COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 op het hoger beroep van:
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Maatschap [naam 1] , te [vestigingsplaats 1] (maatschap)
uitspraak
zaaknummer: 24/683
(gemachtigde: mr. A.F. Kabiri)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2024, kenmerk 23/4305, in het geding tussen
de minister
en
(gemachtigde: mr. [naam 2] )
Procesverloop in hoger beroep
De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:6617).
De maatschap heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
De zitting was op 5 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de minister diens gemachtigde en drs. [naam 3] , en namens de maatschap [naam 4] , bijgestaan door de gemachtigde van de maatschap.
Waar gaat deze zaak over
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank. Het College volstaat met het volgende.
Een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft op 24 februari 2022 een keuring verricht van een varken naar aanleiding van een regulier toezicht in een slachthuis. Hij heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van bevindingen van 13 oktober 2022. In dit rapport is, voor zover hier van belang, het volgende beschreven.
“Datum en tijdstip van de bevinding: 24 februari 2022 omstreeks 12:00 uur.
Tijdens mijn inspectie bevond ik mij op het losbordes aan de stal van de varkensslachterij [naam 5] te [vestigingsplaats 2] .
Ik zag daar, dat de chauffeur een slachtvarken met oornummer [nummer 1] (zie vervoersdocument) aan het lossen was uit een door hem bestuurde vrachtwagen met trailer kenteken [kenteken] en dat dit varken naar mening van ondergetekende niet transportwaardig was.
Dit varken met oornummer [nummer 1] had namelijk een ernstige ontsteking ter plaatse van de staartaanzet (zie foto 1 en 2). Ik zag dat de staartaanzet rood en gezwollen was, hetgeen op een ernstige ontsteking duidt. Het was ook goed te zien dat de staart ontbrak. Het ontbreken van de huid ter plaatse van de staartaanzet, het ontbreken van de staart, de roodheid samen met de zwellingen betekenen dat het om een ernstige open wond gaat. De roodheid, zwelling en korstjes laten zien, dat deze ernstige open wond al enige tijd (zeker een paar dagen) voor het transport aanwezig was. Foto 1 van het achteraanzicht laat duidelijk de korsten zien, rondom de ernstige open wond, samen met het feit dat er geen vers bloed te zien is, betekent dat de ernstige open wond al een paar dagen oud is. Op het vervoersdocument VKI/IKB vleesvarkens zag ik dat het dier op 24 februari om 4.30 uur is geladen. Aangezien mijn inspectie op dezelfde dag plaatsvond maak ik ook hieruit op dat de ernstige open wond voorafgaand aan het transport aanwezig was. Hier had veterinaire hulp op het bedrijf van herkomst uitkomst kunnen bieden. Dit varken mocht met deze pijnlijke aandoening en met een ernstige open wond niet vervoerd worden.
[…]
Vervoer van dit dier kan -door extra en voor het dier onvoorspelbare bewegingen van de vrachtwagen- in deze situatie onnodig extra lijden betekenen. Bij het optrekken, remmen en het nemen van bochten door de vrachtwagen kan het dier met deze ernstige open wond zich stoten aan de hekjes in de vrachtwagen, met kans op extra pijn en op bijvoorbeeld bloedingen.
Ik categoriseerde de staart van het varken met oornummer [nummer 1] als score 5 in de categorie indeling van staartbijten volgens de Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer van varkens, omdat de staart niet meer aanwezig was. Varkens met een score 3 tot en met 5 staartbijten worden beschouwd als ongeschikt voor vervoer (zie bijlage staartbijten van de Europese Richtsnoeren transportwaardigheid Varkens).
Op het vervoersdocument IKB/VKI vleesvarkens staat vermeld dat het varken met oornummer [nummer 1] afkomstig is van UBN [nummer 2] . Bij het raadplegen van het identificatie- en registratiesysteem voor dieren bleek dit UBN te zijn van Maatschap [naam 1] te [vestigingsplaats 1] . (Zie bijlage uitdraai I&R raadplegen meldingseenheden en relaties.)
De houder op plaats van vertrek liet een varken vervoeren, die niet mocht worden vervoerd omdat dit varken niet geschikt was voor het voorgenomen transport; dit varken vertoonde een ernstige open wond.”
De minister heeft vanwege deze bevindingen van de toezichthouder geconcludeerd dat de maatschap een overtreding heeft begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 3, aanhef en onder b, en artikel 8, eerste lid, gelet op bijlage I, hoofdstuk I, paragrafen 1 en 2, aanhef en onder b, van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten (Transportverordening). De maatschap, houder op de plaats van vertrek, liet namelijk een varken vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het varken een ernstige open wond vertoonde. De minister heeft de maatschap vanwege deze overtreding met zijn besluit van 31 maart 2023 (boetebesluit) een bestuurlijke boete van € 1.500,- opgelegd.
Met het besluit van 19 mei 2023 (beslissing op bezwaar), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van de maatschap tegen het boetebesluit gegrond verklaard, het boetebedrag met 10% gematigd tot een bedrag van € 1.350,- en het boetebesluit voor het overige in stand gelaten.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de overtreding. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, het boetebesluit herroepen en de minister veroordeeld in de proceskosten van de maatschap. Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen, waarbij voor ‘eiseres’ de maatschap moet worden gelezen:
“5.3. Gelet op eerdergenoemde rechtspraak is het van groot belang dat de rechtbank kan uitgaan van de juistheid van het rapport van bevindingen. Naar het oordeel van de rechtbank
bestaat echter zodanige twijfel aan de bevindingen van de toezichthoudend dierenarts dat
deze niet aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
In de eerste plaats stelt eiseres terecht dat bij het rapport van bevindingen geen foto zit van het oornummer van het varken. Ook bij de aanvullende verklaring van de toezichthoudend dierenarts, die bij het aanvullende verweerschrift is overgelegd en waarbij ten opzichte van het rapport van bevindingen één nieuwe foto zit, zit geen foto van het oornummer van het varken. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister gesteld dat het maatregelnummer dat bovenaan de pagina’s waarop de foto’s staan is opgenomen correspondeert met het maatregelnummer van het rapport van bevindingen. Dit betekent echter hooguit dat het rapport van bevindingen ziet op het varken op de foto’s. Daarmee staat echter nog niet vast dat dat varken ook afkomstig is van het bedrijf van eiseres.
In de tweede plaats stelt eiseres terecht dat de lostijd op het vervoersdocument (7:30 uur) niet overeenkomt met de lostijd in het rapport van bevindingen (omstreeks 12:00 uur). De gemachtigde van de minister heeft ter zitting geen verklaring kunnen geven voor dit verschil van vierenhalf uur. Daar tegenover staat de onweersproken stelling van [naam 4] dat het lossen van 205 varkens ongeveer een half uur in beslag neemt.
Gelet op deze twee omstandigheden tezamen bestaat ook bij de rechtbank twijfel of het varken waar het rapport van bevindingen op ziet wel afkomstig is van het bedrijf van eiseres.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de minister niet heeft voldaan aan zijn bewijslast dat de overtreding is gepleegd. De minister was dan ook niet bevoegd om de boete aan eiseres op te leggen.”
Beoordeling van het hoger beroep
Hogerberoepsgrond 1: de rechtbank heeft in strijd met de goede procesorde gehandeld
3 De minister voert aan dat de rechtbank in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld door het onderzoek op de zitting niet te schorsen en de minister niet de gelegenheid te geven voor een reactie op het, voor het eerst op die zitting, door de maatschap naar voren gebrachte betoog dat het niet om haar varken gaat, gelet op het feit dat de lostijd in het rapport van bevindingen (omstreeks 12:00 uur) niet overeenkomt met de lostijd op het vervoersdocument (7.30 uur) en omdat het oornummer van het varken niet op de foto’s bij het rapport van bevindingen te zien is. Als de minister die gelegenheid wel had gekregen, had de minister het kunnen uitzoeken en kunnen aantonen dat het hier om een foutje gaat en dat voldoende vaststaat dat het varken van de maatschap afkomstig is.
4 De maatschap heeft in reactie hierop gesteld dat geen sprake is van een nieuw argument of nieuwe grond, omdat de maatschap op de zitting bij de rechtbank alleen op de tekortkomingen en onjuistheden in het rapport van bevindingen heeft gewezen, terwijl de maatschap al eerder had aangevoerd dat het rapport van bevindingen aan alle kanten rammelt. De minister was zelf al bekend met de in het vervoersdocument genoemde lostijd.
Beoordeling College
5 Het College is van oordeel dat de hogerberoepsgrond slaagt. De rechtbank heeft in strijd met de goede procesorde gehandeld door de minister niet uitgebreider de gelegenheid te geven voor een reactie op de voor het eerst op de zitting bij de rechtbank door de maatschap ingenomen betoog dat het niet om haar varken gaat. De enkele eerdere stelling van de maatschap “dat het rapport aan alle kanten rammelt” was onvoldoende concreet om van de minister te verwachten dat hij op dit specifieke verweer zou zijn voorbereid. De minister heeft in zijn hogerberoepschrift zijn reactie gegeven op dit betoog van de maatschap. Het College zal deze grond hierna bespreken.
Hogerberoepsgrond 2: voldoende bewijs dat het varken afkomstig is van de maatschap
6 De minister voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er zodanige twijfel aan de bevindingen van de toezichthoudend dierenarts bestaat dat deze niet aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd, namelijk omdat twijfel bestaat of het varken waarop het rapport van bevindingen ziet wel afkomstig is van de maatschap. Hoewel bij het rapport van bevindingen geen foto van het oornummer van het varken zit en in het rapport van bevindingen een ander tijdstip is vermeld dan op het vervoersdocument, is volgens de minister wel duidelijk dat het varken van de maatschap afkomstig is. De beschrijving in het rapport van bevindingen komt overeen met het varken dat op de foto is afgebeeld. Het oornummer van dat varken is twee keer vermeld op de aanvoerbon. Het werknummer van het varken zoals vermeld in het rapport van bevindingen correspondeert met het werknummer zoals vermeld in het vervoersdocument. Op het vervoersdocument staat vermeld dat het varken (met oornummer [nummer 1] ) afkomstig is van UBN [nummer 2] . Bij het raadplegen van het identificatie- en registratiesysteem voor dieren bleek dit UBN van de maatschap te zijn. Hoewel een foto van het oornummer niet nodig is als het rapport van bevindingen duidelijk is, heeft de minister in hoger beroep alsnog een foto ingebracht van het oornummer ( [nummer 1] ) en een metadata-overzicht, waaruit volgt dat deze foto en de bij het rapport van bevindingen gevoegde foto’s zijn gemaakt op 24 februari 2022 tussen 7:45 uur en 7:52 uur. De aankomsttijd van 7:30 uur komt qua tijdsverloop dus overeen met het tijdstip van de inspectie op het losbordes toen deze foto’s zijn gemaakt. Het tijdstip in het rapport van bevindingen (omstreeks 12:00 uur) is dus een kennelijke verschrijving. De minister wijst verder op een e-mail van 30 juli 2024 van de toezichthoudend dierenarts die de inspectie had verricht, waaruit de minister heeft geciteerd. In die e-mail licht de toezichthoudend dierenarts toe dat de tijdstippen van het metadata-overzicht overeenkomen met zijn herinnering en dat het tijdstip van 12.00 uur in het rapport van bevindingen volstrekt onjuist is.
7 De maatschap heeft in reactie hierop gesteld dat niet duidelijk is of de foto met het oornummer is gemaakt van het varken dat de toezichthouder om 12.00 uur heeft gezien. De minister kan deze onduidelijkheid niet achteraf repareren.
Beoordeling College
8 Het College is van oordeel dat de minister genoegzaam heeft aangetoond dat het tijdstip in het rapport van bevindingen (omstreeks 12.00 uur), het moment waarop de toezichthouder aan het losbordes stond, een kennelijke verschrijving betreft. De minister heeft met het rapport van bevindingen en wat hij hierover in hoger beroep heeft toegelicht zoals hiervoor onder 6 weergegeven, aangetoond dat het varken waarover het rapport van bevindingen gaat afkomstig is van het bedrijf van de maatschap. De hogerberoepsgrond slaagt. Dit betekent dat het College de uitspraak van de rechtbank zal vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, hierna zal beslissen op het beroep van de maatschap.
Beroepsgrond: varken was geschikt voor transport
9 De maatschap voert aan dat het varken wel geschikt was voor transport en heeft een verklaring ingebracht van dierenarts [naam 6] ( [naam 6] ) van 14 juli 2023. Deze dierenarts verklaart dat hij de interpretatie van de maatschap dat het hier om een oudere laesie gaat onderschrijft. Het acute stadium met zwelling en warmte is al geweest. Gezien de gladde randen van de laesie is het lichaam al bezig met herstel. Op de foto is in het midden van de laesie granulatieweefsel te zien, de laatste fase van de wondgenezing. Granulatieweefsel sluit de wond en is erg kwetsbaar weefsel. Het moet nog worden omgezet in huidweefsel. Er is geen sprake van een ontsteking en de fases van wondgenezing zijn doorlopen. [naam 6] vindt het niet juist als oude laesies die hersteld zijn, als ernstige open wond worden aangemerkt. De maatschap heeft verder nog een verklaring ingebracht van [naam 6] van 18 juni 2024, waarin deze schrijft dat hij het oneens is met de verklaring van de toezichthoudend dierenarts van 7 mei 2024. Volgens [naam 6] is op de foto’s te zien dat het om een oppervlakkige genezen wond gaat. Nieuw weefsel is kwetsbaar, roze en bekleed met korsten. Als er nieuw weefsel is, is de wond genezen en naar zijn mening dan geen wond meer. Het varken was volgens [naam 6] wel transportwaardig.
Beoordeling College
10 De minister verwijt de maatschap een overtreding van de onder 1.3 genoemde bepalingen. In hoofdstuk I, onder 1 en 2, aanhef en onder b, van bijlage I bij de Transportverordening staat:
“1. Alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend.
2. Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name in de volgende gevallen:
[…]
b) wanneer zij ernstige open wonden of een prolaps vertonen;”
Het College is van oordeel dat de minister terecht heeft vastgesteld dat het varken een ernstige open wond had en daarom niet in staat kon worden geacht te worden vervoerd, zodat het varken niet geschikt was voor transport en dus niet mocht worden vervoerd. Het College volgt hierin de verklaringen van de toezichthoudend dierenartsen van de NVWA, namelijk de waarnemingen zoals beschreven in het rapport van bevindingen, de toelichting in de verklaring van 7 mei 2024 van de toezichthouder die het rapport van bevindingen heeft opgesteld, en de op de zitting gegeven toelichting bij de foto’s in het rapport van bevindingen van de daar aanwezige toezichthoudend dierenarts, die niet het rapport van bevindingen heeft opgesteld.
Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de betrokken toezichthoudend dierenarts heeft gezien dat de staartaanzet van het varken rood en gezwollen was, dat dit op een ernstige ontsteking duidt, dat de staart ontbrak en dat de huid ter plaatse van de staartaanzet ontbrak. Dit betekent volgens deze toezichthoudend dierenarts dat het om een ernstige open wond gaat die al zeker een paar dagen voor het transport aanwezig was gelet op de korsten rondom de ernstige open wond, samen met het feit dat er geen vers bloed te zien is. In de verklaring van 7 mei 2024 die de toezichthoudend dierenarts heeft opgesteld in reactie op de verklaring van 14 juli 2023 van [naam 6] trekt de toezichthoudend dierenarts, onder verwijzing naar de foto’s van het varken, dezelfde conclusies als hij in het rapport van bevindingen had gedaan, waarbij hij ook vermeldt dat de wond nog open is en ter plaatse zeer kwetsbaar.
Op de zitting heeft de daar aanwezige toezichthoudend dierenarts drs. [naam 3] een toelichting gegeven bij de foto’s en hetzelfde verklaard als de toezichthoudend dierenarts in zijn rapport van bevindingen en in zijn verklaring van 7 mei 2024 had gedaan, namelijk dat de staart niet meer aanwezig is, dat rondom de staartbasis korstjes te zien zijn, roodheid en zwelling, en dat de huid ontbreekt. Verder heeft deze toezichthoudend dierenarts daarover toegelicht dat hier, zoals [naam 6] ook heeft verklaard, sprake is van granulatieweefsel. Dit weefsel ontstaat tijdens de wondgenezing en vult het wondbed op. De wond is dan nog wel open. Het granulatieweefsel is hier nog niet afgedekt met epitheelweefsel, dat is een nieuw laagje huid over de wond zodat bacteriën de wond niet kunnen infecteren. Pas als het granulatieweefsel is afgedekt met epitheelweefsel is sprake van een afgedekte wond. Hier is sprake van een afgebeten staart. In die staart zitten structuren, zoals botjes, zenuwen en spieren, die hier dus zijn afgebeten en waarover nog enkel een dun laagje kwetsbaar granulatieweefstel heen zit. De wond is hier dus nog open. Bovendien is het granulatieweefsel hier ongezond gelet op de donkerrode kleur van dat weefsel. Het varken had daarom niet mogen worden vervoerd.
De verklaringen van [naam 6] leiden niet tot een ander oordeel van het College. [naam 6] heeft het varken niet zelf gezien, maar heeft zijn verklaring gebaseerd op de foto’s. Zijn verklaringen zijn niet eenduidig. Hij verklaart enerzijds dat het om een oude, genezen wond gaat omdat de fases van wondgenezing zijn doorlopen, en verklaart anderzijds dat het hier om granulatieweefsel gaat dat erg kwetsbaar is en nog moet worden omgezet in huidweefsel.
Omdat de minister de overtreding terecht heeft vastgesteld, was de minister bevoegd de bestuurlijke boete op te leggen.
Conclusie en gevolgen
12 Het hoger beroep slaagt. Het College zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen de beslissing op bezwaar ongegrond verklaren. Dit betekent dat de beslissing op bezwaar in stand blijft.
13 Omdat de uitspraak van de rechtbank niet in stand blijft, wordt niet alsnog griffierecht van de minister geheven.
14 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank; en
- verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. H.L. van der Beek en mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in aanwezigheid van mr. N.A. van Opbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. N.A. van Opbergen