ECLI:NL:CBB:2026:241

ECLI:NL:CBB:2026:241

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer 24/741
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Beroep ongegrond. In bezwaar heeft de KvK op goede gronden gerede twijfel gekregen over de juistheid van de opgave tot uitschrijving van de vennootschap, omdat er geen ontbindingsbesluit is. Het bezwaar was ontvankelijk, omdat het als tijdig ingediend moet worden geacht.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [woonplaats] ( [naam 1] ) en

de Kamer van Koophandel (KvK)

uitspraak

zaaknummer: 24/741

[naam 2] , te [woonplaats] ( [naam 2] ) (appellanten)

(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto)

en

(gemachtigde: mr. J.P.M. van der Ende)

met als derde partij

Global Investment Management Fund B.V., te Hilversum (GIMF)

Procesverloop

Met het besluit van 5 februari 2024 (uitschrijvingsbesluit) heeft de KvK de opgave tot uitschrijving van [naam 3] B.V. (vennootschap) per 1 februari 2024 ingeschreven in het handelsregister van de KvK (handelsregister).

Met het besluit van 17 juli 2024 (bestreden besluit) heeft de KvK het bezwaar van GIMF tegen het uitschrijvingsbesluit gegrond verklaard en de inschrijving van de ontbinding en beëindiging van de vennootschap teruggedraaid.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De KvK heeft een verweerschrift ingediend.

GIMF heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

De meervoudige kamer heeft de zaak naar een enkelvoudige kamer verwezen.

De zitting was op 15 april 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 4] ( [naam 4] ) en [naam 5] ( [naam 5] ) namens GIMF en de gemachtigden van appellanten en de KvK.

Overwegingen

Inleiding

[naam 1] en GIMF zijn bestuurders en beide voor 50% aandeelhouder van de vennootschap. [naam 4] is bestuurder van GIMF en [naam 2] is bestuurder van [naam 1] .

Op 22 januari 2024 heeft [naam 2] opgave gedaan in het handelsregister tot uitschrijving van de vennootschap uit het handelsregister per 1 februari 2024. Bij deze opgave is onder andere een document overgelegd dat volgens [naam 2] het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders (AvA) van 7 maart 2023 tot ontbinding van de vennootschap betreft. De KvK heeft de opgave vervolgens per 1 februari 2024 ingeschreven in het handelsregister. GIMF heeft bezwaar gemaakt tegen deze inschrijving.

In bezwaar heeft de KvK alsnog gerede twijfel gekregen over de juistheid van de opgave door twijfel over het bestaan van een ontbindingsbesluit. Om die reden heeft zij het bezwaar gegrond verklaard en de inschrijving van de ontbinding en beëindiging van de vennootschap in het handelsregister teruggedraaid. De termijnoverschrijding in bezwaar acht de KvK verschoonbaar om de redenen die GIMF heeft opgegeven: dat [naam 4] veel reist en daardoor lang afwezig is, dat de post regelmatig abusievelijk bij de buren wordt bezorgd en dat het uitschrijvingsbesluit veel later in de brievenbus is bezorgd.

Standpunten van partijen

Appellanten voeren aan dat de KvK het bezwaar ten onrechte gegrond heeft verklaard. Daartoe stellen zij dat het bezwaarschrift van GIMF van 7 april 2023 te laat is ingediend en het bezwaar door de KvK daarom niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Verder voeren appellanten aan dat het terugdraaien van de inschrijving tot ontbinding en beëindiging van de vennootschap ten onrechte is, omdat de vennootschap is geliquideerd en er een ontbindingsbesluit is genomen. Een inactieve vennootschap hoort bovendien niet in het handelsregister te staan ingeschreven. Tot slot doen appellanten een beroep op het vertrouwensbeginsel. Op 16 januari 2024 heeft [naam 2] telefonisch contact gehad met een medewerker van de KvK over de ontbinding van de vennootschap en het doen van opgave daarvan. Deze medewerker heeft tijdens dat gesprek meegedeeld dat registratie van de ontbinding en uitschrijving van de vennootschap in het handelsregister mogelijk is door opgave van ontbinding met het formulier 17A, met daarbij een verklaring dat GIMF niet wenst mee te werken aan de ontbinding, het ontbindingsbesluit, de notulen van de AvA en een geüpdatete liquidatiebalans. Dit heeft [naam 2] gedaan en hierna heeft de KvK de vennootschap ook uitgeschreven. Appellanten mochten ervan uitgaan dat de uitschrijving in stand zou blijven.

De KvK stelt zich op het standpunt dat zij het bezwaar van GIMF tegen het uitschrijvingsbesluit terecht ontvankelijk heeft geacht. De KvK heeft uit kostenoverwegingen geen postregistratiesysteem en stuurt ook geen kennisgevingen van besluiten per aangetekende post. Verder stelt de KvK dat zij in bezwaar terecht gerede twijfel heeft gekregen over de juistheid van de opgave. Er is namelijk geen sprake van een besluit tot ontbinding van de vennootschap per 1 februari 2024. Zij kon daarom niet anders dan tot rectificatie van de inschrijving overgaan.

Beoordeling door het College

Ontvankelijkheid bezwaar

Het College zal eerst beoordelen of het bezwaar van GIMF terecht ontvankelijk is verklaard. Daarvoor is in de eerste plaats van belang op welke datum het besluit bekend is gemaakt en wanneer de bezwaartermijn dus is gaan lopen. In dit kader overweegt het College dat de rechtspraak over een betwiste verzending van een besluit ook kan worden toegepast in zaken over een (te) late ontvangst van een besluit. Dit betekent dat ook in het geval als hier aan de orde, waarbij het besluit wel is ontvangen, maar wordt betwist dat het op de door de KvK gestelde datum ter post is bezorgd, moet worden beoordeeld of aannemelijk is gemaakt dat het besluit op de aangegeven datum is verzonden (vergelijk de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1174, 4.1 en van 13 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1739, 4.2). Dat GIMF geen concrete datum van ontvangst kan noemen, doet daar niet aan af (vergelijk de uitspraak van de CRvB van 28 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2276, onder 4.4).

Tussen partijen is niet in geschil dat de KvK het uitschrijvingsbesluit aan het adres van GIMF heeft verzonden en dat daarop de aanmaakdatum 5 februari 2024 is vermeld. Ook is niet in geschil dat het uitschrijvingsbesluit niet aangetekend, maar per reguliere post is verzonden en dat bij de verzending door de KvK geen gebruik is gemaakt van een verzendadministratie. De KvK heeft ook niet op een andere manier aannemelijk kunnen maken dat het uitschrijvingsbesluit op 5 februari 2024 is verzonden. Bij deze wijze van verzenden is niet aannemelijk geworden dat het besluit van 5 februari 2024 ook daadwerkelijk op die datum naar GIMF is verzonden. Niet gebleken is van concrete aanwijzingen voor het tegendeel. Het bezwaarschrift van GIMF dateert van 7 april 2024 en is op 18 april 2024 door de KvK ontvangen. Op de zitting heeft [naam 4] gesteld dat hij snel na ontvangst van het uitschrijvingsbesluit bezwaar heeft gemaakt, dus dat de ontvangst kort voor 7 april 2024 is geweest. Deze gang van zaken is op zitting bevestigd door [naam 5] , die [naam 4] toen adviseerde en op die datum ook over andere zaken contact met [naam 4] heeft gehad.

Uit 3.2 volgt dat verzending van het uitschrijvingsbesluit aan GIMF op 5 februari 2024 niet aannemelijk is geworden. Ook vloeit daaruit voort dat moet worden aangenomen dat dit besluit kort voor 7 april 2024 moet zijn verzonden. Omdat de KvK het bezwaarschrift van GIMF op 18 april 2024 heeft ontvangen, concludeert het College dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend en het door GIMF gemaakte bezwaar terecht ontvankelijk is geacht.

Gerede twijfel

4 Op grond van artikel 4, eerste lid, van het Handelsregisterbesluit 2008 (Hrb) heeft de KvK de plicht te onderzoeken of een opgave juist is. Als de KvK ervan overtuigd is dat een opgave juist is, gaat zij op grond van artikel 4, derde lid, van het Hrb onverwijld over tot inschrijving. Als de KvK gerede twijfel heeft over de juistheid van een opgave, kan zij op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van het Hrb weigeren tot inschrijving daarvan over te gaan.

In beroep dient het College te beoordelen of de KvK in bezwaar op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat er gerede twijfel bestaat wat betreft de juistheid van de opgave. De KvK, als beheerster van het handelsregister, gaat over inschrijvingen in dat register. In het kader van de heroverweging van het besluit moet de KvK de juistheid van de door [naam 1] gedane opgave onderzoeken. Hierbij moet de KvK een inschatting maken van civielrechtelijke feiten, waarbij het definitieve oordeel daarover is voorbehouden aan de civiele rechter. Op grond van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van het Hrb weigert de KvK over te gaan tot inschrijving van de opgave als zij gerede twijfel heeft over de juistheid van de opgave. Het is de taak van het College om te beoordelen of het door de KvK gedane onderzoek hiervoor voldoende is geweest.

Naar het oordeel van het College heeft de KvK op basis van de haar ter beschikking gestelde stukken op goede gronden geconcludeerd dat sprake is van gerede twijfel over de juistheid van de opgave, zodat zij de inschrijving van de opgave tot uitschrijving ongedaan mocht maken. Niet is gebleken dat er een besluit tot ontbinding van de vennootschap is genomen. Het document van 7 maart 2023, dat [naam 2] aan de opgave ten grondslag heeft gelegd als ontbindingsbesluit, is alleen door [naam 1] , en niet door GIMF ondertekend. Uit de notulen van de AvA van 7 maart 2023 blijkt dat GIMF tijdens die AvA niet was vertegenwoordigd. Uit de notulen van de opvolgende AvA van 4 april 2023 blijkt dat de vergadering is afgebroken, zonder enig besluit. De gemachtigde van appellanten heeft op de zitting erkend dat het besluit van de AvA van 7 maart 2023 niet volgens de in de statuten voorgeschreven meerderheid is genomen. Ook heeft de gemachtigde van appellanten op de zitting bevestigd dat op de opvolgende AvA van 4 april 2023 geen besluit is genomen. Hieruit volgt dat de KvK terecht heeft geconcludeerd dat er geen besluit tot ontbinding van de vennootschap per 1 februari 2024 ten grondslag ligt aan de opgave. Dit leverde goede gronden op voor de KvK tot gerede twijfel aan de juistheid van de opgave. De KvK heeft dit voldoende onderzocht en partijen in de gelegenheid gesteld stukken te overleggen. Deze beroepsgrond van appellanten slaagt daarom ook niet.

Strijd met het vertrouwensbeginsel

Tot slot oordeelt het College dat het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet in ieder geval aannemelijk worden gemaakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de medewerker van de KvK een toezegging heeft gedaan dat een opgave tot uitschrijving van de vennootschap zal worden ingeschreven en daarna niet meer ongedaan kan en zal worden gemaakt. Op 25 mei 2023 heeft een medewerker van de KvK al in een telefoongesprek met de gemachtigde van appellanten aangegeven dat de KvK op basis van gelijke overgelegde stukken niet zou overgaan tot inschrijving van een opgave tot uitschrijving van de vennootschap, omdat er geen ontbindingsbesluit is. Uit het door appellanten genoemde telefoongesprek van 16 januari 2024 tussen [naam 2] en een medewerker van de KvK blijkt verder alleen dat de medewerker heeft aangegeven dat [naam 2] met een aantal benodigde documenten een poging kan doen tot inschrijving van uitschrijving van de vennootschap. Daarbij is niet uitgesloten, maar juist vermeld dat daartegen bezwaar zou kunnen worden gemaakt. Bovendien is niet uit te sluiten dat een bezwaar tegen een inschrijving van een dergelijke opgave gegrond zou kunnen worden verklaard. Uit deze gang van zaken mochten appellanten dan ook niet concluderen dat de inschrijving van de uitschrijving in stand zou blijven.

Slotsom

6 Het beroep is ongegrond. De KvK hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

w.g. A. van Gijzen w.g. L. ten Hove

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L. ten Hove

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand