COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] B.V., te [woonplaats 1] ( [naam 1] )
[naam 1] enAutoriteit Consument en Markt (ACM)
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting [naam 2] , te [woonplaats 2] (stichting)
uitspraak
zaaknummer: 22/2346
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 op het hoger beroep van
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2022,
kenmerk ROT 21/1976, in het geding tussen
(gemachtigde: mr. T. Sahabi).
(gemachtigde: mr. H. Hielkema)
Procesverloop in hoger beroep
[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 15 september 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:7611).
De ACM heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend. De stichting heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De toenmalige gemachtigde van [naam 1] heeft bij brief van 7 november 2024 bericht dat [naam 1] op 5 november 2024 failliet is verklaard.
Bij brief van 13 februari 2025 heeft de curator in het faillissement van [naam 1] aan het College te kennen gegeven dat hij het geding niet overneemt.
De ACM heeft bij brief van 26 maart 2025 om ontslag van instantie gevraagd.
Op 30 april 2025 heeft de ACM te kennen gegeven waarom de procedure kan worden beëindigd. Op 2 mei 2025 heeft de stichting medegedeeld dat zij geen belang meer heeft bij voortzetting van de zaak.
Overwegingen
In artikel 8:22, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat in geval van faillissement artikel 27 van de Faillissementswet (Fw) van overeenkomstige toepassing is.
Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Fw wordt, indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, het geding ten verzoeke van de gedaagde geschorst, ten einde deze in de gelegenheid te stellen, binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.
Op grond van het tweede lid heeft de gedaagde het recht ontslag van instantie te vragen, zo de curator aan die oproeping geen gevolg geeft.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 7 november 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA5197) volgt dat artikel 27, tweede lid, van de Fw niet dwingt tot toewijzing van een vordering tot verlening van ontslag van de instantie; de rechter mag deze onder omstandigheden afwijzen. Verder heeft de Hoge Raad in dit arrest geoordeeld dat bij de beoordeling van een verzoek tot ontslag van de instantie het belang van de verzoeker dient te worden afgewogen tegen het belang van de wederpartij bij het verkrijgen van een beslissing op het materiële geschil zoals dat door hem aan de rechter is voorgelegd.
Ontslag van instantie' wordt in de bestuursrechtelijke context opgevat als een verzoek om de partij die (hoger) beroep heeft ingesteld en in staat van faillissement verkeert, niet-ontvankelijk te verklaren.
Oordeel van het College
De ACM heeft aangevoerd geen belang meer te hebben bij voortzetting van de procedure omdat die is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank waarbij de ACM in het gelijk is gesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat de ACM terecht een bindende aanwijzing aan [naam 1] heeft opgelegd. De ACM heeft er dus belang bij dat deze bindende aanwijzing onherroepelijk wordt.
De stichting heeft gesteld dat zij geen belang meer heeft bij voorzetting van de zaak om dat [naam 1] failliet is verklaard en de curator de zaak niet overneemt.
Bij brief van 13 oktober 2025 is [naam 1] in de gelegenheid gesteld om schriftelijk kenbaar te maken welk belang [naam 1] heeft bij voortzetting van deze procedure. Hierop heeft [naam 1] geen reactie gegeven. De curator van [naam 1] heeft bij e-mail bericht van 15 oktober 2025 het volgende te kennen gegeven: “In bijlage zend ik u hierbij de reactie namens de heer [naam 3] .” Het College heeft vastgesteld dat de genoemde bijlage geen reactie bevat van genoemde [naam 3] , maar slechts een afschrift met bijlagen van de brief van het College van 13 oktober 2025. Ook na telefonische navraag bij de curator is geen reactie van [naam 3] voornoemd ontvangen.
Het College is van oordeel dat het verzoek om ontslag van instantie moet worden toegewezen. [naam 1] heeft – ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – geen belang bij het College kenbaar gemaakt, zodat het ervoor gehouden moet worden dat de door ACM aangevoerde belangen zwaarder wegen.
Dit betekent dat het beroep van [naam 1] niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om tot dit oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
Beslissing
Het College verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
w.g. J.H. de Wildt w.g. P.M. Beishuizen
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.