COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaken tussen
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (S)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummers: 25/242, 25/243 en 25/244
[naam 2] B.V., te [woonplaats] (N)
[naam 3] B.V., te [woonplaats] (C)
(samen: bedrijven)
(gemachtigden: mr. M.I.J. Toonders en mr. T.F.M. Wijgergans)
en
(gemachtigden: mr. C.J.M. Daniels en C. Zieleman)
Procesverloop
Zaak 25/243
Met het besluit van 28 juni 2024 heeft de minister de aanvraag van S van 7 september 2023 om subsidie op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv) afgewezen.
Met het besluit van 7 februari 2025 (bestreden besluit 1) heeft de minister het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.
Zaak 25/244
Met het besluit van 28 juni 2024 heeft de minister de aanvraag van N van 4 juli 2023 om subsidie op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) gedeeltelijk ingewilligd en aan N een subsidie toegekend van maximaal € 3.452.678,58.
Met het besluit van 7 februari 2025 (bestreden besluit 2) heeft de minister het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.
Zaak 25/242
Met het besluit van 28 juni 2024 heeft de minister de aanvraag van C van 7 september 2023 om subsidie op grond van de Lbv afgewezen.
Met het besluit van 7 februari 2025 (bestreden besluit 3) heeft de minister het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.
In alle zaken
De bedrijven hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
De minister heeft verweerschriften ingediend.
De zitting was op 8 april 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen namens de bedrijven [naam 4] en mr. Toonders en namens de minister zijn gemachtigden.
Overwegingen
Inleiding
Elk van de drie bedrijven exploiteert een varkenshouderij. Daarnaast heeft N ook een melkveehouderij. De bedrijven behoren tot hetzelfde concern, waarin de varkenshouderijen met elkaar samenwerken als respectievelijk opfokbedrijf (S), vermeerderingsbedrijf (N) en vleesvarkensbedrijf (C). S heeft twee varkensstallen, N heeft negen varkensstallen en C heeft twee varkensstallen. N heeft ook melkvee en drie melkveestallen.
De minister heeft de aanvragen niet ingewilligd voor de varkensstallen van de bedrijven, omdat deze in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvragen niet onafgebroken op bedrijfseconomisch gangbare wijze zijn gebruikt (ook wel vijfjaarseis). De varkensstallen hebben volgens de minister ruim twee jaar (S), respectievelijk anderhalf jaar (N en C), leeggestaan. Er is dan geen sprake van kortdurende leegstand. De aanvraag van N is wel deels ingewilligd, maar alleen voor de productierechten voor melkvee en varkens en voor de melkveestallen.
2 In deze procedure gaat het om de vraag of de varkensstallen voldoen aan de vijfjaarseis.
3 De bedrijven voeren aan dat de leegstand in de varkensstallen het gevolg is van een dierziekte onder de varkens. Na het afvoeren van de laatste dieren uit de stallen was tijd nodig om de stallen gereed te maken voor het plaatsen van Specific Pathogeen Free (SPF)-varkens. Hiervoor moest de mest worden verwijderd, moesten de stallen worden gereinigd en ontsmet en was verbouwing van de stallen nodig. Het bleek lastig om de stallen te herbevolken met SPF-varkens, omdat deze niet direct leverbaar waren in de gewenste aantallen. In 2022 bleek bovendien dat N behoorde tot de top honderd van stikstofpiekbelasters op een destijds gepubliceerde lijst van de toenmalige minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Er is toen pas op de plaats gemaakt voor wat betreft het doen van grote investeringen. De intentie is echter altijd geweest om weer op te starten. Inmiddels is dat ook gebeurd en zijn alle stallen herbevolkt met varkens.
Beoordeling van de beroepen
De vijfjaarseis volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Lbv en artikel 6, eerste lid, van de Lbv-plus. Deze bepalingen luiden als volgt:
Artikel 6, eerste lid, van de Lbv:
“De aanvraag van de veehouder wordt afgewezen indien de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderij met productierecht drijft en voor zover de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is.”
Artikel 6, eerste lid, van de Lbv-plus:
“De aanvraag van de veehouder wordt afgewezen indien de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderij met productierecht of een vleeskalverhouderij drijft en voor zover de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is.”
In de toelichting bij de Lbv (Stcrt. 2023 nr. 14992, blz. 23 en 33) staat, voor zover hier van belang, het volgende over de vijfjaarseis:
“De regeling heeft als doel het verminderen van stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door melkvee-, varkens- en pluimveehouderijlocaties. In verband hiermee is in de regeling bepaald dat bedrijven of locaties waar feitelijk geen melkvee, pluimvee of varkens worden gehouden, niet in aanmerking komen voor subsidie. Verder worden ook locaties uitgesloten die nog maar relatief kort in gebruik zijn. Uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de aanvraag (op bedrijfseconomisch gangbare wijze) onafgebroken is gebruikt, komt voor subsidie in aanmerking. Dit hangt samen met het Europese staatssteunkader voor het sluiten van productiecapaciteit, de Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (2022/C 485/01; hierna: de Richtsnoeren). Hierin is als vereiste opgenomen dat uitsluitend staatssteun kan worden verleend voor productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting onafgebroken is gebruikt. Omdat ten tijde van de aanvraag onbekend is wanneer de sluiting daadwerkelijk plaatsvindt, kan niet worden uitgegaan van de datum van de feitelijke sluiting, maar moet worden uitgegaan van de datum van aanvraag om te kunnen vaststellen of wordt voldaan aan het hiervoor bedoelde vijfjaarsvereiste.
[…]
De vereisten van het feitelijk houden van dieren en van het onafgebroken gebruik gedurende vijf jaar betekenen niet dat er steeds dieren in een stal (hebben) moeten staan. Als een stal in het kader van de reguliere bedrijfsvoering tijdelijk leeg staat respectievelijk heeft gestaan, betekent dat niet dat de stal niet wordt respectievelijk is gebruikt. Er is dan nog steeds sprake van gebruik op bedrijfseconomisch gangbare wijze. Te denken valt aan leegstand tussen het afvoeren van een ronde vleesvarkens of -kuikens en de komst van een nieuwe ronde, of aan tijdelijke leegstand als gevolg van een dierziekte. Kortdurende leegstand van een stal hoeft dus geen reden voor afwijzing van de subsidieaanvraag te zijn, zolang de leegstand het gevolg is van omstandigheden die passen in het normale bedrijfsproces.
[…]
De regeling heeft betrekking op productielocaties, gelet op de aard van de problematiek. Als de onderneming van een veehouder verscheidene productielocaties omvat, kan hij voor elk van de locaties een – afzonderlijke – subsidieaanvraag indienen. Voor elke locatie dient in dat geval afzonderlijk vastgesteld te worden of aan de voorwaarden van de regeling wordt voldaan. In de praktijk kan zich dus de situatie voordoen dat van een veehouder de ene productielocatie wel en de andere productielocatie niet voldoet aan de voorwaarden. De regeling staat dus ook niet in de weg aan een gedeeltelijke sluiting van een veehouderij, waarbij slechts één van de productielocaties wordt gesloten. Het staat de betreffende veehouder vrij om zijn andere productielocatie(s) in bedrijf te houden. […]”
In de toelichting bij de Lbv-plus (Stcrt. 2023 nr. 15029, blz. 25) staat over de vijfjaarseis het volgende:
“Uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de aanvraag (op bedrijfseconomisch gangbare wijze) onafgebroken is gebruikt, komt voor subsidie in aanmerking. Dit hangt samen met het Europese staatssteunkader voor het sluiten van productiecapaciteit, de Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (2022/C 485/01; hierna: de Richtsnoeren). Hierin is als vereiste opgenomen dat uitsluitend staatssteun kan worden verleend voor productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting onafgebroken is gebruikt. Omdat ten tijde van de aanvraag onbekend is wanneer de sluiting daadwerkelijk plaatsvindt, kan niet worden uitgegaan van de datum van de feitelijke sluiting, maar moet worden uitgegaan van de datum van aanvraag om te kunnen vaststellen of wordt voldaan aan het hiervoor bedoelde vijfjaarsvereiste.
De vereisten van het feitelijk houden van dieren en van het onafgebroken gebruik gedurende vijf jaar betekenen niet dat er steeds dieren in een stal (hebben) moeten staan. Als een stal in het kader van de reguliere bedrijfsvoering tijdelijk leeg staat respectievelijk heeft gestaan, betekent dat niet dat de stal niet wordt respectievelijk is gebruikt. Er is dan nog steeds sprake van gebruik op bedrijfseconomisch gangbare wijze. Te denken valt aan leegstand tussen het afvoeren van een ronde vleesvarkens, -kuikens of -kalveren en de komst van een nieuwe ronde, of aan tijdelijke leegstand als gevolg van een dierziekte. Kortdurende leegstand van een stal hoeft dus geen reden voor afwijzing van de subsidieaanvraag te zijn, zolang de leegstand het gevolg is van omstandigheden die passen in het normale bedrijfsproces.”
In de Richtsnoeren is onder meer het volgende opgenomen:
“426. Uitsluitend ondernemingen die daadwerkelijk hebben geproduceerd, en uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting van de capaciteit onafgebroken is gebruikt, komen voor steun in aanmerking. In gevallen waarin de productiecapaciteit al definitief is gesloten of waarin een dergelijke sluiting onvermijdelijk lijkt, is er geen sprake van een (toereikende) minimumbijdrage van de begunstigde en mag geen steun worden verleend.”
Deze vijfjaarseis houdt in dat uitsluitend ondernemingen die daadwerkelijk hebben geproduceerd, en uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar voor de sluiting van de capaciteit onafgebroken is gebruikt, in aanmerking komen voor steun. Kortdurende leegstand van een stal hoeft geen reden voor afwijzing van de subsidieaanvraag te zijn, zolang de leegstand het gevolg is van omstandigheden die passen in het normale bedrijfsproces (zie de uitspraken van het College van 29 juli 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:392) onder 6.4, en van 19 augustus 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:425) onder 5.4).
De minister is uitgegaan van een leegstand van twee jaar van de stallen van S en anderhalf jaar van de stallen van N en C. De minister heeft daarbij in ruime mate rekening gehouden met de periode van leegstand als direct gevolg van de dierziekte onder de varkens. De lengte van genoemde perioden van leegstand waarvan de minister is uitgegaan, is niet in geschil. Het College volgt de minister in zijn standpunt dat geen sprake is van kortdurende leegstand als gevolg van omstandigheden die passen in het normale bedrijfsproces. Het College begrijpt dat het houden van de varkens in de stallen van de drie bedrijven samenhangt. Maar ook als alleen wordt uitgegaan van de laatste stal waaruit dieren zijn afgevoerd op 2 november 2021 bij C, en van een ruime periode van een half jaar voor leegstand als direct gevolg van de dierziekte, dan is sprake van een periode van leegstand van bijna anderhalf jaar tot aan de aanvraag van C op 7 september 2023. Daarbij valt niet in te zien waarom alleen deze laatste stal volledig gereed is gemaakt voor SPF-varkens, die vervolgens niet tijdig en in de gewenste aantallen leverbaar bleken. Het College begrijpt uit de toelichting van de bedrijven op de zitting dat zij wel de intentie hadden om het productieproces opnieuw op te starten en alle stallen gereed te maken en te herbevolken met varkens, maar medio 2022 op de “pauzeknop” hebben gedrukt naar aanleiding van de berichtgeving over de onder 3 genoemde lijst met stikstofpiekbelasters, waartoe ook N behoorde. Dat is geen omstandigheid die past binnen het normale bedrijfsproces maar een bedrijfseconomische keuze die, hoe invoelbaar ook, voor rekening en risico van de bedrijven komt.
5 De conclusie is dat de minister de aanvragen voor de varkensstallen terecht heeft afgewezen, omdat de varkensstallen niet voldoen aan de vijfjaarseis.
Slotsom
6 De beroepen zijn ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
In alle zaken:
Het College verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. S.C. Stuldreher en mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
w.g. H.L. van der Beek w.g. M.L. Bosman