COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] ,
[naam 4] ,
[naam 8] ,
de Autoriteit Consument en Markt (ACM)
beslissing
zaaknummers: 25/148, 25/149, 25/151 en 25/446
beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de hoger beroepen van
[naam 2] en
[naam 3]
alle te [vestigingsplaats 1] (samen: [ondernemingsgroep 1] )
(gemachtigden: mr. M.R. Baneke en mr. R. Elkerbout) (25/148)
[naam 5] ,
[naam 6] en
[naam 7]
alle te [vestigingsplaats 2] (samen: [ondernemingsgroep 2] )
(gemachtigden: mr. J.W. Fanoy, mr. M. Lanters en mr. S. Gilliam) (25/149)
en
[naam 9] en
[naam 10]
alle te [vestigingsplaats 1] (samen: [ondernemingsgroep 3] )
(gemachtigde: mr. J.J.M. Sluijs) (25/151 en 25/446)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 januari 2025, kenmerk ROT 23/7777, ROT 23/7812, ROT 23/7816, ROT 23/8080, ROT 23/8172, ROT 23/8283, in het geding tussen
[ondernemingsgroep 1] , [ondernemingsgroep 2] en [ondernemingsgroep 3]
en
(gemachtigden: mr. R.W. Geertsema, mr. J.M. Meindertsma en mr. J.J. Reuven)
Procesverloop
[ondernemingsgroep 1] , [ondernemingsgroep 2] en [ondernemingsgroep 3] (samen: de ondernemingen) hebben hoger beroepen ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 januari 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:283).
De ACM heeft de vertrouwelijke versie van verschillende gedingstukken ingezonden en meegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken. De ondernemingen hebben hierop een schriftelijke reactie ingediend. De ACM heeft naar aanleiding daarvan een reactie ingediend, waar de ondernemingen nogmaals op hebben gereageerd.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Met toepassing van artikel 8:12 van de Awb heeft het College mr. B. Bastein opgedragen om als rechter-commissaris deze beslissing te nemen.
2 Bij deze beslissing moet de rechter-commissaris belangen tegen elkaar afwegen. Aan de ene kant speelt hierbij het belang dat partijen beschikken over dezelfde voor de hoger beroepen relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaken op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Aan de andere kant kan kennisneming van bepaalde gegevens het belang van een betrokkene onevenredig schaden, terwijl de ACM er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie, waaronder concurrentiegevoelige gegevens, aangeleverd te krijgen die zij voor een goede uitoefening van haar taken nodig heeft. Onder concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens vallen ook gegevens die inzicht kunnen bieden in de door betrokkene(n) voorgestane (markt)strategie, hoewel de gegevens zelf niet als bedrijfsgegevens zijn aan te merken.
3 De ondernemingen hebben in hun reactie meegedeeld dat zij zich niet met het verzoek om beperking van de kennisneming kunnen verenigen, voor zover dit stuk 799 en de bijlagen bij stuk 826 betreft.
4 De rechter-commissaris oordeelt dat de gevraagde beperking van de kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. Stuk 799 betreft een verklaring van een marktpartij, die tegenover de ACM kenbaar heeft gemaakt te vrezen voor onevenredige nadelige gevolgen op zakelijk en persoonlijk vlak indien de identiteit bekend wordt. Op basis van meerdere toelichtingen van deze marktpartij komt de ACM tot dezelfde conclusie en zijn de gegevens in de verklaring die tot identificatie kunnen leiden geheimgehouden. De rechter-commissaris ziet hierin een voldoende gewichtige reden voor geheimhouding van deze gegevens. Daarbij weegt mee dat niet valt in te zien dat een onbeperkte kennisneming van deze gegevens door de ondernemingen noodzakelijk is voor hun verdediging.
De bijlagen bij stuk 826 bevatten de ruwe antwoorden uit de zogenoemde enquête van CenterData. Deze bevatten concurrentiegevoelige informatie van marktpartijen uit de eiersector, zoals omzetgegevens, prijsgegevens en contractgegevens. De ACM heeft toegelicht dat deze gegevens gezien de langdurige commerciële relaties in deze sector nog altijd onderdeel uitmaken van de huidige commerciële posities. Daarom acht de rechter-commissaris de geheimhouding hiervan gerechtvaardigd. De resultaten van de enquête zijn door de ACM op geaggregeerd niveau weergegeven in verschillende andere stukken in het dossier. Ook zijn de namen van de respondenten voor de ondernemingen inzichtelijk. De rechter-commissaris acht daarom aannemelijk dat de ondernemingen hun belangen naar behoren kunnen bepleiten.
5 Het College kan alleen met toestemming van de ondernemingen mede op de grondslag van die stukken uitspraak doen. Hoewel de ondernemingen in hun reactie op het 8:29-verzoek hebben aangegeven die toestemming te weigeren, ziet de rechter-commissaris voor de goede orde aanleiding ze te verzoeken kenbaar te maken of zij deze weigering handhaven. Vanwege de korte termijn tot de zitting, kunnen zij dit ook op de zitting meedelen.
Beslissing
De rechter-commissaris:
- beslist dat de gevraagde beperking van de kennisneming van de stukken gerechtvaardigd is;
- verzoekt de ondernemingen om uiterlijk op de zitting aan het College kenbaar te maken of zij ermee instemmen dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken uitspraak doet op de hoger beroepen.
Deze beslissing is genomen op 20 april 2026 door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier.
De rechter-commissaris is verhinderd deze beslissing te ondertekenen
B. Bastein w.g. D. de Vries