COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juni 2026 op het hoger beroep van
[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming) (gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
uitspraak
zaaknummer: 25/279
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 21 februari 2025, kenmerk 23/3072, in het geding tussen
de onderneming
en
(gemachtigde: mr. M. Leegsma)
Procesverloop in hoger beroep
De onderneming heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (rechtbank) van 21 februari 2025 (niet gepubliceerd).
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De zitting was op 22 april 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het toepasselijke wettelijke kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank. Het College volstaat met het volgende.
De onderneming is een intermediaire onderneming die onder andere dierlijke meststoffen verwerkt.
Met het besluit van 9 mei 2023 (het boetebesluit) heeft de minister aan de onderneming een boete opgelegd. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat de onderneming in 2018 driepartijenovereenkomsten is aangegaan waarbij zij zich heeft verplicht om als verwerker 625 kg fosfaat voor derden te gaan verwerken. Daarnaast is de onderneming met vervoersbewijzen dierlijke mest (VDM’s) voorzien van opmerkingscode 61 de verplichting aangegaan om 4.779 kg fosfaat dierlijke meststoffen te verwerken. Volgens de minister heeft de onderneming 4.126 kg fosfaat via export verwerkt (met opmerkingscode 14 op de VDM zonder opmerkingscode 61) en daarom 1.278 kg fosfaat te weinig verwerkt. De minister heeft vanwege overschrijding van de redelijke beslistermijn, zoals bedoeld in artikel 5:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het in het voornemen genoemde boetebedrag met 10% gematigd en de hoogte van de boete vastgesteld op € 12.652,20.
Met het besluit van 17 oktober 2023 (bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft het beroep van de onderneming ongegrond verklaard. Zij heeft allereerst vastgesteld dat de onderneming in 2018 1.278 kg fosfaat te weinig heeft verwerkt. Daarmee heeft de onderneming in zoverre niet voldaan aan haar mestverwerkingsplicht en is de minister bevoegd haar een bestuurlijke boete op te leggen. Over de vraag of de hoogte van de boete moet worden gematigd wegens verminderde verwijtbaarheid heeft de rechtbank het volgende overwogen.
“7.1. Uit artikel 5:46, derde lid, van de Awb volgt dat als de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
De rechtbank is van oordeel dat die situatie zich hier niet voordoet. De minister heeft zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet gebleken is dat sprake is van een administratieve vergissing ten aanzien van de door eiseres met [naam 2] opgemaakte VDM’s. Onbetwist is dat op de desbetreffende 15 VDM’s eiseres als vervoerder en [naam 2] als leverancier staan opgenomen en dat (naast exportcode 14 ook) opmerkingscode 61 is vermeld. Dat betekent dat deze VDM’s mestverwerkingsovereenkomsten zijn waarbij eiseres als verwerker heeft te gelden. Dat dat laatste volgens eiseres niet de bedoeling was volgt de rechtbank niet. In de (bij het boeterapport gevoegde) brief van 20 mei 2020 van [naam 3] , bestuurder van eiseres, staat: “Ik heb contact gehad met [naam 2] BV maar die heeft in 2018 geen ruimte meer over dus we kunnen de code 61 er niet afhalen zodat het sluitend is”. Hieruit blijkt dat [naam 2] eiseres wenst te houden aan haar contractuele verplichting om de desbetreffende vrachten mest te verwerken en de vermelding van opmerkingscode 61 niet ziet als een administratieve vergissing. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat van eiseres als professionele onderneming verwacht mag worden dat zij in het licht van haar mestverwerkingsplicht VDM’s correct invult en op juistheid controleert. Dat heeft zij kennelijk niet gedaan. De minister heeft terecht geen aanleiding gezien om de boete wegens verminderde verwijtbaarheid te matigen. De beroepsgrond slaagt niet.”
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
3 De onderneming voert – samengevat weergegeven – het volgende aan. Zij heeft bij 15 VDM’s een administratieve fout begaan door opmerkingscode 61 op het VDM te vermelden waar dit niet had gemoeten. Dit is een administratieve vergissing; zij heeft nooit enige intentie gehad niet te voldoen aan de regelgeving. Om die reden is het onverkort vasthouden aan de hoogte van de opgelegde boete onevenredig. Volgens de onderneming is aldus sprake van een omstandigheid waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden bij de vaststelling van het boetebedrag en die aanleiding zou dienen te zijn voor matiging van het boetebedrag. De onderneming meent dat voor de berekening van de hoogte van de boete aansluiting zou kunnen worden gezocht bij de matiging die de minister in zijn handhavingsbeleid (Boetebeleid Meststoffenwet RVO, versie 3.0) toepast wanneer niet voldaan is aan één van de administratieve voorwaarden van een driepartijenovereenkomst, waarbij de feitelijke levering wel heeft plaatsgevonden. Die overeenkomst telt niet mee voor de mestverwerkingsplicht. Als daardoor onvoldoende mest is verwerkt wordt de boete eenmalig gematigd tot een bedrag van € 2.000. Een dergelijke werkwijze zou ook hier meer recht doen aan de feitelijke situatie. In dit kader is verder relevant dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de onderneming tamelijk beperkt is. De onderneming heeft in dit verband gewezen op de uitspraken van het College van 28 februari 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BV8605) en 15 juli 2016 (ECLI:NL:CBB: 2016:211).
4 Vaststaat dat de onderneming voor het jaar 2018 niet heeft voldaan aan haar mestverwerkingsplicht en dat de minister daarom bevoegd is haar een bestuurlijke boete op te leggen. Het College is met de rechtbank en de minister van oordeel dat geen aanleiding bestaat de opgelegde boete van € 12.652,20 te matigen en kan zich vinden in wat de rechtbank daarover heeft overwogen. In aanvulling daarop overweegt het College nog als volgt.
5 Uitgangspunt is dat de opgelegde boete een punitieve sanctie is, die valt onder het bereik van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dat brengt mee dat de rechter moet toetsen of de hoogte van de boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Het opgelegde boetebedrag is vastgesteld, overeenkomstig artikel 59, eerste lid, van de Meststoffenwet, op € 11,- per kilogram te weinig verwerkt fosfaat. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van het College (bijvoorbeeld de uitspraak van 22 april 2025, ECLI:NL:CBB:2025:263) vormt voor bij wettelijk voorschrift vastgestelde boetebedragen artikel 5:46, derde lid, van de Awb het kader waarin de op artikel 6 EVRM gestoelde evenredigheidstoets wordt voltrokken. Binnen dat kader kan en behoort te worden beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet al bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden.
6 In zijn uitspraken van 26 november 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:858) en 22 april 2025 (hiervoor aangehaald) heeft het College geoordeeld dat gesteld beperkt economisch voordeel geen aanleiding geeft voor matiging van de boete. Verder heeft het College al eerder geoordeeld dat (zie onder 4.9 van de uitspraak van 26 november 2024, hiervoor aangehaald) de rechtspraak waarop de onderneming zich heeft beroepen geen grond biedt voor een ander oordeel, omdat daarin geen sprake is van vergelijkbare gevallen. Anders dan de onderneming aanvoert wijkt haar situatie af van het geval waarin niet is voldaan aan één van de administratieve voorwaarden van een driepartijenovereenkomst en de feitelijke levering wel heeft plaatsgevonden. Zoals de minister namelijk terecht heeft opgemerkt is in dat geval de mest wél en in de situatie van de onderneming de mest niet verwerkt. Door de vermelding van opmerkingscode 61 door de onderneming op de VDM’s heeft de leverancier van de vrachten voldaan aan diens mestverwerkingsplicht en heeft de onderneming de verplichting op zich genomen om de mest daadwerkelijk te verwerken.
7 Het hoger beroep slaagt niet. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. R.C. Stam en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. A. Graefe. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
w.g. A. Venekamp w.g. A. Graefe