COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 op het hoger beroep van
[naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] (slachthuis) (gemachtigde: F.Th.M. Peters)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 23/1668
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2023, kenmerken 21/3987 en 21/4392, in het geding tussen
het slachthuis
en
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij)
Procesverloop in hoger beroep
Het slachthuis heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:6140).
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De zitting was op 13 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van het slachthuis en de gemachtigde van de minister, bijgestaan door drs. [naam 2] .
Inleiding
Boetezaak 202001986
Op 15 juni 2020 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een inspectie verricht bij het slachthuis en zijn bevindingen neergelegd in een rapport van bevindingen van 26 juni 2020. In het rapport van bevindingen is, voor zover hier van belang, het volgende beschreven.
“Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in de karkassen koelcel; het uitsnijden en verdelen van de karkassen in de uitsnijderij was reeds gestart.
Bij nadere inspectie in deze koelcel, waar enkel met gezondheidsmerken gemerkte karkassen hangen, zag ik aan het einde van baan 18 twee karkassen waarbij de buik, hals, kop en ham bezoedeling vertoonde, lijkende op oude en verkleurde vleesdrip afkomstig van de vloer, zie fotobijlage foto 1 t/m 4. Aan baan 19 hingen 2 karkassen die aan de zwoerdzijde en met name bij de buik bezoedeld waren met baansmeer, zie fotobijlage foto 5 t/m 7. De karkassen hebben in dit stadium alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van PM keuring en alle op HACCP gebaseerde controles reeds doorlopen.
Ik heb onmiddellijk de heer […], chef slachthal, erbij gehaald. Zonder dat ik het hem vroeg, verklaarde hij dat het mogelijk om op de grond gevallen karkassen ging, die na het vallen niet of onvoldoende waren opgeknapt.
Volgens het kwaliteitshandboek van [naam 1] zijn de uit te voeren corrigerende maatregelen in het geval van een gevallen karkas de volgende:
Nadat het gevallen karkas is opgetakeld moet zichtbare vervuiling worden verwijderd, waarna het karkas geflambeerd dient te worden. Bij niet zichtbare vervuiling wordt het karkas alleen geflambeerd, zie bijlage corrigerende maatregelen [naam 1] .
Daarna gaf […] een medewerker direct opdracht om de karkassen van de baan te halen, op te knappen door middel van wegsnijden en af te waarderen naar dierlijk bijproduct categorie 3 (diervoeding). Op mijn verzoek zijn alle karkassen die mogelijk in contact zijn geweest (kruisbesmetting) met de hierboven genoemde karkassen gecontroleerd op bezoedeling en geflambeerd.
Ik zag dat er verontreiniging op goedgekeurde karkassen, delen van karkassen of vlees aanwezig was.”
De minister heeft vanwege deze bevindingen van de toezichthouder geconcludeerd dat levensmiddelen niet in alle stadia van de productie werden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd. Het slachthuis heeft daarom volgens de minister een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, in samenhang gelezen met artikel 4, tweede lid, juncto bijlage II, Hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (Verordening 852/2004). De minister heeft het slachthuis daarvoor een bestuurlijke boete van € 5.000,- opgelegd met zijn besluit van 2 oktober 2020 (boetebesluit 202001986). Het boetebedrag is op grond van artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren (Besluit handhaving) verhoogd, omdat het slachthuis eerder beboet is voor eenzelfde overtreding en er nog geen vijf jaar verlopen zijn sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden.
Met het besluit van 9 juni 2021 (beslissing op bezwaar), waartegen het beroep met kenmerk 21/3987 bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van het slachthuis ongegrond verklaard en boetebesluit 202001986 gehandhaafd.
Boetezaak 202002035
Op 10 juli 2020 heeft een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een inspectie verricht bij het slachthuis en zijn bevindingen neergelegd in een rapport van bevindingen van 15 juli 2020. In het rapport van bevindingen is, voor zover hier van belang, het volgende beschreven.
“Tijdens mijn inspectie, om ongeveer 6:50 uur, bevond ik mij in de vuile slachthal voor een regulier toezicht. Na een paar minuten is de band gestopt en toen ben ik de schone slachthal in gelopen om te zien wat de oorzaak hiervan was.
Ik zag daar dat het opknapbordes vol hing met veel bezoedelde karkassen die tegen elkaar hingen. Dit waren er veel meer dan het maximaal toegestane aantal van 7 karkassen. Hier is een maximum aan gesteld om bezoedeling tussen de karkassen te voorkomen. Ik stelde vast dat de band door de halchefs te laat was gestopt. De reden voor de opeenhoping van de grote hoeveelheid bezoedelde karkassen was het feit dat de hakmachine door een varken met darmpakket had gehakt en deze hakmachine is vervolgens niet tijdig uitgezet.
Ik zag tevens dat de karkassen na het opknappen niet gebrand werden, waarop ik heb moeten ingrijpen. Vervolgens hebben de halchef en een medewerker van de kwaliteitsdienst er op toegezien om de karkassen na binnenkomst in de koelcel eerst te laten branden.
Na het branden stond ik alleen in de koelcel en heb ik meerdere karkassen aangetroffen met fecale bezoedeling en baansmeer, zie fotobijlage. In de koelcel moeten alle karkassen schoon zijn omdat ze op dit punt in het proces reeds goedgekeurd zijn voor humane consumptie. Ik zag dat de karkassen voorzien waren van gezondheidsmerken, zie fotobijlage foto 4. Ik heb naar aanleiding van deze bevindingen weer moeten ingrijpen om de band te laten stoppen voor het opknappen van de karkassen.
Ik zag dat er verontreiniging op goedgekeurde karkassen aanwezig was. […]
Na het controleren van de procedures van het slachthuis bleek mij dat zij niet of onvoldoende hadden zorggedragen voor handhaving van permanente procedures die gebaseerd zijn op HACCP- beginselen. In bijgevoegde CCP 1 procedure van [naam 1] B.V. staat beschreven dat er geen karkassen met mest-of galbezoedeling de snelkoeltunnel in mogen gaan, zie bijlage CCP 1 procedure [naam 1] B.V. Ik heb de karkassen met fecale bezoedeling aangetroffen in de koelcel welke volgt op de snelkoeltunnel. De karkassen hadden de CCP 1 controle plek dus reeds gepasseerd. Ik stelde derhalve vast dat de monitoring van het kritisch controle punt (Critical Control Point) had gefaald.”
De minister heeft vanwege deze bevindingen van de toezichthouder geconcludeerd dat levensmiddelen niet in alle stadia van de productie werden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd. Het slachthuis heeft daarom volgens de minister een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, in samenhang gelezen met artikel 4, tweede lid, juncto bijlage II, Hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening 852/2004. De minister heeft het slachthuis daarvoor een bestuurlijke boete van € 5.000,- opgelegd met zijn besluit van 5 maart 2021 (boetebesluit 202002035). Het boetebedrag is op grond van artikel 2.5 van het Besluit handhaving verhoogd, omdat het slachthuis eerder beboet is voor eenzelfde overtreding en er nog geen vijf jaar verlopen zijn sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden.
Met het besluit van 5 juli 2021 (beslissing op bezwaar), waartegen het beroep bij de rechtbank met kenmerk 21/4392 was gericht, heeft de minister het bezwaar van het slachthuis ongegrond verklaard en boetebesluit 202002035 gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en daarbij, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.
“6.1. Uit het rapport van bevindingen in ROT 21/3987 volgt dat de verontreinigde karkassen zich bevonden in de koelcel waar de karkassen alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de PM-keuring en alle op HACCP gebaseerde controles reeds hebben doorlopen en zijn goedgekeurd voor menselijke consumptie. Op die plek mogen karkassen dus geen bij het slachtproces ontstane verontreiniging meer vertonen. Dat betwist eiseres ook niet. Maar eiseres stelt dat de karkassen pas in de koelcel verontreinigd kunnen zijn geraakt en dat haar nog geen gelegenheid was gegeven om die karkassen in de ochtend op te knappen. Dit betoog slaagt echter niet. In het rapport van bevindingen staat dat de toezichthouder om 6.00 uur de controle heeft verricht, maar uit het rapport blijkt ook dat op dat moment het uitsnijden en verdelen van de karkassen in de uitsnijderij al was gestart. Niet in geschil is dat de karkassen vanuit deze koelcel direct doorgaan naar de snijdruimte om verder te worden verwerkt. Van een prematuur ingrijpen door de toezichthouder is dan ook geen sprake. Bovendien is onaannemelijk dat de betreffende karkassen pas na afloop van het slachtproces van de vorige dag, in de koelcel bezoedeld zijn geraakt. Ter zitting heeft eiseres gewezen op de mogelijkheid dat de karkassen in de koelcel in de avond of nacht van de lijn zijn gevallen (bijvoorbeeld bij het schoonmaken van de koelcel). Maar dat zou niet alle vastgestelde bezoedelingen op de karkassen verklaren. Er is immers door de toezichthouder onder meer vastgesteld dat twee karkassen bezoedeld waren met baansmeer en dat is niet afkomstig van de vloer. Bovendien ging het hier niet om karkassen die op de grond lagen maar die aan de slachtlijn hingen. Voor zover eiseres stelt dat mogelijk is dat gevallen karkassen weer zijn teruggehangen heeft verweerder op de zitting opgemerkt dat dat geen juiste werkwijze is omdat daarmee ook andere karkassen aan die lijn verontreinigd kunnen raken. Ook als eiseres zou worden gevolgd in haar veronderstelling dat het ging om op de grond gevallen karkassen die weer waren teruggehangen, zou eiseres vlees niet hebben beschermd tegen verontreiniging en sprake zijn geweest van een overtreding.
[…]
Uit het rapport van bevindingen in ROT 21/4392 volgt dat de toezichthouder in de koelcel bezoedelde karkassen zag die al waren goedgekeurd voor menselijke consumptie. Eiseres heeft er ter zitting op gewezen dat de bezoedelde karkassen zijn aangetroffen na het slachten en vóór verwerking. Echter, ook het koelen van de karkassen in de koelcel na het slachten valt onder de stadia van de productie, zoals genoemd in punt 3 van Bijlage II, hoofdstuk IX van Verordening 852/2004. Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft overwogen in ECLI:NL:CBB:2020:810 markeert het aanbrengen van de gezondheidsmerken het einde van het slachtproces en als er op dat moment nog een verontreiniging wordt aangetroffen op een karkas is er sprake van een overtreding van Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004. Daarbij merkt de rechtbank op dat dit voorschrift een ruime norm bevat; het gaat om elke vorm van verontreiniging en op grond van artikel 2, eerste lid, onder f, van Verordening 852/2004 is sprake van verontreiniging bij de aanwezigheid of introductie van een gevaar. Daarnaast hoeft gelet op het woord ‘kunnen’ niet vast te staan dat de levensmiddelen daadwerkelijk zijn verontreinigd of niet meer geschikt zijn voor menselijke consumptie. De bij eiseres aangetroffen (goedgekeurde) karkassen waren verontreinigd met fecaliën en baansmeer en verweerder stelt terecht dat eiseres daarmee Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004 heeft overtreden. Op grond van artikel 5 van Verordening 852/2004 moeten exploitanten van levensmiddelenbedrijven zorgdragen voor de invoering, de uitvoering en de handhaving van één of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen. Zoals het CBb in genoemde uitspraak heeft overwogen betekent dit evenwel niet dat verweerder niet zelfstandig controles kan verrichten bij levensmiddelenbedrijven op naleving van het bepaalde in Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004 en ook niet dat verweerder pas handhavend mag optreden als wordt geconstateerd dat de HACCP-procedures niet op orde zijn.
[…]
Uit al het voorgaande volgt dat verweerder terecht in beide zaken heeft geconcludeerd dat eiseres punt 3 van Bijlage II, hoofdstuk IX van Verordening 852/2004 heeft overtreden doordat voor menselijke consumptie goedgekeurde karkassen in de koelcel verontreinigd waren met onder meer fecaliën en baansmeer. Anders dan eiseres stelt, brengen deze bezoedelingen wel degelijk een meer dan gering risico mee voor de volksgezondheid. Zoals verweerder heeft toegelicht kunnen ziekmakende bacteriën en ongedierte zich via deze bezoedelingen nestelen en vermeerderen op levensmiddelen. Dat eiseres na de koelcel de karkassen nog verder verwerkt en daarbij HACCP-procedures gelden, heft het ontstane risico voor de volksgezondheid niet op. Het staat bovendien niet vast dat op een later moment alle bezoedelingen nog worden opgemerkt en verwijderd. Verweerder wijst er in dit verband op dat ook in de slachtfase HACCP-procedures gelden maar desondanks verontreinigingen in de koelcel zijn aangetroffen. Dat eiseres HACCP-procedures heeft biedt in zoverre dus geen volledige garantie dat ieder risico voor de volksgezondheid altijd wordt vermeden. Bovendien kunnen de bezoedelde karkassen ook andere karkassen in de koelcel onzichtbaar hebben gecontamineerd.
[…]
In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.2 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren is voor deze overtreding een standaardboete van € 2.500,- vastgesteld. De wetgever heeft dus reeds een afweging gemaakt welke boete bij deze overtreding evenredig moet worden geacht. Het met Verordening 852/2004 gediende doel - bescherming van de volksgezondheid - staat voorop. De rechtbank vindt dit standaardboetebedrag als zodanig niet onredelijk. In dit geval heeft verweerder de boetes verhoogd naar € 5.000,- omdat eiseres een keer eerder een boete heeft gekregen voor eenzelfde overtreding. Deze verhoging is in overeenstemming met artikel 2.5 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren en de rechtbank vindt die verhoging in dit geval ook niet onevenredig. De wetgever heeft er nadrukkelijk voor gekozen om herhaling van een overtreding zwaarder te beboeten door het op te leggen bedrag te verhogen. Het doel van de boete is immers ook het afdoende voorkomen van herhaling in het specifieke geval. Verder is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden die reden zouden moeten zijn voor matiging van de boetes. Zoals hiervoor is overwogen kan ook niet worden geconcludeerd dat sprake is van geen of een gering risico voor de volksgezondheid. Terecht merkt verweerder de voor menselijke consumptie goedgekeurde maar bezoedelde karkassen aan als een ernstige overtreding. De rechtbank vindt de opgelegde boetes van € 5.000,- gelet op de aard en ernst van de overtredingen en de omstandigheid dat sprake is van recidive evenredig.”
Wettelijk kader
3 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
4 Het College komt, evenals de rechtbank deed, tot het oordeel dat de minister terecht de overtredingen heeft vastgesteld en de boetes heeft opgelegd. Het College licht dat hieronder aan de hand van de hogerberoepsgronden van het slachthuis toe.
Boetezaak 202001986
5 Het slachthuis heeft in het hogerberoepschrift aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte relevant heeft geacht dat de verontreinigde karkassen zich bevonden in de koelcel waar de karkassen alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de PM-keuring en alle op HACCP gebaseerde controles al hebben doorlopen en zijn goedgekeurd voor menselijke consumptie. De rechtbank gaat er namelijk aan voorbij dat de toezichthouder van de NVWA te vroeg in het slachtproces heeft ingegrepen. Het gaat hier namelijk om na het einde van de slachting op de grond gevallen karkassen, die door de medewerkers die ’s avonds en ’s nachts de locatie reinigen, weer zijn teruggehangen. De opknapploeg is dan niet op de locatie aanwezig. Ontdekking van de verontreiniging door de opknapploeg kon dan ook op zijn vroegst de dag erna plaatsvinden, namelijk op een tijdstip vlak na het controlemoment.
Op de zitting heeft het slachthuis te kennen gegeven deze hogerberoepsgrond niet te handhaven, omdat karkassen – ook als die zouden zijn gevallen in de koelcel – niet aan de reguliere lijn hadden mogen worden gehangen, tussen de schone karkassen, zoals hier in het rapport van bevindingen is geconstateerd. Dat levert ook volgens het slachthuis inderdaad een overtreding op. Naar het College ter zitting heeft begrepen gaat het volgens het slachthuis alleen nog om de hoogte van de opgelegde boete en in het bijzonder om de verhoging wegens recidive. Het slachthuis heeft echter geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan het College tot de conclusie komt dat de opgelegde boete onevenredig is. Ook is niets naar voren gebracht op basis waarvan de toepassing van de recidivebepaling in het Besluit handhaving onterecht zou moeten worden geoordeeld.
6 De hogerberoepsgrond, voor zover gehandhaafd, slaagt dan ook niet.
Boetezaak 202002035
7 Het slachthuis voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat als er een verontreiniging wordt aangetroffen op een karkas in de koelcel na het aanbrengen van de gezondheidsmerken er per definitie sprake is van een overtreding van bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004. Dat is namelijk niet het geval. Hier was sprake van een calamiteit doordat de hakmachine door een varken met darmpakket had gehakt, waardoor de karkassen niet de gebruikelijke weg hadden doorlopen. De opknapbaan, die is gelegen voor de post mortem-keuring en de stempelautomaat, raakte overvol als gevolg van die calamiteit. Zoals de toezichthouder beschrijft, is er een maximum van zeven karkassen aan deze opknapbaan gesteld, zodat de baan moest “doordraaien” om opeenstapeling van bezoedelde karkassen te voorkomen. Het opknappen van karkassen aan een overvolle opknapbaan leidt tot kruisbesmetting en verdere bezoedeling, zodat dit opknappen iets later in de lijn, waar deze gevaren beduidend minder zijn, moet gebeuren. Dit doordraaien van de band leidt ertoe dat de karkassen het gebruikelijke traject doorlopen tot de koeling en onderweg de automatische stempelmachine passeren. Normaal gesproken wordt er dan conform het HACCP-protocol bijgesneden en daarna geflambeerd. De toezichthouder heeft echter aangegeven dat de karkassen eerst moesten worden geflambeerd. Daarna zijn bezoedelingen moeilijker waar te nemen. Dit is ook niet de juiste werkwijze. Er moet namelijk eerst worden bijgesneden en daarna geflambeerd. De rechtbank heeft miskend dat het goedkeuringsstempel op de karkassen is terechtgekomen door het doordraaien van de band, terwijl bekend was dat deze karkassen nog moesten worden opgeknapt.
Het College is van oordeel dat het slachthuis niet aannemelijk heeft gemaakt dat het de karkassen nog zou opknappen in de koelcel. Met de enkele stelling dat sprake was van een calamiteit (het incident met de hakmachine) waardoor de band door zou hebben moeten draaien en de nog verontreinigde karkassen een goedkeuringsstempel kregen, doet het slachthuis dat niet. Dat neemt namelijk niet weg dat uit het rapport van bevindingen duidelijk blijkt dat de toezichthouder heeft gezien dat de karkassen na het opknappen niet gebrand werden, waarop de toezichthouder heeft moeten ingrijpen, en dat de toezichthouder in de koelcel meerdere karkassen heeft aangetroffen met fecale bezoedeling en baansmeer waarop de toezichthouder wederom heeft moeten ingrijpen om de band te laten stoppen voor het opknappen van de karkassen. De minister verwijt het slachthuis niet het incident met de hakmachine, maar de manier waarop het slachthuis na dat incident met de verontreinigde karkassen is omgegaan. De toezichthouder heeft aldus twee keer moeten ingrijpen, omdat het slachthuis niet zelf de verontreinigde karkassen juist en voldoende had opgeknapt. Door dat niet te doen, heeft het slachthuis levensmiddelen niet beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor ze ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.
De stelling van het slachthuis dat de toezichthouder had aangegeven dat de karkassen eerst moesten worden geflambeerd en dat dit geen juiste werkwijze is, vindt geen steun in het rapport van bevindingen. Daarin staat alleen dat de toezichthouder heeft gezien dat de karkassen na het opknappen niet gebrand werden, waarop de toezichthouder heeft ingegrepen, en dat vervolgens de halchef en een medewerker van de kwaliteitsdienst er op hebben toegezien om de karkassen na binnenkomst in de koelcel eerst te laten branden. Uit het rapport volgt niet dat de toezichthouder heeft aangegeven dat eerst moest worden geflambeerd, maar dat hij heeft ingegrepen omdat het slachthuis niet zelf was overgegaan tot het flamberen van de karkassen. Het slachthuis heeft verder niets ter staving van zijn stelling naar voren gebracht.
Het College is gelet op het voorgaande, evenals de rechtbank, van oordeel dat de minister terecht heeft vastgesteld dat het slachthuis de overtreding heeft begaan. De minister was bevoegd het slachthuis daarvoor een boete op te leggen. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Overschrijding van de redelijke termijn
Het slachthuis heeft het College verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
In boetezaken geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. De termijn begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de betrokkene en het bestuursorgaan verdeeld houdt.
In de zaak over boetebesluit 202001986 is de redelijke termijn aangevangen met het voornemen tot boeteoplegging van 25 augustus 2020. In de zaak over boetebesluit 202002035 is de redelijke termijn aangevangen met het voornemen tot boeteoplegging van 3 december 2020. Het College ziet in de omstandigheden van deze gevallen geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Op het moment van deze uitspraak, is de redelijke termijn in de beide zaken overschreden met, naar boven afgerond, één jaar en zeven maanden. In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, handelt het College naar bevind van zaken. Het College ziet aanleiding de boetes in beide zaken te matigen met 20% tot een bedrag van € 4.000,-.
Slotsom
10 De hogerberoepsgronden slagen niet. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal het College de uitspraak van de rechtbank vernietigen voor zover het de hoogte van de boetes betreft. Daarom zal het College de beroepen tegen de beslissingen op bezwaar gegrond verklaren, deze besluiten vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft en de boetebesluiten in zoverre herroepen. Het College zal de boetes elk vaststellen op € 4.000,-. Voor het overige zal het College de rechtbankuitspraak bevestigen.
11 Het College zal de minister veroordelen in de door het slachthuis in hoger beroep gemaakte kosten voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het doen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
12 Omdat de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan de rechterlijke fase in hoger beroep zal de griffier van het College het in hoger beroep door het slachthuis betaalde griffierecht op grond van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb terugbetalen. Het griffierecht in de beroepen zal op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb door de minister aan het slachthuis moeten worden vergoed.
Beslissing
Het College:
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het de hoogte van de boetes betreft;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
- verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;
- vernietigt de beslissingen op bezwaar voor zover het de hoogte van de boete betreft;
- herroept de boetebesluiten voor zover het de hoogte van de boete betreft en stelt de boetes elk vast op € 4.000,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissingen op bezwaar;
- veroordeelt de minister in de door het slachthuis gemaakte proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 467,-;
- draagt de minister op het door het slachthuis betaalde griffierecht in beroep van € 360,- in de zaak over boetebesluit 202001986 aan het slachthuis te vergoeden;
- draagt de minister op het door het slachthuis betaalde griffierecht in beroep van € 360,- in de zaak over boetebesluit 202002035 aan het slachthuis te vergoeden;
- bepaalt dat de griffier van het College het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548,- aan het slachthuis terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, in aanwezigheid van mr. N.A. van Opbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. N.A. van Opbergen
Bijlage
Verordening 852/2004
Artikel 4 Algemene en specifieke hygiënevoorschriften, tweede lid:
2. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004.
Bijlage II, Hoofdstuk IX Bepalingen van toepassing op levensmiddelen, punt 3:
3. In alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.