ECLI:NL:CBB:2026:2

ECLI:NL:CBB:2026:2, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-01-2026, 25/444

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 13-01-2026
Datum publicatie 13-01-2026
Zaaknummer 25/444
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Het College wijst het verzoek om herziening af maar ziet wel aanleiding de minister op te dragen het betaalde griffierecht aan de onderneming te vergoeden.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 op het verzoek van

[naam 1] B.V., te [woonplaats] (de onderneming)

uitspraak

zaaknummer: 25/444

om herziening van de uitspraak van het College van 4 maart 2025, zaaknummer 22/2291.

Procesverloop

Met de uitspraak van 4 maart 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:126) heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van de minister van Economische Zaken van 5 augustus 2022, waarin de minister het bezwaar van de onderneming tegen het besluit van 8 maart 2022 niet-ontvankelijk heeft verklaard, ongegrond verklaard.

De onderneming heeft verzocht om herziening van de bestreden uitspraak.

De zitting was op 17 september 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] namens de onderneming en S. Piron namens de minister.

Met de brief van 22 september 2025 heeft het College de minister om een nadere reactie gevraagd. Naar aanleiding daarvan hebben partijen nadere stukken ingediend.

Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. De onderneming heeft verzocht om herziening van de uitspraak van 4 maart 2025 omdat deze volgens haar een aantal onjuistheden bevat. Volgens de onderneming vermeldt de uitspraak ten onrechte dat zij tijdens de bezwaarprocedure zou hebben gereageerd op een verzoek van de minister in een andere procedure, wordt de onderneming ten onrechte verweten dat zij zou hebben gewacht met haar bezwaar tot zij een besluit in die andere procedure had ontvangen en heeft het College tot slot de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding niet juist beoordeeld.

2 Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3 Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening strekt ertoe een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. Bij de beoordeling van een verzoek om herziening wordt uitsluitend beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Het College kan slechts rekening houden met feiten en omstandigheden die de verzoekster redelijkerwijs niet naar voren heeft kunnen brengen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. Het rechtsmiddel herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. Dat betekent onder meer dat een vermeende onjuiste rechtsopvatting niet kan dienen als grond voor herziening. Het rechtsmiddel herziening is evenmin gegeven om een partij de gelegenheid te bieden om stukken ter (nadere) onderbouwing van een standpunt die in een eerdere procedure naar hadden kunnen worden gebracht, alsnog naar voren te brengen en aldus het debat te heropenen. Dat tegen de uitspraak van het College waarvan de onderneming herziening heeft verzocht geen hoger beroep of beroep in cassatie openstaat, maakt het voorgaande niet anders (zie ook de uitspraken van het College van 6 oktober 2020, ECLI:NL:CBB:2020:683 en van 25 maart 2025, ECLI:NL:CBB:2025:191).

Het College stelt eerst vast dat de passage in 3.1 van de uitspraak van 4 maart 2025 over de keuze van de onderneming om te wachten op een ander besluit, ten overvloede is gegeven en geen zelfstandige betekenis heeft gehad in de oordeelsvorming. Zoals ook op de zitting is besproken, kan deze overweging worden ‘weggedacht’ bij de beoordeling of de uitspraak moet worden herzien. De feitelijke juistheid van deze passage kan dus in het midden blijven.

Wat betreft de passage in 3.1 over de reactie van de onderneming op het verzoek van de minister is op de zitting gebleken dat deze niet strookt met de werkelijke gang van zaken. De minister heeft verklaard dat hij bij nader inzien een uitdraai uit het computersysteem verkeerd heeft geïnterpreteerd. Daardoor heeft hij op de eerdere zitting abusievelijk verklaard dat de onderneming op 22 april 2022 heeft gereageerd op een vraag die de minister hem op 8 april 2022 had gesteld. Met de minister vindt het College het ongelukkig dat hierdoor een onjuist beeld van de feitelijke gang van zaken is ontstaan. Het College kan er echter niet aan voorbijgaan dat daarmee nog geen sprake is van feiten en omstandigheden die vallen onder de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb genoemde situaties en dus kunnen leiden tot herziening. Het betreft immers geen feiten en omstandigheden die bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn. Bovendien zouden deze feiten, waren zij op de zitting juist gepresenteerd, niet tot een andere uitkomst hebben geleid. Dat blijkt uit wat het College hierna overweegt.

De onderneming heeft verder aangevoerd dat het College bij de beoordeling van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding in bezwaar ten onrechte niet heeft meegewogen dat de termijnoverschrijding slechts zes dagen was. Ook zijn de door de onderneming ingediende stukken over burn-out, afpersing, chantage en COVID-19 niet voldoende bij de beoordeling betrokken. Uit deze stukken blijkt volgens de onderneming dat betrokkene in de bezwaarprocedure onvoldoende oplettend was. De termijnoverschrijding is daarom verschoonbaar. Met dit betoog opent de onderneming een discussie over de juistheid van de beoordeling door het College van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding in bezwaar. Daarvoor is het rechtsmiddel herziening echter niet bedoeld.

Het College ziet in dit geval aanleiding in aanvulling hierop nog het volgende te overwegen. Zou het College bekend zijn geweest met de juiste feiten, dan zou dat niet tot een ander oordeel hebben geleid over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding in bezwaar. Daarbij betrekt het College dat de onderneming ondanks de (niet betwiste) medische en traumatische persoonlijke omstandigheden van betrokkene in de periode voorafgaand aan de bezwaarprocedure en ook in de maanden daarna, regelmatig in staat is geweest vragen te beantwoorden en vaststellingsverzoeken te doen. Niet is gebleken waarom de onderneming daartoe niet in staat was tijdens de bezwaarperiode. Het College ziet dan ook geen goede verklaring voor het feit dat het bezwaarschrift tegen het besluit van 8 maart 2022 niet binnen de bezwaartermijn, maar wel enkele dagen na het verstrijken ervan kon worden ingediend, zoals ook in de bestreden uitspraak is overwogen. De termijnoverschrijding is dan ook niet verschoonbaar. Dat de overschrijding van de bezwaartermijn beperkt is tot zes dagen, maakt dat niet anders. Het voorstel in de conclusie van advocaat-generaal Widdershoven van 7 september 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:476) om in alle gevallen een termijnoverschrijding van minder dan een week verschoonbaar te achten heeft het College in zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:2024:31) niet gevolgd.

5 Het College wijst het verzoek daarom af.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7 Het College ziet in de onder 4.2 geschetste gang van zaken wel aanleiding om de minister op te dragen het door de onderneming betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het College:

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.

w.g. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?