COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 25/488
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen
Silver Specialistische Zorg B.V. (Silver), te Tilburg
(gemachtigde: mr. K.J. Breedijk)
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(gemachtigde: mr. M.A.H. Gatzen)
Samenvatting
In deze uitspraak verklaart het College het beroep deels niet-ontvankelijk en deels gegrond.
Overwegingen
1. Het College heeft het onderzoek gesloten en doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om over het beroep te oordelen en omdat partijen, gelet op het bepaalde in artikel 8:57, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen gebruik hebben gemaakt van hun recht om ter zitting gehoord te worden.
2 Deze procedure is gestart met het beroep van Silver tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op haar bezwaar tegen het besluit van 9 september 2024, houdende wijziging van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG in verband met beperkingen ten aanzien van de beschikbaarheidbijdrage voor (medische) vervolgopleidingen (Stb. 2024, 257). Met dat besluit heeft de minister (opnieuw) verdeelplannen vastgesteld voor de jaren 2023, 2024 en 2025 door aan de bijlage bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG onderdeel D toe te voegen, waarin die verdeelplannen zijn opgenomen.
Op 20 juni 2025 heeft de minister alsnog op het bezwaar van Silver beslist en dat ongegrond verklaard. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het door Silver ingestelde beroep mede betrekking op het besluit van 20 juni 2025. Het beroep van Silver richt zich inhoudelijk tegen de door de minister gehandhaafde verdeelplannen.
3 Met haar uitspraak van 14 oktober 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:550) in een procedure die was gericht tegen de verdeelplannen voor de jaren 2024 en 2025, heeft het College de in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG opgenomen toekenningsbeschikkingen (verdeelplannen) herroepen.
4 Silver heeft de minister vervolgens verzocht om haar een schadevergoeding toe te kennen voor de opleidingsplaatsen die zij in de jaren 2023, 2024 en 2025 heeft verzorgd, zonder dat haar voor die jaren beschikbaarheidbijdragen waren toegekend. Op dat verzoek moet de minister nog beslissen.
5 In de onderhavige procedure bij het College heeft Silver verzocht om het beroep voor wat betreft de verdeelplannen 2024 en 2025 niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de verdeelplannen 2024 en 2025 bij de eerdergenoemde uitspraak van 14 oktober 2025 al door het College zijn herroepen. Zij heeft verzocht het beroep voor wat betreft het verdeelplan 2023 gegrond te verklaren en het verdeelplan 2023 te herroepen, een en ander naar analogie met eerdere uitspraken van het College van 28 januari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:35 en ECLI:NL:CBB:2025:36).
6 De minister heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen niet-ontvankelijkverklaring van het beroep voor wat betreft de al door het College herroepen verdeelplannen 2024 en 2025. Wat het verdeelplan 2023 betreft, is de minister van mening dat niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, omdat dat niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang. Silver heeft volgens de minister geen procesbelang, omdat de toekenningsbeschikkingen voor het jaar 2023 inmiddels in rechte vaststaan en de verdeling van de instroomplaatsen voor dat jaar niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Wat het verzoek om schadevergoeding betreft, stelt de minister dat uit de hiervoor genoemde uitspraak van het College van 14 oktober 2025 al volgt dat de toekenningsbeschikkingen die zijn opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG (welke samen de verdeelplannen vormen), onbevoegd zijn vastgesteld. Een uitspraak van het College waarin dat nogmaals wordt bevestigd voor het jaar 2023 doet daaraan niet af noch draagt daaraan bij, aldus de minister.
Conclusie wat betreft het niet tijdig nemen van een besluit
7 De beroepsprocedure is gestart met het beroep van Silver tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar tegen het besluit van 9 september 2024. Met het besluit van 20 juni 2025 heeft de minister alsnog op het bezwaar beslist en een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen toegekend van € 253,-. Silver heeft daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen door de minister. Het College zal het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie verdeelplannen 2024 en 2025
8 Voor wat betreft de verdeelplannen 2024 en 2025 is het College van oordeel dat het procesbelang van Silver bij de beoordeling hiervan is komen te vervallen, omdat die verdeelplannen bij de uitspraak van het College van 14 oktober 2025 al herroepen zijn. Het beroep is dus niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG opgenomen toekenningsbeschikkingen 2024 en 2025.
Conclusie verdeelplan 2023
9 Voor wat betreft het verdeelplan 2023 is het College van oordeel dat Silver procesbelang heeft bij een uitspraak van het College, omdat met de eerdere uitspraak van 14 oktober 2025 alleen de verdeelplannen 2024 en 2025 zijn herroepen, terwijl de redenen voor het herroepen van die verdeelplannen evenzeer gelden voor het verdeelplan 2023. Uit die uitspraak volgt immers dat alle toekenningsbeschikkingen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG onbevoegd zijn vastgesteld, nu er noch in de Wmg, noch in het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG een bevoegdheid is neergelegd voor een bestuursorgaan om instroomplaatsen aan individuele zorginstellingen toe te kennen. Daarbij komt dat Silver een verzoek om schadevergoeding bij de minister heeft ingediend omdat zij -volgens haar ten onrechte- niet was opgenomen in het destijds vastgestelde verdeelplan 2023 waardoor er vervolgens ook geen beschikbaarheidbijdrage voor dat jaar aan haar werd toegekend. Gelet op de uitspraak van 14 oktober 2025 is het beroep tegen het verdeelplan 2023 daarom al gegrond en herroept het College de in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG opgenomen toekenningsbeschikkingen 2023.
Proceskosten
10 Het College zal de minister veroordelen in de door Silver gemaakte proceskosten. De in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt met een wegingsfactor 0,5 voor het indienen van het beroepschrift tegen niet tijdig beslissen, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het besluit van 20 juni 2025 en 0,5 punt voor een schriftelijke uiteenzetting, beide met een wegingsfactor 1 en alle met een waarde per punt van € 934,-). De in bezwaar gemaakte kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt het College vast op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van een hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1).
Het College draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 385,- aan Silver te vergoeden.
Beslissing
Het College:
- veroordeelt de minister in de proceskosten van Silver tot een bedrag van € 1.868,- en in de door Silver in bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.332,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
w.g. T. Pavićević w.g. J.M.M. Bancken