COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats]
de minister van Klimaat en Groene Groei
uitspraak
zaaknummer: 24/566
(gemachtigde: R. Noy)
en
(gemachtigde: mr. J. Wols en C.A.T. Franssen)
Procesverloop in beroep
[naam] heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 12 juni 2024 (bestreden besluit).
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 15 april 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Inleiding
[naam] heeft voor wooneenheden aan de [adres] te [woonplaats] een subsidie aangevraagd op grond van de Tijdelijke subsidieregeling tegemoetkoming blokaansluitingen (TTB). De subsidie is aangevraagd voor zowel warmte als elektriciteit. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 4 december 2023 afgewezen, omdat het aantal wooneenheden te laag was.
[naam] heeft na de afwijzing op verzoek van de minister alsnog de documenten aangeleverd waaruit blijkt dat hij in aanmerking komt voor een subsidie voor elektriciteit. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard en alsnog een subsidie van € 1.847,34 voor elektriciteit verleend. In het bestreden besluit licht de minister toe dat een subsidie voor elektriciteit mogelijk is vanaf twee zelfstandige wooneenheden. [naam] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordeling van het beroep
[naam] betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aanvraag in eerste instantie is afgewezen. De minister heeft wel subsidie verleend naar aanleiding van twee andere aanvragen voor wooneenheden in hetzelfde pand. [naam] wenst aanspraak te maken op vergoeding van zijn kosten in bezwaar.
Uit de beroepsgronden blijkt niet duidelijk op welke punten [naam] het niet eens is met het bestreden besluit. Hij is niet op de zitting verschenen om dit te verduidelijken.
Voor zover [naam] bedoelt dat het nog steeds onduidelijk is waarom de aanvraag in eerste instantie is afgewezen, dan volgt het College hem niet in dat standpunt. Nadat [naam] bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 4 december 2023, heeft de minister hem op 16 april 2024 verzocht om aanvullende stukken op te sturen. Op 5 juni 2024 heeft de bezwaarbehandelaar telefonisch uitgelegd waarom de aanvraag in eerste instantie is afgewezen. [naam] heeft tijdens dit telefoongesprek verzocht om de aanvraag aan te passen, in die zin dat alleen subsidie wordt aangevraagd voor elektriciteit. In het bestreden besluit motiveert de minister nogmaals waarom de aanvraag in eerste instantie is afgewezen, en waarom [naam] nu wel in aanmerking komt voor een subsidie voor elektriciteit. Van een motiveringsgebrek is daarom geen sprake.
Uit de beroepsgronden blijkt evenmin waarom [naam] meent dat de minister de kosten in bezwaar moet vergoeden. Het College ziet ook geen reden daartoe, omdat niet is gebleken van een aan de minister te wijten onrechtmatigheid.
Slotsom
3 Het College zal het beroep ongegrond verklaren. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
w.g. A. van Gijzen w.g. A.M. Slierendrecht