetbedekking van de rug handmatig te worden beoordeeld. De pensvulling oogt voldoende. De wolbedekking is bij het merendeel van de dieren gesloten en intact. Bij enkele dieren is sprake van een vervuilde achterhand. De klinische relevantie hiervan kan op basis van de beelden niet worden vastgesteld.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekers in deze procedure geen argumenten naar voren brengen tegen de last onder bestuursdwang van 19 juni 2025. Zij beperken zich tot het betoog dat het meevoeren van de schapen op 2 maart 2026 niet gerechtvaardigd was, gelet op de toestand van de dieren op dat moment. Volgens verzoekers heeft de minister ten onrechte vastgesteld dat zij de last van 19 juni 2025 wat betreft de daarin genoemde overtredingen 3, 5 en 6, op 2 maart 2026 niet hebben uitgevoerd.

De voorzieningenrechter wijst er in dit verband allereerst op dat een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of -belofte opgesteld rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van die bevindingen te twijfelen. Ook als het rapport van bevindingen – zoals in dit geval – niet op ambtseed of -belofte is opgesteld, mag het bestuursorgaan zich daarop in beginsel baseren.

In wat verzoekers naar voren brengen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de in het rapport van bevindingen beschreven feiten. De beschrijving van deze feiten is zeer uitgebreid en is ampel toegelicht. De dierenarts en de (andere) toezichthouder waren zelf ter plekke aanwezig en hebben de schapen niet alleen gezien maar ook, voor zover mogelijk, lichamelijk onderzocht. Verder heeft de dag na het meevoeren van de schapen op het opslagadres een lichamelijk onderzoek plaatsgevonden door de dierenarts van de opslaghouder. De bevindingen van deze laatste dierenarts onderschrijven de bevindingen van de toezichthouders grotendeels. De door verzoekers ingebrachte verklaringen van [naam 5] en [naam 6] zijn opgesteld op basis van alleen beeldmateriaal dat hun door verzoekers ter beschikking is gesteld. De verklaring van [naam 5] is gebaseerd op twee opnamen, één opname van ruim 4 minuten en één opname van ruim 13 minuten. De verklaring van [naam 6] is gebaseerd op één opname van ruim 4 minuten, waarschijnlijk dezelfde als de opname van die duur waarop [naam 5] zich heeft gebaseerd. [naam 5] noch [naam 6] zijn bovendien aanwezig geweest bij het meevoeren van de schapen. [naam 6] geeft in haar verklaring zelf aan dat voor een goede conditiebeoordeling de spier- en vetbedekking van de rug handmatig dient te worden beoordeeld. De op de zitting aanwezige toezichthoudende dierenarts van de NVWA heeft ook benadrukt dat voor een goede beoordeling, zowel wat betreft de conditiescore als de toestand van de klauwen van de schapen, lichamelijk onderzoek moet worden gedaan. Dat schapen op afstand vol in de wol lijken te staan, kan volgens hem bij lichamelijk onderzoek erg tegenvallen, zoals ook hier het geval was. Bij het vertonen van de videobeelden ter zitting heeft de toezichthoudend dierenarts er enerzijds gewezen dat de beelden een beperkt beeld geven van de situatie en op vrij grote afstand zijn gemaakt en anderzijds op een aantal schapen dat wel degelijk kreupel leek. [naam 5] noch [naam 6] waren ter zitting aanwezig om hun bevindingen te verduidelijken.

Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter uitgaan van de in het rapport van bevindingen en de bijgevoegde veterinaire verklaring neergelegde feiten. Volgens de toezichthouders – waaronder de toezichthoudend dierenarts – die bij het meevoeren aanwezig waren, rechtvaardigden die feiten dat de dieren op 2 maart 2026 zijn meegevoerd. Ook volgens de toezichthoudend dierenarts die ter zitting aanwezig was en die de situatie ter plekke kent, was de lichamelijke toestand van de schapen kennelijk zodanig dat het meevoeren van in elk geval een groot deel van de schapen gerechtvaardigd was. Daarbij speelt volgens de beide NVWA-dierenartsen een rol dat het hier gaat om schapen van het Texelse ras en dat de meeste ooien (hoog)drachtig waren. Gelet hierop was volgens hen een hogere BCS aangewezen dan gebruikelijk. In de veterinaire verklaring is vermeld dat bij de betere schapenfokkers vlak voor het einde van de dracht een BCS van 3.5 of hoger de norm is. De toezichthoudende dierenarts ter zitting gaf te kennen dat (ook) wat hem betreft voor de beslissing om de schapen mee te voeren een hogere BCS dan 2.0, wellicht zelfs 2.5, als uitgangspunt behoort te worden genomen.

Gelet hierop en op wat hiervoor is beschreven over de commotie die het gevolg was van het gedrag van verzoekers, waarmee het werk van de toezichthouders ernstig is belemmerd, acht de voorzieningenrechter de beslissing van de minister om alle 85 schapen mee te voeren in plaats van alleen de schapen waarvan kon worden zekergesteld dat hun lichamelijke toestand daartoe noodzaakte, op zichzelf te billijken. Het uitselecteren van die schapen zou onder de geschetste omstandigheden te ver voeren. Tegelijkertijd is daarmee het risico genomen dat schapen werden meegevoerd waarvan hun lichamelijke toestand niet zodanig was dat kon worden geconcludeerd dat de last van 19 juni 2025 niet was nageleefd. De voorzieningenrechter kan op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting echter ook nu niet vaststellen of er schapen zijn waarvoor dit het geval was. Ook de latere bevindingen in de opvang, waar alle schapen individueel zijn onderzocht, bieden onvoldoende basis om vast te stellen of er schapen waren waarvan hun lichamelijke toestand niet vereiste dat ze werden meegenomen en zo ja om welke schapen het hier zou gaan. De geraadpleegde toezichthoudende dierenartsen hebben weliswaar aangegeven van mening te zijn dat de lichamelijke toestand van alle schapen meevoeren vereiste, maar in dit geval is niet geheel duidelijk geworden van welke conditiescore (BCS) in het geval van (hoog)drachtige ooien, gusten en rammen van het Texelse ras sprake moet zijn om te besluiten een schaap daadwerkelijk mee te voeren. Volgens de minister is er in het geval van deze schapen aanleiding om als grens een hogere BCS te hanteren dan 2 (welke score wel vaker wordt gehanteerd), maar niet duidelijk is waar de grens dan zou moeten worden gelegd. Die onduidelijkheid biedt evenwel onvoldoende grond om in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure af te wijken van het deskundig oordeel waarop de minister zich heeft gebaseerd.

Gelet op het vorenstaande en op de stand van de procedure op dit moment, waarin naar het zich laat aanzien vrijgave van de schapen niet meer lang op zich zal laten wachten, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding het verzoek geheel of gedeeltelijk toe te wijzen. Wel gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de minister zich in het kader van een eventueel nog te nemen kostenbesluit nader zal uitlaten over de vraag of er schapen zijn meegevoerd waarvan de lichamelijke toestand het meevoeren niet vereiste en zo ja om welke schapen het gaat. Dit kan van belang zijn bij de beoordeling of er kosten redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de overtreder behoren te komen.

6 Verzoekers hebben na sluiting van het onderzoek van de zitting op 3 april 2026 de voorzieningenrechter een brief gestuurd. Hierin hebben zij te kennen gegeven dat [naam 7] , dierenarts en deskundig op het gebied van schapen, een gesprek zou willen hebben met de voorzieningenrechter, de betrokken dierenarts van de NVWA en hemzelf om de beslissingen van de NVWA en de gevolgen daarvan te analyseren. Voor zover verzoekers hiermee hebben verzocht om heropening van het onderzoek overweegt de voorzieningenrechter dat hij hiervoor geen aanleiding ziet. Uit de brief van verzoekers blijkt namelijk niet wat [naam 7] - in grote lijnen - zou kunnen verklaren, laat staan of die verklaring een onderbouwing zou kunnen zijn van de stellingen van verzoekers. Op dit punt is in de brief slechts vermeld dat [naam 7] “betrokkenheid en belangstelling [voelde] bij hetgeen is gebeurd”. Bovendien kan [naam 7] niet uit eigen waarneming over de situatie op 2 maart 2026 verklaren. Dit laat overigens onverlet dat het verzoekers vrij staat een opinie in te winnen van [naam 7] en deze in te brengen ten behoeve van de te nemen beslissing op bezwaar of het eventueel te nemen kostenbesluit.

7 De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. P.M. Beishuizen

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. P.M. Beishuizen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand