ECLI:NL:CBB:2026:26

ECLI:NL:CBB:2026:26

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 26-01-2026
Zaaknummer 23/1194
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Accountantstuchtrecht. Eerder heeft het College al geoordeeld dat het strafrecht en het tuchtrecht naast elkaar kunnen worden ingezet. Dat de accountantskamer in haar (tuchtrechtelijke) oordeel over het handelen van de accountant verwijst naar het oordeel van de rechtbank Amsterdam, betekent niet dat geen eigen beoordeling, met toepassing van het tuchtrechtelijke toetsingskader, door de accountantskamer heeft plaatsgevonden. Het College onderschrijft het oordeel van de accountantskamer dat de accountant door gedurende een langere periode facturen met valse informatie in het maatschappelijk verkeer te hebben gebracht en/of betaald, hij in ernstige mate de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit heeft geschonden. Een doorhaling waarbij de termijn wordt bepaald op vijf jaar acht het College hier, anders dan de accountantskamer, passend en geboden.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 op het hoger beroep van:

[naam 1] , te [woonplaats]

uitspraak

zaaknummer: 23/1194

(gemachtigde: mr. F. Jagersma)

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 7 april 2023, waarbij is beslist op een klacht, ingediend door het Openbaar Ministerie (OM), Landelijk Parket, te Amsterdam, tegen [naam 1]

(gemachtigde: mr. D.E. Kruimel)

Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van

7 april 2023, nummer 22/1740 (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2023:31).

[naam 1] heeft nadere stukken ingediend.

De zitting was op 14 augustus 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] , bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van het OM, vergezeld door mr. drs.

[naam 2] .

Grondslag van het geschil

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de uitspraak van de accountantskamer. Het College volstaat met het volgende.

[naam 1] stond sinds 15 november 1999 ingeschreven als registeraccountant in het register van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants. De inschrijving in het accountantsregister is op verzoek van [naam 1] per 1 maart 2024 doorgehaald.

[naam 1] is sinds 8 maart 1999 bestuurder en enig aandeelhouder van

[naam 3] B.V. ( [naam 3] ). [naam 3] gebruikt ook de handelsnaam [naam 4] . [naam 3] is met ingang van dezelfde datum enig aandeelhouder van [naam 5] B.V. ( [naam 5] ). Sinds 31 oktober 2014 is [naam 1] hiervan bestuurder. [naam 5] heeft meerdere handelsnamen, waaronder [naam 6] en [naam 7] .

[naam 8] was bevoegd functionaris van [naam 9] B.V. ( [naam 9] ).

[naam 10] is sinds de oprichting op 5 juni 2014 enig bestuurder van [naam 11] B.V. ( [naam 11] ).

[naam 12] is sinds 1 april 2015 bestuurder en enig aandeelhouder van [naam 13] B.V. ( [naam 13] ).

In een strafrechtelijke procedure tegen [naam 1] heeft het gerechtshof Amsterdam met het arrest van 25 januari 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:189) bewezen geacht dat – voor zover hier van belang – [naam 1] de volgende aan hem tenlastegelegde feiten heeft begaan:

“Ten aanzien van feit 1: in de periode van 1 november 2016 tot en met 30 november 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, te weten:

een factuur verzonden door of afkomstig van [naam 3] B.V. en gericht aan [naam 13] B.V. ( [adres] te [plaats] ) gedateerd 15 november 2016, bestaande de valsheid hierin dat op het geschrift valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat sprake was van de op de factuur vermelde "overname verplichting [naam 14] B.V./Dhr [naam 12] met factuurnummer 201.604 , gedateerd op 15 november 2016", voor een bedrag van 62.500 euro inclusief BTW terwijl in werkelijkheid geen sprake was van een "overname verplichting";

Ten aanzien van feit 2: [naam 3] B.V. en/of [naam 5] B.V. op tijdstippen in de periode van 24 januari 2013 tot en met 31 december 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk de hierna (onder a, b, c, d, e, f, g, h, i, en j) genoemde valselijk opgemaakte geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen voorhanden heeft gehad, terwijl [naam 3] B.V. en/of [naam 5] B.V. en/of zijn mededaders (telkens) wisten dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als waren deze echt en onvervalst, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen [naam 1] feitelijk leiding heeft gegeven, te weten de geschriften:

a. een factuur van het bedrijf [naam 9] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten " Managementadvies Q1 " met factuurnummer 2013004 , d.d. 24 januari 2013, met een gesteld bedrag van 2.420 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [naam 5] B.V.;

b. een factuur van het bedrijf [naam 9] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten " Managementadvies Q4 " met factuurnummer 2013003 , d.d. 24 januari 2013, met een gesteld bedrag van 18.150 euro (inclusief BTW) geadresseerd aan [naam 3] B.V.;

c. een factuur van het bedrijf [naam 9] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten " Advisory Q2-14 " met factuurnummer 2013005 , d.d. 22 maart 2014, met een gesteld bedrag van 27.830 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [naam 7] B.V. (Handelsnaam van [naam 5] B.V.);

d. een factuur van het bedrijf [naam 9] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten " Advisory Q4-14 " met factuurnummer 2013020 , d.d. 29 december 2014, met een gesteld bedrag van 21.780 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [naam 3] B.V.;

e. een factuur van het bedrijf [naam 11] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten " Ondersteuning jan t/m april 2015 " met factuurnummer 41 , d.d. 18 mei 2015, met een gesteld bedrag van 6.050 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [naam 15] B.V.;

f. een factuur van het bedrijf [naam 11] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten " Financiële ondersteuning mei t/m sept 2015 " met factuurnummer 80 , d.d. 19 oktober 2015, met een gesteld bedrag van 18.150 euro (inclusief BTW) geadresseerd aan [naam 3] B.V./ [naam 4] B.V.;

g. een factuur van het bedrijf [naam 11] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten " Financiële ondersteuning okt t/m dec 2015 - aanvulling financiële ondersteuning jan t/m dec 2015 " met factuurnummer 98 , d.d. 10 november 2015, met een gesteld bedrag van 43.560 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [naam 3] B.V./ [naam 4] B.V.;

h. een factuur van het bedrijf [naam 11] B.V. met als vermelde werkzaamheden of diensten: '" Ondersteuning juni t/m augustus 2016 " d.d. 3 augustus 2016 met een gesteld bedrag van 36.300 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [naam 3] B.V./ [naam 4] B.V.;

i. een factuur van het bedrijf [naam 11] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten " Ondersteuning November t/m december 2016 – extra werk 2016 (avond en weekend toeslag) " met factuurnummer 201600232 , d.d. 10 november 2016, met een gesteld bedrag van 30.250 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [naam 3] B.V. en/of [naam 4] B.V.;

j. een factuur van het bedrijf [naam 11] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten " Inhuur Externe ", met factuurnummer 17700445 , d.d. 28 augustus 2017, met een gesteld bedrag van 24.200 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [naam 3] B.V.,

bestaande de valsheid hierin dat op die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld en opgenomen dat de op die facturen vermelde werkzaamheden verricht zijn en/of beschreven diensten zijn geleverd op de wijze als omschreven in de facturen, terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht.”

Aan [naam 1] is een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 22 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Uit het opsporingsonderzoek van de politie is ook gebleken dat [naam 3] op 10 april 2015 een factuur van [naam 13] van 31 maart 2015 wegens 'Business advisory 2015', groot € 62.500,-, heeft betaald.

Tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2024 heeft [naam 1] beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

Uitspraak van de accountantskamer

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat:

a. [naam 1] facturen van [naam 9] B.V. en [naam 11] B.V. voorhanden heeft gehad en betaald, terwijl de gefactureerde werkzaamheden niet waren uitgevoerd;

b. [naam 1] een factuur van [naam 13] B.V. heeft betaald, terwijl sprake was van een lening en hij heeft een factuur aan [naam 13] B.V. opgemaakt, terwijl sprake was van terugbetaling van de verstrekte lening.

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard. De accountantskamer heeft over het argument van [naam 1] dat de verwijten geen verband houden met het verrichten van een professionele dienst als accountant overwogen dat in de toelichting op de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) staat dat het begrip professionele dienst uit artikel 1 van de VGBA ruim moet worden opgevat, en dat volgens dat artikel een dienst professioneel is als bij de werkzaamheden vakbekwaamheid wordt of kan worden aangewend. Verder staat volgens de accountantskamer vast dat [naam 1] eraan heeft meegewerkt en geaccepteerd dat gedurende een ruime periode (2013 tot en met 2017) in totaal twaalf facturen in het maatschappelijk verkeer zijn gebracht die valse informatie bevatten. Hierdoor heeft [naam 1] in ernstige mate de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit geschonden (artikelen 4 en 6 van de VGBA). De accountantskamer heeft aan [naam 1] de maatregel opgelegd van doorhaling van de inschrijving van de accountant in de registers en de termijn waarbinnen hij niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven bepaald op tien jaar.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3 Het College stelt het volgende voorop. In het hogerberoepschrift wordt vermeld dat het hoger beroep mede gericht is tegen de op de zitting (bij de accountantskamer) genomen beslissingen. In het (aanvullend) hogerberoepschrift en op de zitting is niet nader toegelicht om welke op de zitting genomen beslissingen het gaat en ook argumenten ter onderbouwing ontbreken. In zoverre is geen sprake van een expliciete hogerberoepsgrond. Het College zal daarom dit punt verder buiten beschouwing laten.

Professionele dienst

[naam 1] handhaaft zijn standpunt dat de hier (in klachtonderdelen a en b) voorliggende door hem verrichte werkzaamheden niet kunnen worden aangemerkt als professionele dienst in de zin van artikel 1 van de VGBA. De verwijten zien namelijk niet op de werkzaamheden van [naam 1] in zijn hoedanigheid als accountant, maar als bestuurder van [naam 3] en [naam 5] . Het opmaken, voorhanden hebben en betalen van facturen hebben niets te maken met de vakbekwaamheid als accountant, maar betreffen typische bestuursdaden. De verweten gedragingen staan in een te ver verwijderd verband met het uitoefenen van het beroep van accountant om onder het accountantstuchtrecht te vallen. De accountantskamer heeft dit miskend.

Voor de definitie van een professionele dienst en een uitgebreide beschrijving van het tuchtrechtelijke toetsingskader met betrekking tot dit begrip verwijst het College naar zijn uitspraak van 22 maart 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:128), onder 7.4 en 7.5. Uit het in die uitspraak onder 7.4 weergegeven wettelijk kader en de daarbij behorende toelichting blijkt dat wanneer bij werkzaamheden vakbekwaamheid wordt of kan worden aangewend, sprake is van een professionele dienst. In artikel 1 van de VGBA wordt het begrip vakbekwaamheid gedefinieerd als: beschikken over en kunnen toepassen van de noodzakelijke theoretische kennis van de vakgebieden, genoemd in artikel 2 van het Besluit accountantsopleiding 2013. In artikel 2 van het Besluit accountantsopleiding 2013 staat dat de opleiding, bedoeld in artikel 46 van de Wet op het accountantsberoep, betrekking heeft op de vakgebieden, bedoeld in artikel 8 van Richtlijn nr. 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen (Richtlijn 2006/43). Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van tRichtlijn 2006/43 heeft de toetsing van de theoretische kennis die deel uitmaakt van het examen onder meer betrekking op het vakgebied algemene theorie en beginselen van de boekhouding. Het College is van oordeel dat werkzaamheden als het opmaken, voorhanden hebben en betalen van facturen kunnen worden geschaard onder artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van Richtlijn 2006/43. Deze werkzaamheden vallen namelijk in ieder geval onder het begrip ‘beginselen van de boekhouding’. De accountantskamer is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de werkzaamheden waarvan [naam 1] een verwijt wordt gemaakt, moeten worden aangemerkt als een professionele dienst, omdat het werkzaamheden zijn waarvoor hij zijn vakbekwaamheid als accountant heeft aangewend.

Strafrecht en tuchtrecht

Daarnaast brengt [naam 1] over het toetsingskader het volgende naar voren. De accountantskamer heeft de gegrondverklaring van de klachtonderdelen nagenoeg geheel gebaseerd op oordelen en overwegingen uit het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:5810). De accountantskamer is van oordeel dat [naam 1] er niet in is geslaagd om die overwegingen en dat oordeel met geloofwaardige en aannemelijke argumenten te weerleggen. De accountantskamer had echter de (nog niet onherroepelijk vaststaande) overwegingen en oordelen van de strafrechter niet als uitgangspunt mogen hanteren, omdat in een strafrechtelijke procedure een ander toetsingskader en een ander bewijsrecht van toepassing zijn. [naam 1] verwijst hierbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 februari 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP5715). In de klachtprocedure bij de accountantskamer ligt, anders dan in de strafrechtelijke procedure, de vraag voor of, en in hoeverre, [naam 1] in strijd met de VGBA heeft gehandeld, waarbij het aan het OM is om feiten te stellen en aannemelijk te maken dat daarvan sprake is. Aan de uitkomst van een strafrechtelijke procedure, met eenzelfde feitencomplex als waarover de accountantskamer dient te beslissen, kan de accountantskamer weliswaar bewijs ontlenen, maar zij dient zich - ook als haar dezelfde bewijsmiddelen ter beschikking staan - zelfstandig een oordeel te vormen omtrent de haar voorgelegde feiten, zie de uitspraak van de Hoge Raad van 19 juni 1996 (ECLI:NL:HR:1996:AA1946). De accountantskamer heeft echter verzuimd een zelfstandige beoordeling van het in het klaagschrift gestelde feitencomplex uit te voeren en heeft in plaats daarvan de overwegingen en de oordelen uit het vonnis van 11 oktober 2021 tot uitgangspunt genomen en voor juist gehouden. Dat klemt temeer omdat het een nog niet onherroepelijk vonnis betreft. Dat de door de accountantskamer uit het vonnis aangehaalde overwegingen en oordelen juist zijn, staat dus nog niet vast.

Het College heeft eerder al geoordeeld dat het strafrecht en het tuchtrecht naast elkaar kunnen worden ingezet, omdat het om verschillende normschendingen gaat en het strafrecht en het tuchtrecht verschillende doelen dienen; het strafrecht voornamelijk een punitief doel en het tuchtrecht vooral de bewaking en bevordering van de kwaliteit van de accountancy. De tuchtrechter is bevoegd om een eigen oordeel te geven over de verenigbaarheid met de gedrags- en beroepsregels van het handelen van een accountant, waarover wordt geklaagd (zie de uitspraak van het College van 7 september 2021, ECLI:NL:CBB:2021:857, onder 6.3). Gelet hierop is voor het geven van een oordeel over een klacht in een tuchtprocedure niet van belang of in de strafzaak (onherroepelijk) is beslist. De accountantskamer heeft dan ook terecht geen reden gezien om met de behandeling van de klacht te wachten totdat sprake was van een onherroepelijke uitspraak in de strafzaak tegen [naam 1] .

De rest van het betoog van [naam 1] ziet op zijn stelling dat de accountantskamer het oordeel van de rechtbank Amsterdam in de strafzaak tegen [naam 1] eenvoudigweg heeft overgenomen, zonder zich zelfstandig een oordeel te vormen over de door het OM in het klaagschrift gestelde feiten en omstandigheden. Het College overweegt hierover als volgt. In de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer – onder 5.6 – onderkend dat zij gehouden is de klacht zelfstandig te beoordelen. Dit heeft zij blijkens de bestreden uitspraak gedaan door kennis te nemen van het klaagschrift met bijlagen, waaronder afschriften van de in de klachtonderdelen genoemde facturen, diverse (ten behoeve van de strafzaak opgemaakte) processen-verbaal en het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2021, het door [naam 1] ingediende verweerschrift en de aanvulling daarop, een e-mail, met bijlagen, van [naam 1] van 22 januari 2023 en de op de zitting van 6 februari 2023 overgelegde pleitaantekeningen. Op de zitting van 6 februari 2023 – zo blijkt uit het proces-verbaal van die zitting – is [naam 1] door de accountantskamer uitgebreid bevraagd over onder meer de in de klachtonderdelen genoemde facturen, alsook over de familiale verhoudingen met [naam 8] , [naam 10] en [naam 12] . Alleen hieruit blijkt al van eigen onderzoek door de accountantskamer naar de door het OM gestelde feiten en omstandigheden, op grond waarvan zij tot haar (tuchtrechtelijke) oordeel is gekomen. Dat de accountantskamer in haar (tuchtrechtelijke) oordeel over het handelen van [naam 1] met betrekking tot de facturen uit klachtonderdeel a onder 5.11 van de bestreden uitspraak verwijst naar het oordeel van de rechtbank Amsterdam in het vonnis van 11 oktober 2021, betekent niet dat geen eigen beoordeling, met toepassing van het tuchtrechtelijke toetsingskader, door de accountantskamer heeft plaatsgevonden. Het stond het OM vrij om, ter onderbouwing van de klacht, stukken uit het dossier van de tegen [naam 1] gevoerde strafzaak als bijlagen bij het klaagschrift over te leggen. De accountantskamer heeft vervolgens, mede op grond van die stukken (waaronder het vonnis van de rechtbank Amsterdam) en met toepassing van het tuchtrechtelijke toetsingskader, de klacht beoordeeld. Dat de accountantskamer zich op punten kon vinden in de motivering van de strafrechter en deze motivering heeft overgenomen en aangevuld, maakt niet dat aan het oordeel van de accountantskamer geen eigen afweging en beoordeling ten grondslag heeft gelegen. Deze hogerberoepsgrond slaagt niet.

Klachtonderdeel a

[naam 1] kan zich niet vinden in het onder 5.13 van de bestreden uitspraak weergegeven oordeel van de accountantskamer. [naam 1] betwist uitdrukkelijk dat er tegenover de genoemde betaalde facturen geen verrichte werkzaamheden staan. Zowel uit het door de politie verrichte onderzoek als uit de door hem overgelegde e-mailberichten blijkt duidelijk dat [naam 8] en [naam 10] werkzaamheden hebben verricht voor [naam 3] en [naam 5] . Voor zover er geen of relatief weinig werkzaamheden zijn verricht, betwist [naam 1] dat hij daarvan op de hoogte was. Met betrekking tot het oordeel van de accountantskamer dat [naam 1] zich ervan diende te onthouden om in de administraties van [naam 3] en [naam 5] valse facturen op te nemen, voert [naam 1] aan dat dit verwijt geen onderdeel uitmaakt van de klacht. Bovendien kan dit verwijt alleen doel treffen als bewezen is dat [naam 1] wist dat de facturen vals waren. Daar is echter niets van gebleken. Ook het gerechtshof Amsterdam heeft niet vastgesteld dat [naam 1] wist dat het om valse facturen ging. Verder blijkt noch uit het strafdossier, noch uit het klaagschrift dat [naam 1] op de hoogte was van wat er gebeurde met de bedragen die hij naar aanleiding van de ontvangen facturen betaalde aan [naam 8] en [naam 10] . Alles bij elkaar is niet aannemelijk geworden dat [naam 1] ten aanzien van de facturen van [naam 9] en [naam 11] in strijd met de artikelen 4 en 6 van de VGBA heeft gehandeld. De accountantskamer heeft daarom klachtonderdeel a ten onrechte gegrond verklaard.

De accountantskamer heeft in de bestreden uitspraak geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat [naam 1] de facturen van [naam 9] en [naam 11] voorhanden heeft gehad en betaald, terwijl de gefactureerde werkzaamheden niet zijn uitgevoerd. Zij heeft daarbij in 5.10 verwezen naar (delen van) de overwegingen 2.3.3 tot en met 2.3.3.2 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:5810) en in 5.11 en 5.13 geoordeeld dat [naam 1] er niet in is geslaagd om het oordeel van de rechtbank – dat de genoemde door [naam 11] aan [naam 3] verstrekte facturen, valselijk zijn opgemaakt, omdat daar geen prestatie van [naam 11] tegenover heeft gestaan en dat [naam 1] die facturen opzettelijk voorhanden heeft gehad – met geloofwaardige en aannemelijke argumenten te weerleggen. [naam 1] had zich ervan moeten onthouden om in de administraties van [naam 3] en [naam 5] valse facturen op te nemen en die facturen te betalen. Daarmee heeft [naam 1] gehandeld in strijd met de artikelen 4 en 6 van de VGBA en daardoor de fundamentele beginselen van professionaliteit en integriteit geschonden. In 5.12 heeft de accountantskamer ter toelichting nog het volgende overwogen, waarbij voor ‘betrokkene’ ‘ [naam 1] ’ moet worden gelezen.

“5.12. Ter adstructie hiervan overweegt de Accountantskamer het volgende. Ter zitting van de Accountantskamer is betrokkene bevraagd over de werkzaamheden die door [naam 9] en [naam 11] zouden zijn verricht en de in verband daarmee door hen gefactureerde en aan hen betaalde bedragen. Betrokkene heeft geen aannemelijke antwoorden gegeven. Zo heeft betrokkene bijvoorbeeld geen aannemelijke verklaring gegeven voor zijn stelling dat hij met [naam 10] ( [naam 11] ) in verband met de werkzaamheden van [naam 10] voor ABN AMRO in het begin van 2016 een lumpsum van € 120.000 voor dat jaar (resulterend in facturatie van € 10.000 per maand) is overeengekomen bij een volgens betrokkene met [naam 10] ook afgesproken uurtarief van € 80. ABN AMRO betaalde voor de werkzaamheden aan [naam 3] € 20.000 per maand en [naam 10] voerde de werkzaamheden in opdracht van deze vennootschap bij ABN AMRO uit, aldus betrokkene. Betrokkene heeft ook verklaard dat hij winstmaximalisatie beoogde. Betrokkene heeft in zijn nader verweerschrift geschreven dat hij 'inderdaad geen enkel motief (heeft) om opzettelijk mee te werken aan het uitgeven van geld aan derden zonder een tegenprestatie en/of vordering.' Behalve dat van betrokkene vanwege zijn positie als accountant een deugdelijke project- en urenadministratie mag worden verlangd, is het in dit licht bezien opmerkelijk dat betrokkene geen stukken heeft overgelegd of in het strafdossier heeft aangewezen waaruit blijkt dat hij met [naam 10] naar aanleiding van diens aantal bestede uren met enige regelmaat heeft afgerekend. Dat blijkt ook niet uit de verklaringen van [naam 10] bij de politie. Door met [naam 10] de bestede uren geregeld af te rekenen, had betrokkene kunnen voorkomen dat hij meer geld aan [naam 10] betaalde dan waartoe hij op grond van het met hem afgesproken uurtarief en de door hem bestede uren was gehouden. Zijn verweer dat het hem om het resultaat van de werkzaamheden van [naam 10] ging en niet om het aantal door hem bestede uren laat onverlet dat betrokkene uit zijn oogpunt van winstmaximalisatie ook bij een positief resultaat van die werkzaamheden niet meer uren zou hebben willen betalen dan waartoe hij op grond van het aantal door [naam 10] bestede uren was gehouden. In dat licht bezien is ook het begin 2016 met [naam 10] afspreken van een bedrag van € 120.000 per jaar, terwijl de werkzaamheden nog niet wezenlijk van de grond zijn gekomen, zonder nadere toelichting (die ontbreekt) niet geloofwaardig.”

Het College ziet geen aanleiding om [naam 1] te volgen in zijn stelling dat de accountantskamer met haar overweging in 5.13 van de bestreden uitspraak dat [naam 1] zich ervan diende te onthouden om valse facturen in de administraties ‘op te nemen’, hem een verwijt maakt over iets waarop de klacht niet ziet. Het College is van oordeel dat hier aan de toevoeging ‘op te nemen’ geen zelfstandige betekenis toekomt ten opzichte van het in klachtonderdeel a gemaakte verwijt over het voorhanden hebben en betalen van de facturen van [naam 9] en [naam 11] . Het voegt namelijk niets toe aan laatstgenoemd verwijt en het maakt dat verwijt ook niet anders.

Verder is het College met de accountantskamer van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [naam 1] de facturen van [naam 9] en [naam 11] voorhanden heeft gehad en betaald, terwijl de gefactureerde werkzaamheden niet zijn uitgevoerd. Tegen het door het OM uitvoerig gemotiveerde en gedocumenteerde klachtonderdeel a heeft [naam 1] onvoldoende ingebracht om het oordeel van de accountantskamer terzijde te schuiven. [naam 1] is er niet in geslaagd om aan te wijzen dat, en zo ja welke, werkzaamheden staan tegenover de facturen waarop klachtonderdeel a ziet. De facturen van [naam 9] en [naam 11] zijn – in de periode tussen 2013 en 2017 – op wisselende tijdstippen en voorzien van wisselende bedragen aan (een onderneming van) [naam 1] verstuurd en vervolgens door hem betaald. De facturen bevatten enkel omschrijvingen zoals ‘Managementadvies’, ‘Advisory’, ‘Ondersteuning’ en ‘Financiële ondersteuning’. Iedere specificatie van de te verrichten dan wel de uitgevoerde werkzaamheden ontbreekt, net als data waarop die werkzaamheden zouden worden dan wel zijn verricht en het aantal daarmee gemoeide uren. Schriftelijke stukken waaruit afdoende zou blijken van de gestelde met [naam 10] en [naam 8] gemaakte afspraken omtrent de voor (een onderneming van) [naam 1] te verrichten werkzaamheden ontbreken eveneens. Of [naam 1] op de hoogte was van de bestemming van de bedragen die hij naar aanleiding van de ontvangen facturen betaalde aan [naam 8] en [naam 10] , doet hier verder niet ter zake nu dat geen onderdeel van klachtonderdeel a uitmaakt. Het op de zitting bij het College door [naam 1] gehouden betoog dat hij erkent dat in de desbetreffende periode zijn administratie op bepaalde punten slordig was, dat hij omdat het ging om afspraken met familie wellicht onzorgvuldig(er) gewerkt heeft en dat hij zichzelf op geen enkele wijze heeft verrijkt, maakt niet dat, wat daar ook van zij, hem geen verwijt kan worden gemaakt van het voorhanden hebben en betalen van facturen zonder dat daar een (van de) gefactureerde dienst(en) tegenover staat. De hogerberoepsgronden gericht tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel a slagen niet.

Klachtonderdeel b

Over klachtonderdeel b voert [naam 1] aan dat hij in de veronderstelling was dat de factuur groot € 62.500,- van 31 maart 2015 van [naam 13] wegens “Business advisory 2015” zag op bedrijfskosten en dat hij deze factuur om die reden ook als bedrijfskosten in de administratie heeft opgenomen. Dat achteraf is gebleken dat het ging om een lening, maakt niet dat hij in strijd heeft gehandeld met de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit. Verder kan [naam 1] zich niet vinden in het oordeel van de accountantskamer dat de aan [naam 13] verzonden factuur van

15 november 2016 bewijsbestemming had. De accountantskamer is ten onrechte voorbijgegaan aan het verweer dat door deze factuur geen derden misleid zijn. De ontvanger van de factuur was namelijk op de hoogte van de betekenis van de factuur en had deze instructie zelf doorgegeven. Van het opzettelijk valselijk opmaken van een factuur is geen sprake. Daarnaast is de Belastingdienst door het verwerken van de factuur in de administratie op geen enkele manier misleid. Er was sprake van een transactie in familiale sfeer en de factuur is slechts opgemaakt om een eerdere administratieve fout fiscaal te herstellen. Deze zienswijze is ook gevolgd door de Belastingdienst.

De accountantskamer heeft allereerst vastgesteld dat het klachtonderdeel ziet op zowel de betaling door [naam 1] van de factuur van [naam 13] van 31 maart 2015, als op het opmaken van de factuur aan [naam 13] van 15 november 2016 door [naam 1] , anders dan in de strafrechtelijke procedure waar alleen de factuur van 15 november 2016 ten laste is gelegd. De accountantskamer heeft in de bestreden uitspraak onder 5.17 tot en met 5.20 het volgende overwogen en geoordeeld, waarbij voor ‘betrokkene’ ‘ [naam 1] ’ moet worden gelezen.

“5.17. Betrokkene heeft aangevoerd dat de factuur 'een administratieve fout' betreft die 'in haast en onzorgvuldigheid' is gemaakt. Betrokkene heeft dat echter op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, daargelaten dat haast en onzorgvuldigheid geen excuus zijn. De Accountantskamer is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat betrokkene de factuur van 15 november 2016 heeft opgemaakt, terwijl sprake was van terugbetaling van een lening. Het valselijk opmaken van deze factuur is in strijd met de fundamentele beginselen integriteit en professionaliteit.

De Accountantskamer zal nu de factuur van 31 maart 2015 bespreken.

De Accountantskamer is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene deze factuur heeft betaald, terwijl sprake was van het verstrekken van een lening. Betrokkene heeft bij de politie namelijk meerdere keren verklaard dat het bedrag van € 62.500 een lening was. Zo heeft betrokkene over de factuuromschrijving 'Business advisory 2015' verklaard: 'Business advisory is een algemene term, maar dat is hier niet goed gegaan. Ik had het een lening moeten noemen. In de vorm: als het een lening was, had ik ook een leningsovereenkomst moeten maken, maar dat is niet gebeurd. In de inhoud was het wel een lening.' Betrokkene heeft ook verklaard: 'Eigenlijk was het een lening maar hij is verwerkt als een fee. Een jaar later is het andersom gegaan. Dat is niet goed gegaan. Ik heb dat verwerkt in mijn administratie. Er is geen leningovereenkomst gemaakt. Ik heb deze factuur 15-11-2016 gemaakt. Die vorige factuur is gemaakt door [naam 13] BV door [naam 16] of mijn oom. Ik bepaalde samen met mijn oom wat er op de factuur kwam te staan. Dat is een stukje sloppyness. Het is besproken als een converteerbare lening die omgezet kon worden in shares, maar dan moet je er naar handelen. En dan moet er een leningovereenkomst komen. Die is niet opgesteld, dus hebben we het zo opgelost. Omdat het in 2015 fout was gegaan, heb ik het in 2016 gecorrigeerd.'

En hij heeft verklaard: 'Nou, de belangrijkste (reden, toevoeging Ack) was dat er cheesecake mee gekocht zou worden. Ik heb daar veel contact over gehad met mijn oom Hendrik. Het was de bedoeling dat hiermee de lening terugbetaald zou worden.'

[naam 12] heeft bij de politie over het bedrag van € 62.500 verklaard: 'Er is geld geleend door mijn neef, [naam 1] (EUR 62.500)...' De latere schriftelijke verklaring van [naam 12] dat de factuur van 31 maart 2015 verband hield met advieswerkzaamheden is naar het oordeel van de Accountantskamer afgestemd op het (onaannemelijke) verweer van betrokkene. De echtgenote van betrokkene heeft bij de politie verklaard dat het om een lening ging.

Betrokkene heeft de factuur van 31 maart 2015 betaald, opgenomen in de administratie en boekhoudkundig verwerkt als bedrijfskosten, hoewel het om het verstrekken van een geldlening ging. Betrokkene heeft daarmee in strijd gehandeld met de fundamentele beginselen integriteit en professionaliteit. Het klachtonderdeel is gegrond.”

Over de factuur van 31 maart 2015 van [naam 13] heeft [naam 1] op de zitting bij het College het volgende verklaard. Zijn oom, [naam 12] , zou [naam 1] gaan helpen bij het herstructureren van zijn bedrijf. De factuur van 31 maart 2015 zag op de werkzaamheden die zijn oom in dat kader voor [naam 1] zou gaan verrichten. In diezelfde periode heeft zijn oom hem gevraagd om te investeren in een nieuw te starten bedrijf met cheesecakes. [naam 1] had daar geen interesse in, maar het was evident dat zijn oom voor het te starten bedrijf behoefte had aan liquide middelen. Vervolgens kwam de factuur van 31 maart 2015, verstuurd vanuit de nieuwe B.V. van zijn oom, [naam 13] , die [naam 1] in zijn administratie, als kosten, heeft verwerkt en betaald.

Het College ziet in de hierboven door [naam 1] beschreven gang van zaken voldoende aanknopingspunten om aannemelijk te vinden dat het hier niet gaat om een factuur voor (nog) te verrichten werkzaamheden, maar om een verstrekte geldlening. Ondersteuning voor dit oordeel is te vinden in de door [naam 1] op 29 augustus 2018 bij de politie afgelegde verklaring. Blijkens het op die datum van het gehouden verhoor opgemaakte proces-verbaal heeft [naam 1] de vraag of [naam 12] gelijk heeft als hij zegt dat het bedrag (van € 62.500,-) in werkelijkheid een lening was, bevestigend beantwoord. Het College onderschrijft daarom het oordeel van de accountantskamer dat [naam 1] de factuur van 31 maart 2015 van [naam 13] ten onrechte als bedrijfskosten in de administratie heeft verwerkt, terwijl het feitelijk ging om een verstrekte geldlening.

Wat betreft de aan [naam 13] verzonden factuur van 15 november 2016 heeft [naam 1] op de zitting (nogmaals) erkend dat hij daarmee de fout is ingegaan, maar niet met het oogmerk om iemand te benadelen. Nadat de toegezegde werkzaamheden niet waren uitgevoerd, heeft [naam 1] , naar eigen zeggen op aangeven van zijn oom, de factuur van 15 november 2016 van € 62.500,- opgemaakt om zo de situatie, ten opzichte van 2015, fiscaal gezien weer recht te trekken.

Mede gelet op de erkenning van [naam 1] dat hij ten aanzien van de factuur van 15 november 2016 onjuist heeft gehandeld, onderschrijft het College ook hier het oordeel van de accountantskamer dat voldoende aannemelijk is dat [naam 1] die factuur heeft opgemaakt, terwijl welbeschouwd sprake was van terugbetaling van een lening. [naam 1] heeft op dit punt niets aangevoerd wat leidt tot een ander oordeel. Dat, zoals [naam 1] stelt, geen derden zouden zijn misleid en geen bevoordeling dan wel benadeling van zichzelf of anderen zou hebben plaatsgevonden, neemt niet weg dat het gaat om het valselijk opmaken van een factuur, wat in strijd is met de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit. Of de factuur van 15 november 2016 bewijsbestemming had (zoals de accountantskamer onder 6 bij de motivering van de op te leggen maatregel heeft overwogen), hoeft in deze procedure niet te worden vastgesteld. Weliswaar is dat een bestanddeel van het in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde misdrijf valsheid in geschrifte, maar het is geen onderdeel van het verwijt in de klacht. Daarnaast is, binnen het tuchtrechtelijke toetsingskader, het hebben van bewijsbestemming van een factuur geen vereiste om te komen tot het oordeel dat sprake is van een vals opgestelde factuur. De hogerberoepsgrond gericht tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel b slaagt niet.

Maatregel

Op de zitting bij het College heeft [naam 1] te kennen gegeven dat hij de door de accountantskamer opgelegde maatregel als onrechtvaardig ervaart. Het OM is van mening dat de opgelegde maatregel in stand moet worden gelaten.

Zoals hiervoor is overwogen, onderschrijft het College het oordeel van de accountantskamer dat [naam 1] door gedurende een langere periode facturen met valse informatie in het maatschappelijk verkeer te hebben gebracht en/of betaald, hij in ernstige mate de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit heeft geschonden. Met de accountantskamer is het College van oordeel dat de maatregel van doorhaling van de inschrijving in de registers in een dergelijk geval passend en geboden is. Daarentegen vindt het College de door de accountantskamer bepaalde termijn van tien jaar waarbinnen [naam 1] niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven niet proportioneel. Gelet op de aard en de ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen in samenhang bezien met de omstandigheid dat [naam 1] niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, acht het College een aan de doorhaling te verbinden termijn van vijf jaar waarbinnen [naam 1] niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven, passend en geboden.

Conclusie

9 De slotsom is dat het hoger beroep slaagt, voor zover in de bestreden tuchtuitspraak de termijn waarbinnen [naam 1] niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven is bepaald op tien jaar. De uitspraak van de accountantskamer dient in zoverre te worden vernietigd. Het College zal de zaak zelf afdoen en de termijn waarbinnen [naam 1] niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven bepalen op vijf jaar.

10 De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. H.L. van der Beek en

mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. J.M. Baars

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?