COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
De Bijenstichting, te Vorden
uitspraak
zaaknummer: 26/181
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. L.J. Smale),
en
het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (het Ctgb)
(gemachtigde: mr. M.K. Polano)
Als derde-partij heeft Certis-Belchim aan het geding deelgenomen.
Procesverloop
De Bijenstichting heeft bezwaar gemaakt tegen de volgende besluiten van het Ctgb, betreffende gewasbeschermingsmiddelen met de werkzame stof acetamiprid:
De Bijenstichting heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat deze besluiten worden geschorst en om daarbij te bepalen dat het Ctgb deze besluiten moet herroepen binnen vijf werkdagen na de uitspraak van de voorzieningenrechter, op straffe van een dwangsom van € 200.000,- per gehele dan wel gedeeltelijke overtreding.
De zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting hebben namens de Bijenstichting haar gemachtigde en dr. J.P. van der Sluijs deelgenomen. Namens het Ctgb hebben zijn gemachtigde, [naam 1] en [naam 2] aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
Gazelle is een gewasbeschermingsmiddel dat kan worden toegepast op bepaalde gewassen. De werkzame stof in Gazelle is acetamiprid. Dit is een door de Europese Commissie goedgekeurde werkzame stof. De goedkeuring is met de Uitvoeringsverordening 2018/113 verlengd tot 28 februari 2033.
Gazelle is sinds 24 maart 2006 in Nederland toegelaten. Op 17 mei 2018 heeft Nisso Chemical Europe GmbH een zonale aanvraag tot verlenging van de toelating van Gazelle (met Nederland als rapporteur) ingediend bij het Ctgb. Met het verlengde toelatingsbesluit heeft het Ctgb besloten tot verlenging van de toelating van Gazelle tot 28 februari 2034.
Ook Wopro Luisweg, Amiprid, Inter Aprid en Antilop zijn gewasbeschermingsmiddelen met als werkzame stof acetamiprid. Gazelle is het zogenoemde referentiemiddel waaraan Wopro Luisweg, Amiprid, Inter Aprid en Antilop zijn gekoppeld. Met de besluiten van 24 december 2025 heeft het Ctgb de termijnen van deze middelen procedureel verlengd.
Beoordelingskader verzoek om voorlopige voorziening
2 Op grond van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen zijn niet bindend in een eventuele bodemprocedure.
3 Een onderzoek in de voorzieningenprocedure is naar zijn aard beperkt. Deze procedure leent zich niet voor een integrale beoordeling van de rechtmatigheid van de inhoudelijk complexe bestreden besluiten. Voor het treffen van een voorlopige voorziening zou aanleiding kunnen zijn indien, ook zonder diepgaand onderzoek, ernstig betwijfeld moet worden dat de bestreden besluiten in de bezwaarprocedure in stand zullen blijven.
Wettelijk kader
4 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening
De besluiten van 24 december 2025
Zoals op zitting is besproken heeft het College over het besluit van 24 december 2025 tot procedurele verlenging van de parallelle handelsvergunning van Amiprid in de uitspraak van 31 maart 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:128) al geoordeeld, zodat hier geen oordeel meer over volgt. De besluiten van 24 december 2025 tot procedurele verlengingen Wopro Luisweg, Inter Aprid en Antilop zijn op 1 maart 2026 uitgewerkt. Op zitting is besproken dat er daarom in zoverre geen spoedeisend belang bestaat.
De Bijenstichting heeft gewezen op de besluiten van respectievelijk 4 en 11 februari 2026 waarmee het Ctgb de toelating van Wopro Luisweg, Inter Aprid en Antilop heeft verlengd tot 28 februari 2034. Volgens de Bijenstichting zijn dit 6:19-besluiten met betrekking tot de besluiten van 24 december 2025. De voorzieningenrechter volgt de Bijenstichting hierin niet. Zoals het College in de in 5.1 genoemde uitspraak van 31 maart 2026 onder 4.3 heeft geoordeeld, is het besluit van 4 februari 2026 tot verlenging van de vergunning van Amiprid tot 28 februari 2034 geen besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, omdat sprake is van een nieuwe vergunning, met andere gebruiksvoorschriften, op basis van een nieuwe aanvraag, met een nieuwe beoordeling en op basis van nieuwe gegevens. Ook bij de besluiten van respectievelijk 4 en 11 februari 2026 tot verlenging van Wopro Luisweg, Inter Aprid en Antilop tot 28 februari 2034 is sprake van een nieuwe vergunning, met andere gebruiksvoorschriften, op basis van een nieuwe aanvraag, met een nieuwe beoordeling en op basis van nieuwe gegevens. Deze besluiten worden daarom niet als 6:19-besluiten aangemerkt.
Het verlengde toelatingsbesluit van Gazelle
De Bijenstichting heeft tegen het verlengde toelatingsbesluit het volgende aangevoerd. Bij acetamiprid is sprake van ‘time-reinforced toxicity’ (TRT). Dat wil zeggen dat het schadelijk effect van acetamiprid op bijen wordt versterkt door de blootstellingstijd. De European Food Safety Authority (EFSA) heeft in 2023 een nieuw richtsnoer opgesteld voor de beoordeling van de risico’s voor bijen (richtsnoer 2023). In dit richtsnoer wordt een TRT-beoordeling voor bijen voorgeschreven en de EFSA heeft in dat kader een rekentool ter beschikking gesteld. Het Ctgb heeft geen TRT-beoordeling aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd en daarmee voldoet de verlenging van Gazelle niet aan het richtsnoer 2023 en kan niet worden gezegd dat de toelating voldoet aan artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening. De verlenging had dan ook niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening mogen worden verleend. Volgens de Bijenstichting volgt uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 1 oktober 2019 (ECLI:EU:C:2019:800) en van 25 april 2024 (ECLI:EU:C:2024:350) dat nationale autoriteiten een objectieve en transparante beoordeling moeten maken, gebaseerd op de meest recente en betrouwbare wetenschappelijke informatie en dat men zich niet moet beperken tot de richtsnoeren die bij de aanvraag beschikbaar waren, maar moeten nieuwere inzichten ook worden meegenomen.
Het Ctgb heeft gesteld dat bij de beoordeling van de verlenging van de toelating van Gazelle de actuele wetenschappelijke en technische kennis zoveel mogelijk is betrokken. Het Ctgb heeft een risicobeoordeling van de chronische toxiciteit van gewasbeschermingsmiddelen voor bijen uitgevoerd aan de hand van het (geïmplementeerde) richtsnoer 2002 en deels aan de hand van het (niet-volledig geïmplementeerde) richtsnoer 2013. Hierover zijn op Europees niveau afspraken gemaakt. De richtsnoeren lopen niet synchroon aan de datavereisten zoals deze zijn opgenomen in Verordening 283/2013. Het Ctgb heeft toegelicht dat de aanvrager op grond van deze verordening laboratoriumstudies moet aanleveren die zien op de beoordeling van de chronische toxiciteit, terwijl op grond van het richtsnoer 2002 die studies niet (kunnen) worden beoordeeld. Het Ctgb voert daarom de beoordeling van de chronische toxiciteit uit aan de hand van het richtsnoer 2013. Het Ctgb heeft erop gewezen dat het richtsnoer 2023 nog niet is geïmplementeerd en dat de rekentool die EFSA ter beschikking heeft gesteld een bètaversie betreft. Het Ctgb kan daarom op grond van het richtsnoer 2023 nog niet vaststellen of acetamiprid bij bijen tot TRT leidt. Zou het Ctgb de rekentool wel gebruiken, dan brengt dat zodanige onzekerheden met zich dat op grond van de resultaten geen goede risicobeoordeling kan worden gemaakt.
Het Hof heeft in het in het arrest van 25 april 2024 (EU:C:2024:356), onder 81, overwogen dat de lidstaten volgens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de gewasbeschermingsverordening bij het onderzoek van een toelatingsaanvraag moeten nagaan of het gewasbeschermingsmiddel aan de eisen van artikel 4, derde lid, van deze verordening voldoet en dat daarvoor onder meer vereist is dat het middel op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis hieraan voldoet. De lidstaten kunnen, zoals het Hof onder 82 heeft overwogen, bij het onderzoek van een toelatingsaanvraag weliswaar niet de goedkeuring door de Commissie van de werkzame stof die het bevat herzien, maar de toelating van dat middel kan niet worden aangemerkt als een zuiver automatische tenuitvoerlegging van de goedkeuring door de Commissie van een werkzame stof in dat middel. Een lidstaat is dus niet verplicht om een gewasbeschermingsmiddel toe te laten waarvan alle werkzame stoffen zijn goedgekeurd wanneer er wetenschappelijke of technische kennis beschikbaar is waaruit blijkt dat het gebruik van dat middel een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu met zich meebrengt.
Het College heeft op 16 januari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:17) en 25 februari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:106) uitspraken gedaan die een vervolg waren op het in 7.1 genoemde arrest. In deze uitspraken heeft het College overwogen dat het Ctgb bij het onderzoek van een toelatingsaanvraag de op het moment van dat onderzoek beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis dient te betrekken en dat het moment waarop het onderzoek eindigt de beslissing op bezwaar is.
8 Uit 7.1 en 7.2 volgt dus dat het Ctgb bij zijn beoordeling van de verlengde toelating van Gazelle alle actuele wetenschappelijke en technische kennis moet betrekken over de risico’s die het gebruik van het Gazelle voor de gezondheid van mens of dier of milieu kan meebrengen en dat die beoordeling doorloopt tot en met de beslissing op bezwaar. Hierbij dient het Ctgb rekening te houden met betrouwbare beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens die worden aangevoerd om de toelating te betwisten, ongeacht de bron van die gegevens of het moment waarop die beschikbaar zijn geworden. Zie hiervoor het door de Bijenstichting genoemde arrest van 25 april 2024 (ECLI:EU:C:2024:350) onder 90 tot en met 94. Dit betekent dat het Ctgb zich niet uitsluitend op beschikbare (geïmplementeerde) richtsnoeren kan baseren als die de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op grond waarvan de beoordeling moet plaatsvinden, onvoldoende weergeven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het Ctgb op dit moment voldoende heeft gemotiveerd waarom (nog) geen TRT-beoordeling is uitgevoerd. Weliswaar is er een rekentool beschikbaar, maar deze rekentool betreft een zogenaamde bètaversie waar (dus) nog fouten in kunnen zitten. Bovendien is uit de toelichting van het Ctgb op zitting gebleken dat het Ctgb (nog) niet in staat om met de uitkomst van deze berekening een goede risicobeoordeling uit te voeren.
9 De Bijenstichting heeft – kort voor zitting – nog gewezen op een nieuwe veldstudie naar sublethale effecten van acetamiprid op honingbijen uit 2025. Op zitting heeft Van der Sluijs uitleg gegeven over de studie van Bommeraj et al. (2021) die door de Bijenstichting in geding is gebracht. Deze voorzieningenprocedure leent zich echter niet voor een diepgaand onderzoek naar deze studies, temeer nu sprake is van een situatie dat het Ctgb, waar de technische deskundigheid aanwezig is om deze studies te beoordelen, nog een beslissing op bezwaar moet nemen en de gemachtigde van het Ctgb op zitting heeft gezegd dat deze studies bij de beslissing op bezwaar zullen worden betrokken.
10 Gelet op wat in 8 en 9 is overwogen, komt de voorzieningenrechter vooralsnog tot de conclusie dat niet gebleken is van zodanige onjuistheden dat ernstig moet worden betwijfeld of het verlengde toelatingsbesluit stand kan houden. Verschillende punten en studies waar de Bijenstichting op heeft gewezen kunnen in de bezwaarprocedure (verder) worden onderzocht. Er is daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
Slotsom
11 Gelet op wat in 5.1 en 10 is overwogen, is de slotsom dat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst.
12 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. A.C. van Helvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
w.g. A. van Gijzen w.g. A.C. van Helvoort
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bijlage
Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen
Artikel 4, derde lid:
Een gewasbeschermingsmiddel dat resulteert uit de toepassing volgens goede gewasbeschermingspraktijken en rekening houdend met realistische gebruiksomstandigheden, voldoet aan de volgende eisen:
(…)
e) het heeft geen onaanvaardbare effecten op het milieu, met name rekening houdend met de volgende aspecten waar er door de Autoriteit aanvaarde wetenschappelijke methoden om dergelijke effecten te evalueren beschikbaar zijn:
i) het gedrag en de verspreiding ervan in het milieu, met name de verontreiniging van oppervlaktewateren, met inbegrip van estuariene en kustwateren, grondwater, lucht en bodem, rekening houdende met ver van de plaats van gebruik gelegen locaties na verplaatsing over grote afstand in het milieu;
ii) de gevolgen ervan voor niet-doelsoorten, ook voor het gedrag van deze soorten;
iii) de gevolgen ervan voor de biodiversiteit en het ecosysteem.
(…)
Artikel 29, eerste lid:
Onverminderd artikel 50 wordt een gewasbeschermingsmiddel slechts toegelaten indien het overeenkomstig de in lid 6 bedoelde uniforme beginselen aan de volgende eisen voldoet:
(…)
e) op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis voldoet het aan de eisen van artikel 4, lid 3;
(…)
Artikel 43, eerste lid:
Op aanvraag van de houder van een toelating wordt de toelating verlengd, op voorwaarde dat nog steeds aan de eisen van artikel 29 wordt voldaan.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:19
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
2. Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.
(…)
Artikel 8:81
1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Indien bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, kan een verzoek om voorlopige voorziening worden gedaan door een partij in de hoofdzaak.
3. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan een verzoek om voorlopige voorziening worden gedaan door de indiener van het bezwaarschrift, onderscheidenlijk door de indiener van het beroepschrift of door de belanghebbende die geen recht heeft tot het instellen van administratief beroep.
4. De artikelen 6:4, derde lid, 6:5, 6:6, 6:14, 6:15, 6:17, 6:19 en 6:21 zijn van overeenkomstige toepassing. De indiener van het verzoekschrift die bezwaar heeft gemaakt dan wel beroep heeft ingesteld, legt daarbij een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift over.
5. Indien een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld en op dit bezwaar of beroep wordt beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden, wordt de verzoeker in de gelegenheid gesteld beroep bij de bestuursrechter in te stellen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter.