ECLI:NL:CBB:2026:35

ECLI:NL:CBB:2026:35

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer 23/824
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Ruiming van pluimvee in verband met besmetting met hoogpathogene aviaire influenza (HPAI). Onjuiste bepaling door de minister van het ijkmoment als bedoeld in artikel 4.1 van het Besluit diergezondheid voor de vaststelling van de tegemoetkoming in de schade voor de geruimde dieren (artikel 9.6, eerste lid, van de Wet dieren). Niet slagend beroep van het pluimveebedrijf op de in artikel 9.12 van de Wet dieren en artikel 4.2 van de Regeling diergezondheid geregelde mogelijkheid tot betaling van een verzorgingsvergoeding, omdat de daarvoor vereiste openstelling van die mogelijkheid door de minister niet heeft plaatsgevonden. Het College voorziet zelf in de zaak door de tegemoetkoming in de schade voor de geruimde dieren vast te stellen.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [woonplaats] (pluimveebedrijf)

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

uitspraak

zaaknummer: 23/824

(gemachtigde: mr. R.J. de Nekker)

en

(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman)

Procesverloop

Met het besluit van 14 oktober 2022 (tegemoetkomingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming in de schade voor de op 3 september 2022 bij het pluimveebedrijf geruimde dieren vastgesteld op € 224.016,40.

Met het besluit van 17 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.

Het pluimveebedrijf heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De zitting was op 26 augustus 2025. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen, en namens het pluimveebedrijf [naam 1] .

Overwegingen

Inleiding

1 Op 1 september 2022 heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) onderzoek gedaan naar een mogelijke besmetting van pluimvee op het pluimveebedrijf met hoogpathogene aviaire influenza (HPAI). Op grond van dit onderzoek werd vastgesteld dat het pluimvee op het pluimveebedrijf besmet was met HPAI.

Op 2 september 2022 heeft de minister het besluit tot besmetverklaring op schrift gesteld. Aan de besmetverklaring heeft de minister onder meer als maatregel verbonden dat al het op het bedrijf aanwezige pluimvee zo snel mogelijk wordt gedood. Op die dag heeft ook de taxatie van de dieren, bedoeld in artikel 9.8, derde lid, van de Wet dieren, plaatsgevonden. De waarde van de dieren is getaxeerd op € 231.556,53.

Naar aanleiding van de besmetverklaring is de minister overgegaan tot ruiming van het pluimvee. Deze ruiming stond in eerste instantie gepland voor 2 september 2022. De ruiming is echter uitgesteld tot 3 september 2022 omdat er onvoldoende gas voorhanden was om de ruiming op 2 september 2022 uit te voeren.

Met het tegemoetkomingsbesluit heeft de minister de tegemoetkoming in de schade voor de geruimde dieren vastgesteld op € 224.016,40. Deze vaststelling is lager dan het taxatiebedrag, omdat volgens de minister ten onrechte als ijkdatum van de taxatie 2 september 2022 is aangehouden. Volgens de minister moet de ijkdatum 1 september 2022 zijn. Dit is de dag dat de besmetverklaring volgens de minister telefonisch aan het pluimveebedrijf is doorgegeven. In het bestreden besluit is de minister bij dit standpunt gebleven.

Wettelijk kader

2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling van de gronden

3 Het College komt tot het oordeel dat de beroepsgronden deels slagen en dat het beroep daarom gegrond is. Dit brengt mee dat het bestreden besluit zal worden vernietigd. Hierna licht het College zijn oordeel toe aan de hand van de door het pluimveebedrijf aangevoerde gronden.

IJkmoment

Volgens het pluimveebedrijf is de minister ten onrechte uitgegaan van 1 september 2022 als datum van de besmetverklaring en als ijkdatum voor het bepalen van de tegemoetkoming in de schade. Het pluimveebedrijf ontkent op 1 september 2022 een telefonische mededeling van de minister te hebben ontvangen over de besmetverklaring en de bestrijdingsmaatregelen. Het pluimveebedrijf voert aan dat de ijkdatum voor het bepalen van de tegemoetkoming in de schade op 2 september 2022 (de datum van de schriftelijke mededeling besmetverklaring), of 3 september 2022 (de datum van de ruiming van de dieren) moet worden gesteld. Het pluimveebedrijf stelt dat uit niets blijkt dat de minister op 1 september 2022 de besmetverklaring mondeling heeft doorgegeven.

Verder wijst het pluimveebedrijf erop dat de dieren oorspronkelijk op 2 september 2022 zouden worden geruimd. Omdat de NVWA op dat moment te weinig gas had, is de ruiming uitgesteld tot 3 september 2022. In de tussentijd moest het pluimveebedrijf de dieren nog wel verzorgen. Hierdoor heeft het pluimveebedrijf niet alleen meer kosten gemaakt, maar zijn de dieren ook in gewicht toegenomen. Het pluimveebedrijf vindt het in deze situatie, waarin de controle over het bedrijf in handen was van de NVWA, de ruiming door toedoen van de NVWA een dag was uitgesteld en hij in de tussentijd wel kosten heeft gemaakt, niet meer dan redelijk en billijk dat de extra kosten van verzorging ook worden vergoed.

De minister stelt zich op het standpunt dat 1 september 2022 in dit geval als ijkmoment geldt omdat op die datum volgens de minister de besmetverklaring en de bestrijdingsmaatregel telefonisch aan het pluimveebedrijf zijn doorgegeven.

Op grond van artikel 5.2, vijfde lid, van de Wet dieren hoeft de minister een besluit tot besmetverklaring niet eerst op schrift te stellen als onverwijlde tenuitvoerlegging van een maatregel noodzakelijk is in het belang van preventie of bestrijding van besmettelijke dierziekten, zoönosen of ziekteverschijnselen of het weren van ziekteverwekkers. Wel dient de minister in dat geval alsnog zo spoedig mogelijk te zorgen voor de opschriftstelling en bekendmaking van het besluit. Artikel 4.1 van het Besluit diergezondheid bepaalt, voor zover hier van belang, dat het moment waarop aan de houder is meegedeeld dat ten aanzien van dieren een bestrijdingsmaatregel wordt opgelegd, geldt als ijkmoment voor de in artikel 9.8, zesde lid, aanhef en onder a, van de Wet dieren bedoelde waardevaststelling. In de Nota van Toelichting bij het Besluit diergezondheid (Stb 2021, 169, bladzijde 40) is over de manier waarop deze mededeling moet plaatsvinden, het volgende opgenomen:

“In artikel 4.1 is opgenomen dat het ijkmoment het moment is waarop aan de houder wordt meegedeeld dat een bestrijdingsmaatregel wordt of is toegepast. Het betreft in beginsel een schriftelijke mededeling. Indien deze mededeling om reden van spoedeisendheid mondeling wordt gedaan is de datum van die mondelinge mededeling bepalend. Overigens wordt zo een mondelinge mededeling nadien nog wel schriftelijk bevestigd en bekend gemaakt (artikel 5.2, vijfde lid, van de wet).”

Allereerst moet daarom worden vastgesteld wanneer de minister het pluimveebedrijf op de hoogte heeft gesteld dat de dieren besmet waren en dat hij een bestrijdingsmaatregel zou opleggen.

Tijdens de zitting heeft de minister desgevraagd verklaard dat het in spoedeisende situaties vaste werkwijze is dat de testuitslag eerst telefonisch wordt doorgegeven en dat daarna pas een schriftelijke bevestiging van de testresultaten volgt. In dit geval was sprake van een spoedeisende situatie. Er geldt een draaiboek waarin is opgenomen wie in zulke situaties op de hoogte moet worden gebracht. Het mondeling doorgeven van de testuitslag wordt echter niet gelogd of op een andere manier bijgehouden. Wel worden notities bijgehouden wanneer er wordt afgeweken van het draaiboek. In deze zaak is volgens de minister het draaiboek gevolgd en zijn er geen loggegevens of andere gegevens bekend waaruit blijkt wanneer de testuitslag mondeling aan het pluimveebedrijf is doorgegeven.

Het College is van oordeel dat van de minister mag worden verwacht dat hij, wanneer hij afwijkt van de hoofdregel dat een bestrijdingsmaatregel schriftelijk wordt medegedeeld, gegevens bijhoudt van een door hem gedane mondelinge mededeling. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van loggegevens of een notitie. Omdat dergelijke gegevens er niet zijn en het pluimveebedrijf ontkent op 1 september 2022 telefonisch op de hoogte te zijn gesteld van de besmetverklaring en de bestrijdingsmaatregel, heeft de minister niet aannemelijk gemaakt dat het pluimveebedrijf daarvan op 1 september 2022 mondeling op de hoogte is gebracht. De minister had voor het te hanteren ijkmoment dus moeten uitgaan van de bekendmaking van het schriftelijke besluit op 2 september 2022 waarin de besmetverklaring en ruimingsmaatregel waren opgenomen. Hierbij is nog van belang is dat tussen partijen niet ter discussie staat dat het op 2 september 2022 duidelijk was dat het bedrijf besmet was en er geruimd zou gaan worden. Door bij de waardevaststelling niet uit te gaan van 2 september 2022 als ijkmoment, zijn de besluiten in strijd met artikel 4.1 van het Besluit diergezondheid.De beroepsgrond slaagt.

Verzorgingsvergoeding

5 Het pluimvee zou oorspronkelijk op 2 september 2022 worden geruimd. Omdat de NVWA op die dag over onvoldoende gas beschikte, is de ruiming uitgesteld tot 3 september 2022. In de tussentijd heeft het pluimveebedrijf de dieren nog moeten verzorgen. Het pluimveebedrijf stelt zich op het standpunt dat de extra kosten van verzorging (ook) vergoed moeten worden. Het College leest hierin een beroep op de verzorgingsvergoeding op grond van artikel 9.12 van de Wet dieren en artikel 4.2 van de Regeling diergezondheid.

In de Nota van Toelichting bij artikel 4.2 van de Regeling diergezondheid (Stcrt. 2021, 17794, bladzijdes 86 en 87) is over de verzorgingsvergoeding het volgende opgenomen:

“Voor de periode tussen het moment waarop aan de houder is medegedeeld dat een maatregel ter bestrijding van een dierziekte wordt toegepast en het moment van toepassen van deze maatregel, kan de minister een vergoeding geven aan de houder voor de kosten die hij maakt bij de verzorging van de dieren waarop de maatregel wordt toegepast (artikel 9.12 Wet dieren). Of de minister van deze bevoegdheid gebruik maakt hangt sterk af van de specifieke omstandigheden van de dierziekteuitbraak.

Het streven is dat de periode tussen het meedelen van het besluit tot ruiming aan de houder en de daadwerkelijk uitvoering van de ruiming kort is. Er zijn echter verschillende factoren van invloed op de termijn waarbinnen een ruiming daadwerkelijk uitgevoerd kan worden. Als er veel bedrijven tegelijk geruimd moeten worden, kan de periode tussen de mededeling aan de houder en de uitvoering van de ruiming oplopen. De houder van de dieren maakt tot de dieren geruimd zijn kosten voor de verzorging van de dieren. De minister kan beslissen om de houder in zo’n situatie een vergoeding te geven voor de kosten van verzorging van de dieren. De verzorgingsvergoeding is bedoeld voor uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als de periode tussen het besluit tot ruimen en daadwerkelijk ruimen van de dieren door omstandigheden significant langer is dan gebruikelijk.

In artikel 4.2 van de Regeling diergezondheid zijn nadere regels gesteld over de hoogte van de vergoeding, de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vergoeding, en de periode waarop een vergoeding betrekking heeft. In het eerste lid zijn de kosten opgenomen waarvoor een houder een vergoeding kan ontvangen. Het gaat hierbij om kosten die gemaakt worden in het kader van de normale verzorging van dieren zoals kosten voor voer, bodembedekking en diensten van een dierenarts. In het tweede lid is bepaald dat de houder die het betreft binnen een maand na mededeling een aanvraag voor de verzorgingsvergoeding in moet dienen en dat de aanvraag gedaan moet worden met een door de minister ter beschikking gesteld middel. Hierdoor is tevens duidelijk wanneer de minister besloten heeft tot toekenning van de verzorgingsvergoeding, als het middel tot aanvraag daartoe niet beschikbaar gesteld is, kan er geen aanvraag ingediend worden.”

Artikel 9.12 van de Wet dieren en artikel 4.2 van de Regeling diergezondheid bieden de minister de mogelijkheid om in uitzonderingsgevallen, wanneer er door omstandigheden een significant langere tijd dan gebruikelijk zit tussen het besluit tot ruimen en de daadwerkelijke ruiming van de dieren, de veehouder in kwestie een verzorgingsvergoeding toe te kennen. Hoewel dit uit beide artikelen niet heel duidelijk valt op te maken, blijkt uit de hierboven aangehaalde passage uit de Nota van Toelichting dat voor een dergelijke vergoeding alleen ruimte is wanneer de minister de mogelijkheid hiertoe heeft opengesteld. Dit betekent dat er ook geen ruimte is voor het aanvragen of toekennen van een verzorgingsvergoeding, wanneer de minister deze mogelijkheid niet heeft opengesteld. Desgevraagd heeft de minister op de zitting verklaard dat hij deze mogelijkheid niet heeft opengesteld. Daarom kan het pluimveebedrijf ook geen verzorgingsvergoeding aanvragen. De beroepsgrond slaagt al daarom niet.

Beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur

6 Het pluimveebedrijf heeft verder aangevoerd dat diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. Op de zitting heeft het pluimveebedrijf deze gronden ingetrokken, zodat deze geen verdere bespreking behoeven.

Slotsom

Het hiervoor onder 4.4 tot en met 4.7 overwogene brengt mee dat het beroep van het pluimveebedrijf slaagt. Doordat de minister bij de waardevaststelling niet is uitgegaan van 2 september 2022 als ijkmoment is het besluit in strijd met artikel 4.1 van het Besluit diergezondheid. Het beroep is gelet daarop gegrond. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen.

Tijdens de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het bedrag dat in de op 2 september 2022 uitgevoerde taxatie wordt genoemd, het juiste bedrag is wanneer als ijkdatum voor de waardevaststelling 2 september 2022 wordt gehanteerd. Het College ziet daarom ruimte om zelf in de zaak te voorzien door het tegemoetkomingsbesluit te herroepen en de tegemoetkoming in de schade voor de geruimde dieren overeenkomstig de taxatie op

€ 231.556,53 vast te stellen. Het College zal bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

Het College zal de minister veroordelen in de door het pluimveebedrijf in beroep en in bezwaar gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1), en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting; waarde per punt € 666,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

€ 231.556,53;

- veroordeelt de minister in de door het pluimveebedrijf gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 3.200,- (€ 1.868 + € 1.332,-).

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. H.L. van der Beek en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. E.M.M.A. Driessen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. E.M.M.A. Driessen

Bijlage

Wet dieren

Artikel 5.2. Spoedeisendheid

[…]

5. Een krachtens dit hoofdstuk te treffen besluit hoeft niet eerst op schrift te worden gesteld ingeval in het belang van preventie of bestrijding van besmettelijke dierziekten, zoönosen of ziekteverschijnselen of het weren van ziekteverwekkers een onverwijlde tenuitvoerlegging van een maatregel noodzakelijk is. In dat geval zorgt Onze Minister alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en bekendmaking.

Artikel 9.5. Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op maatregelen, getroffen krachtens een EU-rechtshandeling als bedoeld in artikel 5.1, vierde lid, of hoofdstuk 5, paragraaf 2.

Artikel 9.6. Voorwaarden tegemoetkoming

1. Uit het Diergezondheidsfonds wordt door Onze Minister aan de houder een

tegemoetkoming in de schade uitgekeerd, indien:

a. dieren worden gedood, of

b. producten of voorwerpen onschadelijk worden gemaakt of worden vernietigd. [...].

Artikel 9.8. Hoogte tegemoetkoming

1. De tegemoetkoming in de schade bedraagt:

a. voor verdachte dieren: de waarde in gezonde toestand;

[…]

3. Voordat dieren worden gedood of producten of voorwerpen onschadelijk worden gemaakt

of vernietigd, wordt de waarde daarvan vastgesteld.

[...].

5. Onze Minister stelt, op basis van een advies over de waarde opgesteld door een door hem

aangewezen deskundige, de tegemoetkoming in de schade vast.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de

uitvoering van de waardevaststelling, bedoeld in het derde lid. Deze regels hebben

betrekking op:

a. het tijdstip dat als ijkmoment geldt voor de waardevaststelling;

[…]

Artikel 9.12. Vergoeding kosten verzorging

1. Voor de periode tussen het moment waarop aan de houder is medegedeeld dat een maatregel als bedoeld in hoofdstuk 5, paragraaf 2, wordt toegepast en het moment van toepassen van deze maatregel, kan door onze Minister een vergoeding worden betaald aan de houder voor de kosten die hij maakt bij de verzorging van de dieren waarop de maatregel wordt toegepast.

2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

a. de hoogte van de vergoeding;

b. de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een vergoeding, en

c. de periode waarop een vergoeding betrekking heeft.

3. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, kan worden betaald uit het Diergezondheidsfonds.

Besluit diergezondheid

Artikel 4.1 IJkoment waardevaststelling dieren, producten en voorwerpen

Het moment waarop aan de houder is meegedeeld dat ten aanzien van een dier, product of voorwerp een bestrijdingsmaatregel als bedoeld in artikel 5.4, derde lid, onderdelen h of i, of artikel 5.5, tweede lid, onderdelen c of d, van de wet wordt of is toegepast, geldt als ijkmoment voor de waardevaststelling, bedoeld in artikel 9.8, zesde lid, onderdeel a, van de wet.

Artikel 4.2 Waardevaststelling dieren, producten en voorwerpen

1. De waardevaststelling, bedoeld in artikel 9.8, derde lid, van de wet geschiedt op basis

van:

a. het in artikel 5.4, vijfde lid, van de wet bedoelde vastgestelde aantal dieren; en

b. de waarde die het dier, product of voorwerp had op het moment waarop aan de

desbetreffende houder is medegedeeld dat ten aanzien van zijn dier, product of voorwerp

een bestrijdingsmaatregel wordt of is toegepast. [...].

Regeling diergezondheid

Artikel 4.2 Verzorgingsvergoeding

[…]

2. Ingeval toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9.12, eerste lid, van de wet, kan de houder, bedoeld in dat artikel, binnen de periode van een maand nadat de mededeling dat een maatregel als bedoeld in hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de wet wordt toegepast, een aanvraag indienen voor de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?