COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 op het hoger beroep van:
SABIC Petrochemicals B.V., te Heerlen
de Autoriteit Consument en Markt (ACM)
uitspraak
zaaknummer: 24/374
(gemachtigden: mrs. I.F. Kieft en J.P.C. van Es),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 februari 2024, kenmerk ROT 23/1867, in het geding tussen
SABIC
en
(gemachtigden: mrs. L.H.J. Dabekaussen, S.R. Raja en G. Labastide)
Als derde-partij neemt deel aan het geding:
Utility Support Group B.V., te Geleen (USG)
(gemachtigden: mr. drs. J.E. Janssen en mr. T.H.G. Kok).
Procesverloop in hoger beroep
SABIC heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 28 februari 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:1472).
ACM heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
SABIC heeft aanvullende stukken ingediend.
De zitting was op 16 april 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Voor USG hebben daarnaast deelgenomen [naam 1] en mr. [naam 2] .
Grondslag van het geschil
SABIC is in Nederland onder meer actief op het industrieterrein Chemelot in Geleen. SABIC exploiteert op Chemelot een energie intensieve installatie die ongeveer veertig procent van het gehele terrein beslaat. SABIC neemt haar energie af bij USG, dat ook is gevestigd op Chemelot. USG is eigenaar van het stelsel van elektriciteitsverbindingen op Chemelot en voert het beheer over dit elektriciteitsnet (USG-net). Op basis van utility-overeenkomsten is SABIC aangesloten op het USG-net en gehouden aan USG een vergoeding voor de geleverde diensten (bijvoorbeeld elektriciteit) te betalen. USG is zelf afnemer van het openbare hoogspanningsnet van TenneT.
USG was verplicht voor het beheer van het USG-net een netbeheerder aan te wijzen. Zij heeft op 29 november 2021 de ACM verzocht om van deze verplichting ontheven te worden.
Op 26 januari 2022 heeft SABIC de ACM verzocht handhavend op te treden tegen USG, omdat USG volgens haar ten onrechte geen volumecorrectie (zou hebben) toe(ge)past bij het in rekening brengen van haar transporttarief.
Met het besluit van 9 juni 2022 heeft de ACM aan USG ontheffing verleend van de verplichting een netbeheerder aan te wijzen voor het gesloten distributiesysteem (GDS) gelegen op het industrieterrein Chemelot.
Met het besluit van 27 juli 2022 (afwijzingsbesluit) heeft de ACM het verzoek om handhaving van SABIC afgewezen. Daartegen heeft SABIC bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 3 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de ACM het bezwaar van SABIC tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard. Volgens de ACM is geen sprake van een overtreding. De volumecorrectieregeling van artikel 29, zevende lid, van de Elektriciteitswet (E-wet) is volgens de ACM niet van toepassing op een gedoognet (in dit geval de periode van 1 juli 2018 tot 9 juni 2022) en een GDS (in dit geval sinds 9 juni 2022).
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft het beroep van SABIC tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geconcludeerd dat USG zowel in de gedoogperiode (van 1 juli 2018 tot 9 juni 2022) als in de periode vanaf 9 juni 2022, de datum waarop aan USG ontheffing was verleend, geen volumecorrectie was verschuldigd aan SABIC. Het afwijzingsbesluit kan naar het oordeel van de rechtbank in stand blijven.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
3 Het College overweegt ambtshalve als volgt.
SABIC heeft de ACM verzocht handhavend op te treden tegen USG. Volgens SABIC overtreedt USG sinds 1 juli 2018 artikel 29, zevende lid, van de E-wet.
In artikel 29, zevende lid, van de E-wet is vanaf 1 januari 2015 de zogeheten volumecorrectieregeling opgenomen (Staatsblad 2013, nummer 575). De bepaling luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Bij het in rekening brengen van het tarief, bedoeld in het eerste lid, past de netbeheerder voor een afnemer met een bedrijfstijd van ten minste 65% en een verbruik op jaarbasis van ten minste 50 GWh, niet zijnde een netbeheerder, in een kalenderjaar een volumecorrectie van ten hoogste 90% toe op de tariefdragers van het transporttarief die zien op verbruik of aan het net onttrokken vermogen […].”
In artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de E-wet, zoals dat tot 1 januari 2026 gold, is, voor zover van belang, bepaald dat de ACM tariefstructuren vaststelt met inachtneming van het voorstel van de gezamenlijke netbeheerders.
In artikel 57, vierde lid, eerste zin, van Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (Richtlijn 2019/944) is bepaald dat de lidstaten de onafhankelijkheid van de regulerende instantie waarborgen en ervoor zorgen dat zij haar bevoegdheid op onpartijdige en transparante wijze uitoefent.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) heeft in zijn arrest van 2 september 2021 (ECLI:EU:C:2021:662), Europese Commissie tegen Bondsrepubliek Duitsland (Commissie/Duitsland), artikel 35, vierde lid, van Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG uitgelegd. Het vierde lid van dat artikel is identiek aan het vierde lid van artikel 57 van (de opvolgende) richtlijn 2019/944.
Het Hof heeft geoordeeld dat de volledige onafhankelijkheid van de nationale regulerende instanties ten opzichte van economische en publieke entiteiten, ongeacht of het bestuursrechtelijke of politieke organen zijn, en, in dat laatste geval, organen van de uitvoerende of van de wetgevende macht, noodzakelijk is om te waarborgen dat de door de nationale regulerende instanties genomen besluiten onpartijdig en niet-discriminerend zijn, en dat een mogelijke voorkeursbehandeling van ondernemingen of economische belangen verbonden aan de regering, de meerderheid of de politieke macht fundamenteel wordt uitgesloten. Bepalingen waarin de wetgever de nationale regulerende instantie instrueert om op een bepaalde manier reguleringstaken uit te voeren verdragen zich niet met de onafhankelijkheid die wordt verlangd van zo’n nationale regulerende instantie. In dit geval is de ACM de nationale regulerende instantie.
Naar aanleiding van dit arrest is de ACM een onderzoek gestart naar de houdbaarheid van de in artikel 29, zevende lid, van de E-wet opgenomen volumecorrectieregeling. De ACM heeft geconcludeerd dat handhaving van de volumecorrectie in de tariefstructuren voor de netbeheerders niet gerechtvaardigd is. Met ingang van 2024 is de volumecorrectie niet meer toegepast in de jaarlijkse tarievenbesluiten voor de landelijke en regionale netbeheerders. Per 18 februari 2025 is de volumecorrectieregeling geschrapt uit artikel 29, zevende lid, van de E-wet (Staatsblad 2025, nummer 40).
Uit het arrest Commissie/Duitsland, later herhaald door het Hof in zijn arrest van 6 maart 2025, Alajärven Sähkö Oy en anderen en Elenia Verkko Oyj tegen Energiavirasto, onder 35 (ECLI:EU:C:2025:144), volgt dat nationale wetgevers van lidstaten geen instructies mogen geven aan de onafhankelijke toezichthouder, zoals in dit geval de ACM, om op een bepaalde manier reguleringstaken uit te voeren. In artikel 29, zevende lid, van de E-wet heeft de nationale wetgever wel zo’n instructie gegeven. Daarin is namelijk een volumecorrectie voorgeschreven door de nationale wetgever, terwijl dit een aan de ACM voorbehouden taak betreft. Het is aan de ACM te bepalen of een dergelijke korting op tarieven wordt gegeven. Artikel 29, zevende lid, van de E-wet is sinds de inwerkingtreding ervan op 1 januari 2015 dan ook onverbindend wegens strijd met artikel 57, vierde lid, van Richtlijn 2019/944.
Dat, zoals SABIC op de zitting heeft aangevoerd, de ACM de volumecorrectieregeling in de periode na het arrest Commissie/Duitsland tot 1 januari 2024 nog wel heeft toegepast bij het vaststellen van tarieven voor netbeheerders doet hieraan niet af. Niet gebleken is dat de grondslag daarvoor een andere was dan de door de wetgever voorgeschreven invulling van een aan de ACM voorbehouden taak.
Zowel de ACM als de rechtbank zijn er, gelet op het voorgaande, ten onrechte van uitgegaan dat artikel 29, zevende lid, van de E-wet gelding had op het moment van de besluitvorming door de ACM. Er was toen echter geen sprake van een norm die kon worden overtreden. De ACM heeft in het bestreden besluit dus weliswaar terecht geconcludeerd dat geen sprake is van een overtreding van USG waartegen handhavend kan worden opgetreden, maar op onjuiste gronden. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dan ook ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft dit in haar uitspraak niet onderkend. De uitspraak van de rechtbank kan daarom niet in stand blijven.
Slotsom
5 De uitspraak van de rechtbank komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal het College het beroep van SABIC tegen het bestreden besluit alsnog gegrond verklaren, dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen en bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven.
Proceskosten en griffierecht
6 Het College zal de ACM veroordelen in de door SABIC in hoger beroep en beroep gemaakte proceskosten. Het College zal de ACM voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep en beroep veroordelen tot een bedrag van in totaal € 3.736,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting bij het College, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting bij de rechtbank, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
7 Het College zal de minister daarnaast opdragen het in hoger beroep en beroep betaalde griffierecht van in totaal € 924,- (respectievelijk € 559,- en € 365,-) aan SABIC te vergoeden.
Beslissing
Het College:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt de ACM in de door SABIC in hoger beroep en beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 3.736,-;
- draagt de ACM op het in hoger beroep en beroep betaalde griffierecht van in totaal € 924,- aan SABIC te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, mr. M. van Duuren en mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
w.g. B. Bastein w.g. W.I.K. Baart