ECLI:NL:CBB:2026:198

ECLI:NL:CBB:2026:198

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 01-05-2026
Zaaknummer 23/1556
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Ruiming pluimveebedrijf, vogelgriep, hoogte tegemoetkoming - De onderneming heeft geen omstandigheden aangevoerd op basis waarvan de staatssecretaris had moeten besluiten dat hij de door de taxateur opgemaakte waardebepaling niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. De taxateur heeft voor zijn taxatie gebruikgemaakt van de op dat moment meest recente waardetabel en heeft geen aanleiding gezien om van die tabel af te wijken. De staatssecretaris mocht voor de waardevaststelling gebruikmaken van de door Wageningen Economic Research vastgestelde waardetabel. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , te [vestigingsplaats] (onderneming)

de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

uitspraak

zaaknummer: 23/1556

(gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters)

en

(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman)

Procesverloop

Met het besluit van 6 mei 2022 heeft de staatssecretaris aan de onderneming een tegemoetkoming in de schade vanwege de ruiming van het pluimvee van de onderneming toegekend.

Met het besluit van 20 juni 2023 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van de onderneming gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond verklaard.

De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De eerste zitting was op 13 augustus 2025. Daaraan hebben namens de onderneming haar gemachtigde en [naam 2] , en de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen. Het College heeft het onderzoek aan het einde van de zitting gesloten.

Op 14 augustus 2025 heeft het College het onderzoek heropend en de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld inzicht te geven in de wijze van totstandkoming van de waardetabellen van Wageningen Economic Research (WEcR).

De staatssecretaris heeft daarop, met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een notitie overgelegd van 7 november 2025, opgesteld door WEcR. De notitie gaat in op de uitgangspunten en berekeningswijzen die ten grondslag liggen aan de waardetabellen die WEcR periodiek opstelt ten behoeve van de waardebepaling van (geruimde) leghennen.

Op 2 december 2025 heeft de rechter-commissaris van het College beslist dat beperking van de kennisneming van de notitie van WEcR gerechtvaardigd is (ECLI:NL:CBB:2025:653).

De onderneming heeft verzocht om een nadere zitting.

De tweede zitting was op 18 maart 2026. Daaraan hebben namens de onderneming haar gemachtigde en [naam 2] , en namens de staatssecretaris zijn gemachtigde en [naam 3] deelgenomen.

Overwegingen

1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Inleiding

In januari 2022 is op de pluimveehouderij van de onderneming ‘aviaire influenza’ (vogelgriep) geconstateerd. Om verdere verspreiding te voorkomen, zijn alle kippen van de onderneming geruimd en zijn alle producten en voorwerpen die besmet konden zijn, vernietigd. De staatssecretaris heeft aan de onderneming een tegemoetkoming in de schade toegekend van € 182.275,46. In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris de hoogte van de tegemoetkoming vermeerderd met € 695,99. De door de staatssecretaris toegekende tegemoetkoming is hoger dan de waarde die een door de staatssecretaris aangewezen taxateur heeft vastgesteld voorafgaand aan de ruiming van het pluimvee. De reden daarvoor is onder meer dat de taxateur te veel zieke dieren (die een lagere waarde hebben) had geteld en dat hij een te hoog afschrijvingspercentage had gebruikt waardoor de vergoeding te laag uitviel.

De onderneming vindt het toegekende bedrag te laag. In deze zaak moet het College daarom de vraag beantwoorden of de staatssecretaris op juiste gronden heeft besloten om aan de onderneming een tegemoetkoming van (in totaal) € 182.971,45 toe te kennen.

Standpunt van de onderneming

De onderneming voert aan dat de staatssecretaris voor de waardebepaling van de geruimde kippen ten onrechte een verouderde waardetabel heeft gebruikt. Het bedrijf is geruimd op 22 januari 2022, en de gebruikte waardetabel dateert van 8 januari 2022. Kort na de ruiming, namelijk op 8 februari 2022 en 10 maart 2022 zijn de waarden van de kippen in de waardetabel naar boven bijgesteld. Daaruit volgt volgens de onderneming dat de gebruikte waarde voor de geruimde kippen van de onderneming substantieel te laag is vastgesteld. De onderneming heeft een deskundige, [naam 2] , gevraagd wat de juiste waarde was op de datum van de ruiming. Volgens [naam 2] was de correcte waarde € 7,07 per dier in plaats van de door de staatssecretaris gehanteerde € 5,73 per dier. Op basis van de inschatting van [naam 2] is de tegemoetkoming voor de geruimde kippen € 32.167,83 te laag uitgevallen.

Verder voert de onderneming aan dat er na de ruiming nog 35.000 kilo voer aanwezig was op het bedrijf, dat niet meer kon worden gebruikt en daarom moest worden afgevoerd. Volgens de onderneming had de staatssecretaris ook voor dat voer een tegemoetkoming moeten toekennen.

Standpunt van de staatssecretaris

De tegemoetkoming voor de geruimde kippen heeft de staatssecretaris gebaseerd op de waardetabel die op het moment van ruiming het meest actueel was. Op basis van die tabel was de waarde van een leghen van 17 weken € 8,07, en op basis daarvan is de waarde van de kippen van de onderneming berekend. Dat is conform het advies van de taxateur, en de staatssecretaris heeft geen gerede twijfel over de juistheid van dat advies. De staatssecretaris stelt zich daarom op het standpunt dat hij van de waarde mocht uitgaan die bleek uit de ten tijde van de ruiming meest recente waardetabel.

Met betrekking tot de 35.000 kilo ongebruikt voer stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat dat voer niet voor vergoeding in aanmerking komt. Op grond van artikel 9.6 en 9.8 van de Wet dieren komen producten alleen voor vergoeding in aanmerking als ze in het kader van de ruiming van een bedrijf, vanwege besmetting of gevaar voor verspreiding van de ziekte, worden vernietigd of onschadelijk worden gemaakt. Er is geen besmetting of gevaar voor verspreiding geconstateerd ten aanzien van de 35.000 kilo voer. Daarom is het ook niet vernietigd in het kader van de ruiming van het bedrijf. De wet staat het niet toe om in zo’n geval een tegemoetkoming toe te kennen.

Oordeel van het College

Sinds april 2021 regelt de Wet dieren de tegemoetkoming in de schade in de situatie dat dieren worden gedood en producten of voorwerpen worden vernietigd in het belang van de bestrijding van dierziekten. Voor die tijd bood artikel 86 van de – inmiddels vervallen – Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd) daarvoor de grondslag. Op grond van artikel 9.8, vijfde lid, van de Wet dieren is de staatssecretaris bevoegd om de tegemoetkoming in de schade vast te stellen, nadat hij daarover is geadviseerd door een door hem aangewezen deskundige. Het is vaste rechtspraak van het College (zie de uitspraken van 20 september 2005 (ECLI:NL:CBB:2005:AU3647), 11 maart 2008 (ECLI:NL:CBB:2008:BC6530) en 6 november 2008 (ECLI:NL:CBB:2008:BG4415)) dat de staatssecretaris bij de bepaling van die tegemoetkoming in beginsel moet uitgaan van de waardevaststelling door de deskundigen. Alleen in uitzonderlijke gevallen zal de staatssecretaris van deze waarde moeten afwijken. Dat is het geval als de vaststelling van de waarde op basis van haar inhoud of op basis van de manier waarop zij tot stand is gekomen, onvoldoende recht doet aan de bijzondere omstandigheden op het pluimveebedrijf in kwestie, waardoor de staatssecretaris de waardevaststelling niet aan zijn besluit ten grondslag mag leggen.

Bij de taxatie van kippen vormen waardetabellen het uitgangspunt, die worden opgesteld door WEcR. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit diergezondheid (Stb. 2021, 169) is het doel van het gebruik van waardetabellen om te komen tot een eenduidig systeem, waarbij op een gelijke en consistente wijze de marktwaarde van dieren wordt vastgesteld door deskundigen. Voor de meest gangbare categorieën pluimvee worden de waardetabellen ieder kwartaal geactualiseerd. Actualisatie gebeurt ook als er een diergezondheidscrisis uitbreekt. Het College heeft in zijn uitspraak, gedaan op dezelfde dag als deze uitspraak (ECLI:NL:CBB:2026:158), geoordeeld dat de door WEcR opgestelde waardetabellen voldoen aan de eisen van artikel 4.3, tweede lid, van het Besluit diergezondheid, dat ook in deze zaak van toepassing is. Het College heeft tevens geoordeeld dat de alternatieve waardetabel die door de adviseur [naam 2] is opgesteld, en die ook in deze zaak is ingebracht, geen reden is voor een ander oordeel. Daarom mocht de staatssecretaris voor de waardevaststelling gebruikmaken van de door WEcR opgestelde waardetabellen.

Als een taxateur op basis van zijn expertise van oordeel is dat de waarde in de tabellen niet overeenkomt met de actuele waarde van kippen, dan is hij bevoegd om van de waardetabellen af te wijken. Het College oordeelt dat de onderneming geen omstandigheden heeft aangevoerd op basis waarvan de staatssecretaris in dit geval had moeten besluiten dat hij de door de taxateur opgemaakte waardebepaling niet aan zijn besluit ten grondslag had mogen leggen. De taxateur heeft voor zijn taxatie gebruikgemaakt van de op dat moment meest recente waardetabel (8 januari 2022) en heeft geen aanleiding gezien om van die tabel af te wijken. Daarbij is van belang dat de onderneming tijdens de taxatie ook zelf geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd op grond waarvan in haar geval van die waardetabel had moeten worden afgeweken.

Uit de uitspraak van het College van 10 februari 2005 (ECLI:NL:CBB:2005:AS7073) volgt dat het oude artikel 86 van de Gwd een beperkte mogelijkheid bood voor toekenning van een tegemoetkoming. Die beperking zag enerzijds op het gelimiteerde aantal situaties waarin een tegemoetkoming werd toegekend en anderzijds op de limitatief opgesomde schadeposten die voor een tegemoetkoming in aanmerking kwamen. De nieuwe regeling in de Wet dieren bevat in de artikelen 9.6 en 9.8 die beperkingen nog steeds. De staatssecretaris kent alleen een tegemoetkoming toe als dieren worden gedood, of producten of voorwerpen worden vernietigd. De tegemoetkoming ziet bovendien alleen op die gedode dieren of vernietigde voorwerpen of producten.

Dit betekent dat de 35.000 kilogram voer niet voor toekenning van een tegemoetkoming in aanmerking komt. De getroffen maatregelen hadden alleen betrekking op het voer dat in het voedersysteem aanwezig was. Dat voer is in het kader van de maatregelen op grond van de Wet dieren vernietigd en komt daarom voor een tegemoetkoming in aanmerking. Het overige voer was niet besmet en leverde ook geen gevaar op voor verdere verspreiding van de ziekte, en is daarom niet in het kader van de maatregelen op grond van de Wet dieren vernietigd. De Wet dieren biedt de staatssecretaris in dat geval niet de mogelijkheid om een tegemoetkoming in de schade toe te kennen.

Conclusie

6 Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. J.L. Verbeek en mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

w.g. R.C. Stam de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Bijlage

Wet dieren

Artikel 9.6, eerste lid, aanhef en onder a en b

1. Uit het Diergezondheidsfonds wordt door Onze Minister aan de houder een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd, indien:

a. dieren worden gedood, of

b. producten of voorwerpen onschadelijk worden gemaakt of worden vernietigd.

Artikel 9.8, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, derde en vijfde lid

1. De tegemoetkoming in de schade bedraagt:

a. voor verdachte dieren: de waarde in gezonde toestand;

b. voor zieke of dode dieren: het bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gedeelte van de waarde in gezonde toestand;

c. voor producten: de marktwaarde, en

d. voor voorwerpen: de vervangingswaarde.

3. Voordat dieren worden gedood of producten of voorwerpen onschadelijk worden gemaakt of vernietigd, wordt de waarde daarvan vastgesteld.

5. Onze Minister stelt, op basis van een advies over de waarde opgesteld door een door hem aangewezen deskundige, de tegemoetkoming in de schade vast.

Besluit diergezondheid

Artikel 4.3, tweede lid

2. In afwijking van het eerste lid is de waarde van een dier of product dat zich bevindt in een levensfase of fase van het productieproces waarin het onder normale omstandigheden niet verhandelbaar is, de waarde, al naar gelang het gebruiksdoel, de aanwending, de leeftijd of ouderdom.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand