COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats]
de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
uitspraak
zaaknummer: 23/1400
(gemachtigde: mr. M. Berkel)
en
(gemachtigde: mr. P. van der Meer)
Procesverloop in beroep
[naam 1] heeft tegen de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023 (bestreden besluit) beroep ingesteld.
De zitting was op 10 juni 2026. De gemachtigden van partijen hebben aan de zitting deelgenomen.
Inleiding
Op grond van artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000) is het verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning. Op grond van artikel 75, eerste lid, van de Wp2000 wordt, voor zover hier van belang, met het verrichten van taxivervoer gelijkgesteld het aanbieden van dat vervoer. Onder taxivervoer wordt op grond van artikel 1 van de Wp2000 verstaan: personenvervoer per auto tegen betaling, niet zijnde openbaar vervoer.
Op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Wp2000 is deze wet niet van toepassing op vervoer van personen per auto anders dan openbaar vervoer, indien de som van de betalingen voor dat vervoer de kosten van de auto en eventuele bijkomende kosten voor dat vervoer niet te boven gaat, tenzij vorenstaande wordt verricht in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Dit artikel is de zogenoemde carpoolbepaling.
Een opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee (verbalisant) heeft [naam 1] op 4 oktober 2022 om 03:52 uur op luchthaven Schiphol aangehouden op verdenking van het aanbieden en verrichten van taxivervoer zonder in het bezit te zijn van de daarvoor vereiste vergunning. Zijn bevindingen heeft hij onder meer neergelegd in een proces-verbaal van aanhouding.
In dat proces-verbaal van aanhouding staat, voor zover van belang, het volgende:
“[…]WAARNEMINGEN
Aldaar zag ik een zwarte Opel Astra voorzien van kenteken [kenteken] op de Vertrekpassage aan komen rijden. Ik zag dat het voertuig gele kentekenplaten voerde.
Ik zag dat de bestuurder qua uiterlijk niet bij de passagiers paste en vervolgens dat de bestuurder zakelijk afscheid nam van de passagiers. Op basis van deze bevindingen kreeg ik het idee dat hier mogelijk taxivervoer werd verricht.
[…]
GETUIGEVERKLARING
Ik, [naam verbalisant], hoorde de passagier, en vroeg hem naar zijn identiteitsgegevens. […]
Ik hoorde hem zeggen:
Ik ken de chauffeur van de markt. Vroeger zag ik hem daar. Ik heb via mijn zoon dit telefoonnummer […] ontvangen en dat hij 30 euro cash had betaald voor een rit van Den haag naar Schiphol. Ik heb geen tijd […] om op een verklaring op papier te wachten omdat ik wil gaan inchecken. De chauffeur staat onder [naam 2] in de telefoon omdat hij me hier heen brengt.
[…]
BEVINDINGEN TELEFOON
[…] Ik zag in de bovenste apps dat meerdere keren gevraagd werd om opgehaald of gebracht te worden. Tevens werd door verdachte 140 euro gevraagd voor een heen en terug rit van Amsterdam naar Den Haag. Dit gaf mij het idee dat verdachte zich veelvuldig schuldig maakt aan snorren. Terwijl ik de telefoon vorderde trok verdachte meerdere keren de telefoon weg en zag ik dat hij app geschiedenis wistte. In een app wisseling geeft verdachte aan dat hij 50 euro vraagt om naar Schiphol te rijden, 70 euro naar Amsterdam. Foto's van deze gesprekken zijn bij dit dossier gevoegd.
[…]
ONDERNEMINGSVERGUNNING TAXI
Vervolgens heb ik [naam verbalisant] contact opgenomen met de inspecteurslijn van het KIWA welke mij meedeelde dat verdachte niet in het bezit is van een geldige
taxiondernemingsvergunning. […]”
Met het besluit van 19 januari 2023 heeft de staatssecretaris [naam 1] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Wp2000. De last houdt in dat hij zich moet onthouden van overtreding van artikel 76, eerste lid, van de Wp2000 met onmiddellijke ingang. Bij elke volgende overtreding van deze bepaling verbeurt [naam 1] een dwangsom van € 10.000,- tot een maximum van € 40.000,-. Met het bestreden besluit heeft de staatssecretaris de last onder dwangsom gehandhaafd.
Beoordeling van het beroep
Het College oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft geconcludeerd dat [naam 1] taxivervoer heeft aangeboden en dat de staatssecretaris de last onder dwangsom mocht opleggen. Daarvoor is het volgende van belang.
Een bestuursorgaan mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport van bevindingen, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
In wat [naam 1] aanvoert, ziet het College geen aanleiding voor het oordeel dat de bevindingen van de verbalisant onjuist zijn en dat de staatssecretaris in zijn besluitvorming daarvan niet mocht uitgaan. [naam 1] betwist ook niet dat hij op 4 oktober 2022 met een auto een passagier van Den Haag naar Schiphol heeft vervoerd tegen betaling van € 30,- door die persoon. Dat, zoals [naam 1] aanvoert, de opmerkingen in het proces-verbaal van aanhouding over het uiterlijk van de passagiers en [naam 1] suggestief of onvolledig zouden zijn, neemt niet weg dat hij zonder vergunning tegen betaling personenvervoer heeft verricht. Het College volgt [naam 1] niet in zijn betoog dat de carpoolbepaling op hem van toepassing is en dat hij artikel 76, eerste lid, van de Wp2000 niet heeft overtreden. De carpoolbepaling is bedoeld om het carpoolen met vrienden of collega’s buiten de vergunningplicht te brengen door het vervoer van personen per auto, indien dat slechts geschiedt tegen vergoeding van (maximaal) de autokosten, van de werkingssfeer van de Wp2000 uit te sluiten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 21 september 2017, ECLI:NL:CBB:2017:312). Dat van een dergelijke situatie hier sprake is, heeft [naam 1] niet aannemelijk gemaakt. De hoogte van het door de passagier betaalde bedrag voor die afstand duidt op een betaling voor vervoer die meer bedraagt dan de reguliere kostenvergoeding. Verder stond [naam 1] onder [naam 2] opgeslagen in de telefoon van de passagier, terwijl uit appjes op zijn eigen telefoon blijkt dat hij in september en oktober 2022 ten minste zes keer door middel van betaalverzoeken (tikkies) om een vergoeding voor vervoer heeft gevraagd variërend van € 10,- tot € 140,-. Uit een en ander is niet aannemelijk geworden dat het hier om een vriendendienst ging.
3 Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [naam 1] door het aanbieden en verrichten van taxivervoer zonder vergunning artikel 76, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 75, eerste lid, van de Wp2000 heeft overtreden. De staatssecretaris was dus op grond van artikel 93, tweede lid, van de Wp2000 en artikel 5:32, eerste lid, van de Awb, bevoegd om hem een last onder dwangsom op te leggen om herhaling van die overtreding te voorkomen. [naam 1] heeft de aanwending van die bevoegdheid door de staatssecretaris niet (gemotiveerd) bestreden.
4 Het College zal het beroep ongegrond verklaren. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. A. Venekamp en mr. S.B. SmitColenbrander, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. M. Ettema