COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming)
de minister van Klimaat en Groene Groei
uitspraak
zaaknummer: 23/1596
(gemachtigde: C.J. Cuvelier)
en
(gemachtigde: mr. M.J. Schulte)
Procesverloop in beroep
De onderneming heeft tegen het besluit van 27 juni 2023 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 16 april 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen
Inleiding
1 De minister heeft de aan de onderneming verleende subsidie voor de aanschaf en de installatie van zonnepanelen op het dak van haar autoshowroom op € 0,- vastgesteld, omdat de onderneming onjuiste gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid. De onderneming heeft in de subsidieaanvraag vermeld dat het totale netto elektriciteitsverbruik in het jaar voorafgaand aan de aanvraag (2021) minimaal 50.000 kWh bedroeg, maar deze informatie blijkt onjuist te zijn. Het elektriciteitsverbruik bedroeg 47.704 kWh. Als de minister dit ten tijde van de subsidieaanvraag had geweten zou hij deze hebben afgewezen. De minister heeft met het bestreden besluit het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard en de vaststelling op € 0,- in stand gelaten. De onderneming erkent dat het elektriciteitsverbruik minder dan 50.000 kWh bedroeg, maar stelt dat de minister coulance had moeten betrachten en de subsidie alsnog had moeten verstrekken.
Beoordeling van het beroep
2 Aan de orde is de vraag of de minister de subsidie terecht op € 0,- heeft vastgesteld. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en licht dit hieronder toe.
Op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de minister de verleende subsidie lager vaststellen indien de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid.
Vast staat dat het totale netto elektriciteitsverbruik in het jaar voorafgaand aan de aanvraag minder dan 50.000 kWh bedroeg. Als de onderneming deze informatie bij de aanvraag had verstrekt, zou de minister geen subsidie hebben verleend. De minister moest de subsidieaanvraag namelijk op grond van het toen geldende artikel 4.5.9, tweede lid, aanhef en onder d, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies afwijzen als het totale netto elektriciteitsverbruik in het jaar voorafgaand aan de aanvraag minder dan 50.000 kWh bedroeg. De minister was op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb daarom bevoegd om de subsidie op € 0,- vast te stellen.
De minister heeft van die bevoegdheid ook gebruik mogen maken. De minister heeft in de omstandigheid dat het elektriciteitsverbruik van de onderneming in 2021 lager is uitgevallen omdat de autoshowroom tijdelijk gesloten was vanwege de coronapandemie terwijl het elektriciteitsverbruik volgens de onderneming in de jaren voor en na 2021 wel hoger uitviel, geen aanleiding hoeven te zien om uit coulance toch subsidie te verlenen. Zoals de minister terecht heeft opgemerkt, is de eis dat het elektriciteitsverbruik in het jaar voorafgaand aan de aanvraag meer dan 50.000 kWh moet bedragen, gesteld om overstimulering te voorkomen. In het geval het totale netto elektriciteitsverbruik minder dan 50.000 kWh bedraagt hebben zonnepanelen geen aanvullende stimulering nodig omdat deze dan in aanmerking komen voor de salderingsregeling (Stcrt. 2020, 65131, blz. 29).
Slotsom
Het College zal het beroep ongegrond verklaren.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
w.g. M.J. Jacobs w.g. H. Caglayankaya